Oud verhaal

1984-01-20
  • Jaargang 28
  • nummer 3
U kent natuurlijk de anecdote van een wethouder, die vanwege zijn ouderdom zoveel politieke flaters sloeg, dat zijn partijbestuurders op maatregelen zonnen, teneinde hem van zijn functie te ontheffen? Wat, kent u die niét? Jawel, u kent hem, maar hij is u even ontschoten.

Nu dan. Ze hadden de weehouder niet zelf aangesteld en konden hem daarom niet ontslaan. Het partijbestuur heeft moeten wachten tot de volgende verkiezing en zag toen de gelegenheid, hem op een nietkansbiedende plaats te zetten. Zo raakten ze hem eindelijk kwijt.

Intussen begrepen de partijbestuurders wel, dat dit niet weer mocht gebeuren. Dus maakten ze een afspraak: dat zij elk - eens wethouder zijnde - op eerste verzoek van het partijbestuur hun functie zouden neerleggen. Zo zou een herhaling van het incident kunnen worden voorkomen. Een overeenkomst werd opgemaakt, door allen getekend en dat was dat.

Jaren verliepen en de overeenkomst lag rustig in een safe te rusten. Totdat weer een wethouder vanwege zijn ouderdom zoveel politieke bokken schoot, dat zijn partijbestuur op maatregelen zon, teneinde hem van zijn functie te ontheffen. Ze hadden de wethouder echter niet zelf aangesteld en konden hem dus ook niet ontslaan.
Maar de jongste van het gezelschap herinnerde zich een soortgelijk precedent; herinnerde zich een overeenkomst, die veilig in een safe bewaard lag.

De overeenkomst kwam op tafel.
De wethouder werd ter vergadering genodigd. Confrontatie met het stuk!

De wethouder echter bezag het stuk critisch, bezag zijn jeugdige handtekening, snoof minachtend en concludeerde: dat is een stuk uit mijn jeugdjaren, ik wist toen nauwelijks wat ik tekende. En bleef tot de volgende verkiezing zitten.

Behalve een lachertje zit hier natuurlijk enige levenswijsheid in.
Dat besefte ik in mijn loopbaan, die ergens in de financiële sfeer lag.

Toen ik nog vrij jong en onervaren was (en dus voor elk probleem een antwoord wist) kwam een zakenman bij me om raad. Hij zei: onze zaak is eigenlijk door grootvader gesticht en zit nu goeddeels in handen van vader, ooms en tantes.
Dit betekent dat ik nooit kan moderniseren, nooit kan aanpassen bij de behoeften van de tijd - of ik heb de goede familie tegen me.
Kunt u me helpen uit het probleem te komen?

Naar ik meen gaf ik hem de raad, zijn filiaal uit de familiezaak te kopen en onafhankelijk vervoer te gaan. Dat gaf wel nieuwe problemen, maar die waren er om opgelost te worden. In elk geval veranderde de zaak nadien aIs door een wedergeboorte, behield de oude naar ik meen gaf ik hem de raad, beantwoordde aan de eisen des tijds en floreerde als nooit tevoren. Alles liep naar wens en dat was dat.

Totdat na jaren een der zoons een bekwaam en ondernemend zakenman - bij me kwam om raad.
Hij zei: onze zaak is eigenlijk door vader uit een oud familiebedrijf gekocht en ik ben weinig meer dan zetbaas. Vader heeft de zaak groot gemaakt, maar alles is hopeloos verouderd en al mijn pogingen om te moderniseren en bij de eisen van de kopers aan te passen, lopen dood op de koppigheid van papa.
Kunt u me helpen uit het probleem te komen?

Voor ik hem enige goede raad kon geven heb ik gevraagd: kén ik dit verhaal niet? Heb ik het niet eerder gehoord? - In elk geval: de jonge zakenman heeft intussen de zaak van papa gekocht, gemoderniseerd, en alles floreert als nooit tevoren. Hoewel... ook hier zijn de grenzen al in zicht.

Jaren geleden ontmoette ik een broeder van elders, die me raad vroeg. Hij zei: je bent mijn bankier niet en daarom wil ik je oordeel als vriend. Onze zaak heeft een wereldnaam opgebouwd. Maar onze zaak verliest die naam, verliest haar relaties, mist de boot hier en ginds... alleen omdat mijn oude vader de eerste en tweede viool blijft spelen en mij maar een snotneus vindt. Kun je me soms helpen, uit dit probleem te komen?

Hoe het opgelost is kan ik moeilijk vertellen; als het geen bankgeheim zou zijn dan wel een vriendengeheim, en dat publiceert men niet.
Maar alles kwam terecht: vader is opgestapt, zoonlief leidde de zaak naar een nieuw en uniek hoogtepunt en dat was dat.

Maar aan deze zoon werden kinderen geboren. Daaronder een veelbelovende zoon,die als geschapen was om het familiebedrijf over te nemen en op te voeren. U raadt het vervolg al en omdat u er ongelovig tegen glimlacht ga ik het u toch vertellen.

Werkelijk, zoonlief kwam op een goede dag bij me. Ik heette in die dagen een aangevriende oom en dus. "Oom", vroeg hij me, "kunt u me helpen uit een netelig probleem te komen?" - Ik was hem voor en lepelde het probleem zelf op. Hij stond verbaasd! Dus u ziet ook, dat we zo niet kunnen doorgaan?
Dan weet u de oplossing natuurlijk ook!
Die oplossing is wel gevonden, meen ik. Maar elke oplossing is een tijdelijke oplossing, zo lang mensen en zaken verouderen. Alles is "for the time being”, voor zolang de voorraad strekt.

Er is echter uit een oud verhaal.
meer te halen dan een overmoedig lachje of een kwaadaardige grijns.
Er zit enige levenswijsheid in gebakken, die de moeite van het opschrijven waard is.

Wijlen Hendrik Colijn - een boerenzoon, die een ongelooflijke carrière maakte en doctor honoris causa werd - opende als voorzitter eens een conferentie van de Vrije Universiteit. Het was in Haarlem in het jaar 1936. De vergaderingen vonden plaats in het stedelijk Concertgebouwen voor die gelegenheid was ik organist op het (oorspronkelijk van Cavaillé-Coll stammende) orgel; anders zou ik u hier niets van kunnen vertellen.
Colijn hield een openingswoord zoals van hem mocht worden verwacht.
De kerken, de wetenschappers en de politici waren allen verward in de troebelen van de tijd. Een geschreeuw van "dreigende deformatie" enerzijds - tegenover nieuwe geluiden van ds De Graaf, ds Veenhof, dr Vellenhoven en dr Dooyeweerd anderzijds.
Vooral de wijze waarop de schoolmeester A. Janse van Biggekerke de Schrift en de wijsbegeerte aan het kerkvolk wist door te geven, beangstigde de oude garde niet weinig, Aan de andere kant was ook de deftige oude garde niet gelukkig met de wijze, waarop dr H. H. Kuyper en diens wapendrager dr V. Hepp de nieuwe geluiden te keer gingen.

Colijn voelde als de anderen, dat de spanningen ondraaglijk dreigden te worden en rampen over de Vrije Universiteit konden brengen. Toen zei hij in zijn openingswoord ongeveer dit.
Er was een tijd waarin theologen (die het uiteraard met elkaar oneens zijn, als goede geleerden) alleen in het Latijn kibbelden. Dan konden ze op elkaar schelden wat ze wilden en voor het volk leek dat nog wetenschappelijk ook.
Maar vandaag wordt Jan en alleman er in betrokken, wanneer daar onrust heerst in het theologische krachtenveld. Mochten onze theologen dit bedenken, wanneer ze elkaar aan de haren trekken. AI mochten hun meningen zeer oud zijn, daarom behoeven ze nog niet juist te zijn. En het is niet wijs, zijn ruzies in het publiek te brengen.
Ons volk moet rust hebben, terwijl de wetenschap in rust en waardigheid verder werkt.

Aan de andere kant - zo vervolgde Colijn - moeten de jongeren beseffen, dat zij geboren zijn ná de uitvinding van het buskruit en het zwarte naaigaren. De wetenschap is niet bij hen begonnen. Ze mogen verouderde ideeën bestrijden, mogen nieuwe lanceren - maar moeten wel beginnen met de ouderen te respecteren. Die hebben immers behalve hun kennis ook een hele portie levenswijsheid opgedaan, eer ze door jongeren werden lastig gevallen.

Om dit artikel vol te maken zouden natuurlijk nog enkele alinea's kunnen worden toegevoegd. Maar Colijn wist meer dan ik. Hem na te praten, laat staan hem te verbeteren of te commentariëren, zou ongepast kunnen zijn. Geen boerenzoon en geen doctor honoris causa zijnde, doe ik er dus maar het zwijgen toe.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief