De exegese van Rom.11:25-26 (II - 1)
1984-01-27
Wij willen dan nu, zoals toegezegd, de exegese die drs De Jong van de tekst in kwestie geeft nader toetsen. - Jaargang 28
- nummer 4
1. dJ. omschrijft de betekenis van v. 25 aldus: dat "de inbreng van Israël-naar-het-vlees tòch door Gods genade voor de hele duur van de geschiedenis een blijvende zaak zal zijn, "totdat (of: voor zolang als) de volheid der heidenen zal zijn binnengegaan (of: binnengaat)" (vers 25)". (Nr. 35, blz. 2/3.) En even verderop heet het: "Samenvattend kunnen we zeggen, dat het geheimenis dat Paulus meedeelt hieruit bestaat dat Israël-naar-het-vlees voor de duur van heel de geschiedenis zijn steentje mag bijdragen voor de opbouw van de christelijke gemeente en dat ook metterdaad de hele historie door Joden in de naam van Jezus Christus het Koninkrijk Gods zullen binnengaan."
De samengestelde zin waarom het hier gaat, bestaat uit een hoofdzin ("Verharding ligt voor een deel over Israël") en een temporele) bijzin ("totdat de volheid der heidenen zal zijn ingegaan").
a) In de hoofdzin staat nu volgens dJ.: toch zullen er telkens weer Joden zich voegen bij de christelijke gemeente. Dan zou er in deze zin dus sprake zijn van een herhaalde bekeringe-activiteit van Joden die tot 'het uitverkoren overblijfsel' (vgl. v. 5) behoren.
Blijkens de bewoordingen die Paulus kiest, heeft hij het echter over de verhardings-toestand van de zich nièt bekerende 'overigen' (vgl. v. 7).
Als Paulus werkelijk in déze hoofdzin t.a.v. Israël dié positieve, bemoedigende mededeling te doen had die dj. hier zoekt, dan zou hij zich toch niet zo negatief, ontmoedigend hebben uitgedrukt? Om een beeld te gebruiken: wanneer ik in een periode van hevige droogte, waarin het grootste deel van de planten in mijn tuin verschroeit, mijn vrouw wil bemoedigen en haar zeggen: ,,er zullen toch telkens nog wel een paar bloemetjes in bloei raken", acht dJ. het dan denkbaar, dat ik me aldus zou uitdrukken: "verdroogd staat een deel van de planten erbij"?
b) Nu de temporele bijzin. Het valt op, boe dJ. overschakelt naar een heel andere vertaling, nl. van "totdat de volheid der heidenen zal zijn binnengegaan" naar "voor zolang als de volheid der heidenen binnengaat". En hij doet dat bewust.
Immers: volgens zijn zienswijze legt Paulus wat hij in de hoofdzin neerschrijft (d.i. volgens dJ. de toezegging van
bekeringen van Joden tot Christus) vast "voor de hele duur van de geschiedenis".
(Later nog eens: "voor de duur van heel de geschiedenis"; en nog eens: "de hele historie door".) Mag ik er dJ. opmerkzaam op maken, dat 'achrifs) (hou)' en z'n synoniemen 'mechri(s) (hou)' en 'heoos (hou, c.q. hotou)', wanneer ze -zoals hier het geval is met een (prospectieve) 1) coniunctivus aoristi 2) verbonden worden.
In het toekomstige tijdstip vastleggen waarop een handeling zal zijn voltrokken, en nièt de huidige periode gedurende welke een handeling verloopt? Hij mag zelf controleren, dat dit ook voor het NT klopt.
Voor 'achri(s)': Lc. 1 : 20, 21 : 24; 1 Cor. 11 : 26, 15: 253); Gal. 3 : 19; Opb. 2: 25, 7 : 3, 15 : 8, 20: 3,5; voor 'mechri(s)': Me. 13 : 30; Gal. 4: 19; Eph. 4: 13; voor 'heoos': Mt. 2 : 13, 5 : 18 (hijs), 26 (= Lc. 12 : 59), 10: 11 (= Me. 6 : 10), 23; 12: 20, 14: 22, 16: 28 (= Mc. 9: 1 = Lc. 9 : 27), 17: 9, 18 : 30, 34, 22: 44 (= Me. 12: 36 = Lc. 20: 43 = Hd. 2: 35 = Hebr. 1: 13), 23: 39 (= Lc. 13 :35), 24: 34 (= Lc. 21: 32), 26: 36 (= Mc. 14: 32); Me. 6: 10; Lc. 12: 50, 13: 8, 15: 4, 8, 17: 84), 22: 16, 18, 34 (= Joh. 13 : 38), 24: 49; Hd. 23: 12, 14, 21, 25 : 21; 2 Thess. 2: 7; Hebr. 10 : 13 (variant van 1: 13); Jac. 5: 7; 2 Petr. 1: 19; Opb. 6: 11.
Waar daarentegen deze woorden de betekenis hebben 'gedurende de tijd dat', worden re verbonden met de indicativus van het (immers duratieve) praesens of imperiectum. Voor 'achri(s)': Hd. 27 : 33: in de nacht (vgl. v. 27) "gedurende heel de tijd dat de dag nog toefde met aan te breken, was Paulus bezig met al:len ertoe te bewegen wat voedsel te nemen"; Hebr. 3 : 13; voor 'heoos': Mt. 5 : 25; Mc.6 : 45: de discipelen moeten alvast vooruitvaren naar Betsaïda "in de tijd die Jezus nodig heeft om de schare kwijt te worden" 5).
Als we dus nu het geheel van hoofd- en bijzin nog eens in 't oog vatten, dan zegt Paulus: de toestand der gedeeltelijke verharding van Israël duurt tot aan het moment dat de oogst der heidenen binnen zal zijn gehaald; terwijl dJ. er dit van maakt: het proces van incidentele bekeringen onder Israël gaat door al de tijd dat de oogst uit de heidenwereld aan de gang is.
Hij heeft daarmee de termijn die Paulus krachtens Gods openbaring aan Israë1s verharding stelt, weggewerkt.
2. Dat het in de 'totdat' -zin gaat om bet tijdstip van de voltooiing der handeling, blijkt in onze tekst nog ten overvloede uit de wijze waarop Paulus het onderwerp formuleert: "de volheid (Gr, plèrooma) der heidenen". Men ontkomt hier toch moeilijk aan een vergelijking met Lc. 21 : 24 "totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn (Gr, plèroothoosin)", een tekst die ook Nestle, Aland en vele commentatoren aanhalen. Aan de heidenen is dáár voor het vertrappen van de heilige stad, hiér voor het 'binnengaan' een termijn gesteld. 6) Dàt geeft toch ook de klem aan Paulus' waarschuwing aan het adres van de heidenen in v. 25 "om te voorkomen, dat jullie eigenwijs worden". Het is de derde waarschuwing die hier klinkt. "In de mond van drie getuigen zal elke zaak vaststaan" zal Paulus gedacht hebben, vgl. 2 Cor. 13: 1.
Als ze nu niet luisteren, zullen ze "niet gespaard worden" (v. 21, vgl. 2 Cor. 13 : 2).
Eerst heet het in v. 18: kijkt niet smalend neer op de weggebroken Israëltakken. Historisch gezien is Israël toch altijd nog de onderbouw, jullie maar de bovenbouw.
Zonder die wortel Israël zouden jullie, heidentakken, geen levensvatbaarheid hebben.
Dan komt in v. 20 de. tweede waarschuwing: weest niet trots, maar bang; bang door ongeloof Gods genade te verspelen. Jullie, heidenen, kunnen weer weggekapt worden, net zo goed als Israëlieten.
En omgekeerd: Israëlieten kunnen opnieuw geënt worden, nog gemakkelijker dan jullie!
Nu, in v, 25, komt de derde waarschuwing: verbeeldt je maar niets; de verharding over Israël is geen blijvende zaak: ze duurt totdat jullie tijd om is.
Had Paulus in de tweede waarschuwing gezegd: een 'omslag' in de individuele positie t.o.v. het heil is mogelijk, zowel voor heiden als voor Jood, in de derde waarschuwing zegt hij: een 'omslag' in de generale positie t.o.v. het heil is op komst, voor de heidenen en voor Israël.
3. Paulus fixeert, zo zagen we, in v. 25 de aandacht niet op de tijd der heidenen, maar op het einde daarvan, en op wat daarna met Israël zal gebeuren. Nu vindt men in de bovengenoemde 'totdat'-teksten nog weer verschillende nuanceringen. Eén groep verdient in dit verband weI de aandacht, nl. die waar op het gebeuren in de 'totdat' -zin niet alleen het wachten is, maar waar ook het streven op dat gebeuren is gericht.
Ik bedoel gevallen als Gal. 4 : 19; Eph, 4 : 13; 2 Petr. 1 : 19.
lk zou mij kunnen voorstellen, dat iemand deze bijsmaak ook, proeft aan de 'totdat'-zin in Rom. 11 : 25. Dat God over Israël de verharding heeft doen komen is, zo zou men op grond van uitspraken als die in v. 19 (vgl. ook v. 12 en v. 15a) kunnen zeggen, gericht op het ingaan der heidenen.
Intussen kan, ook zó gelezen, in déze uitspraak toch niet het 'geheimenis' bestaan. Dan immers zou Paulus van dit 'mysterie' al in het voorafgaande hebben gesproken, terwijl hij het hier juist nadrukkelijk aankondigt aIs een nieuwe openbaring. Welnu: het nieuwe element in de hier gedane uitspraak is, dat de verharding van Israël maar tijdelijk is. Er blijft dus, ook zo gezien, m.i. niets anders over dan het 'mysterie' te zoeken in v. 26, m.a.w., in wat na' het ingaan der heidenen met Israël zal gebeuren.
4. Daar is nog een tekstgegeven dat de afzonderlijke overweging waard is, nl. het woord 'mysterie'.
Als we nagaan, hoe Paulus deze term hanteert, dan constateren we, dat hij nu eens spreekt over een oudtestamentisch geheimenis,elders over nieuwtestamentische geheimenissen.
Over het eerste handelt hij het veelvuldigst en breedvoerigst. Dat geheimenis is Christus, die onder de oude bedeling wel aanwezig was, maar verborgen; geopenbaard werd Hij pas aan het einde van die bedeling. Hij was een figuur van de oudtestamentische eindtijd.
Het duidelijkst maakt Paulus deze zaak in Ef. 1: 9 en 3: 3, 4, 9 (ook in de nauw verwante brief aan Colosse, 1 : 26 ,27, 2 : 2,4: 3).
Van datzelfde mysterie is ook sprake in Rom. 16 : 25, 1 Cor. 2: 1, 7, 4 : 1 en in 1 Tim. 3 : 9, 16. En eveneens in Ef. 5 : 32, maar daar wordt een bijzonder facet ervan belicht: Paulus ziet In het mensenhuwelijk van Gen. 2 : 24 een 'bedekte' heenwijzing naar Christus' huwelijk met Zijn kerk.
Nieuwtestamentische geheimenissen - voorzover Paulus die althans ons bekend maakt 7), en dat "met een woord van den Hoor", 1 Thess. 4 : 15, dus blijkbaar op grond van een speciale bekendmaking van Christuswege - zijn er drie, resp. genoemd in 1 Cor. 15 : 51 (vgl. 1 Thess. 4 : 15), in 2 Thess. 2 : 7, en hier in Rom. 11 : 25.
Van deze drie hebben twee een evident eindtijdelijk karakter. In 2 Thess. 2 : 7 is sprake van den antichrist, die nu al wel aan het werk is (zoals Christus dat reeds was onder het Oude Testament), maar zich pas aan het eind der dagen zal openbaren, waarop Jezus zelf zal verschijnen en hem machteloos zal maken. En in 1 Cor. 15: 51 maakt Paulus bekend, wat er bij Christus' wederkomst zal gebeuren met de gelovigen die dan nog in lieven zijn. Hij doet dat met enige nadruk, hij vraagt aandacht: "Let op, een geheim ga ik u zeggen".
Een soortgelijke nadrukkelijkheid treft ons ook hier in Rom. 11 : 25: "Ik wil, dat U weet hebt van dit geheim".
De omstandigheid nu, dat Paulus het woord 'geheim' elders voor een eindtijdelijk gebeuren schijnt te reserveren, pleit er m.i. voor het ook hier zo te duiden 8), geheel in overeenstemming met de overige tekstgegevens. 8a).
1) Stelt de spreker zich retrospectief op, d.w.z. kijkt hij terug naar een termijn die inmiddels Is verstreken. dan vindt, men de Indicativus aoristi. Voor 'achri(s)' Mt. 24 : 38 (= Lc. 17: 27); Hd. 1 : 2. 7 : 18; voor 'heoos' Mt. 1 : 25, 2 : 9, 13: 33 (= Lc. 13: 21). 24: 39; Joh. 9 : 18; Hd. 21 : 26 (In dit laatste geval wordt de handeling beschouwd vanuit het standpunt van Lucas, die er achter staat, niet vanuit dat van Paulus die er op het verhaalde moment nog vóór staat).
2) Ter afwisseling van de coni. aor. vindt men sporadisch de ind.fut. (begrijpelijk: het gaat om een futuraal aspect): Opb. 17 : 17; en verder uitsluitend bij 'erchomal' de Ind, van het praesene, dat bij dit verbum niet zelden een futurale gevoelswaarde heeft (vgl. Kühner-Oerth, 1, 139 sub 6); Joh. 21 : 22, 23; 1 Tim. 4 : 13.
3) De gebeurtenis na de in v. 25 genoemde termijn volgt in v. 28 (na de wederopname van 25b met de woorden "en wanneer alles Hem onderworpen zal zijn") ingeleid door 'tote' (= 'dan').
juist zoals die in Rom. 11 : 26 wordt ingeleid door 'houtoos".
4) Hier wordt de gebeurtenis na de genoemde termijn ingeleid door 'kal meta tauta' (= 'en nadien'); 'Vgl. de vorige noot, en ook de In het eerste artikel genoemde plaats uit Aristoteles, Poet, 1455b 1.
5) Hier Is dus door Marcus een ander aspect gekozen dan door Mt. in 14 : 22. die de aandacht richt op het moment waarop Jezus de schare zal zijn kwijtgeraakt. Zie overigens de varianten in diverse handschriften.
6) Op deze plaats hopen we straks terug te komen.
7) Hij kent nl. ook geheimenissen die geheim blijven, over de inhoud waarvan we dus verder niet zijn geïnformeerd: 1 Cor. 13 : 2, 14 : 2.
8) Ook dit argument heb ik reeds op de bewuste Opbouw-vergadartng; in '71 naar voren gebracht.
8a) In reactie op de vraag in noot 2 onder mijn eerste artikel (1,) kreeg ik van br. Venderbos uit Petten een copie toegestuurd van het Calv. Jongelingsblad van 25 mei 1951 (6de jrg. nr. 7). waarvoor ik hem ook vanaf deze plaats hartelijk dank.
Verder slopen er in mijn tweede artikel (I2) enkele storende routen: noot 9 r. 6 ‘verwerkte' i.p.v, 'verwekte'; blz. 19 kol. 1 even voor het midden 'gehouden wordt aan de termijn' i.p.v. 'gebonden .. .'; even beneden het mldden 'chiasma' i.p.v, 'chiasme'.