Monocultuur en monorail
1984-01-27
De vorige keer heb ik een poging gedaan om, in een eerste reaktie op de artikelen van ds Van den Berg over de ambten, het historisch gewordene meer recht te laten wedervaren naast de resultaten van bijbelstudie.- Jaargang 28
- nummer 4
Bewust heb ik de uitdrukking 'het historisch gewordene' gehanteerd omdat je in de bezinning op de ambten niet alleen met het dogma en de confessie te maken hebt, maar ook met bijv: een kerkorde. De stroom van de gereformeerde traditie is wat breder dan de confessie, het één is belangrijker dan het andere en heeft ook meer invloed.
Een formulier wordt nu eenmaal vaker (voor) gelezen, dan een kerkorde of een akkoord van kerkelijk samenleven en zal in zijn effect op de gemeente waarschijnlijk een veel belangrijker plaats innemen.
Zonder dat je het historisch gewordene boven de Schrift plaatst kun je er wel een zeker gezag aan toekennen, m.n. aan de confessie, al is het alleen maar omdat daarin een geweldige hoeveelheid aan exegetische
gegevens is verwoord. 1)
Samen met alle heiligen
Ik vond het erg treffend, dat Augustinus in het godsdienstgesprek van Carthago in 411 de mensen uit de traditie vóór hem aanhaalt als waren het tijdgenoten.
Als God een God van Levenden wordt genoemd in de Schrift is dit nog niet eens zo'n gekke gedachte, Het heeft dit voordeel, dat hetgeen zij te zeggen hebben niet direkt van gisteren is, maar- ook vandaag gehoord mag worden.
Zij zijn mensen (geweest), die een poging hebben gedaan om in de eigen situatie bet Woord van God te verstaan, om er uit te leven en het leven daarnaar te ordenen. In dit licht krijgt het woord van de apostel Paulus in Ef. 3 : 18 v. niet alleen betekenis voor mijn omgang met geloofsgenoten vandaag, maar ook voor die met hen, die vóór ons zijn geweest. Per slot zijn we niet de eerste generatie die de Schrift heeft ontvangen. Samen met alle heiligen is in gemeenschap met de kerk van alle tijden en alle plaatsen.
En dan vraag ik me af, of helt heel erg is dat je een bestaande situatie, bijv. van bet feit dat een predikant als enige bevoogd is de sacramenten te bedienen, niet direkt kunt terug lezen in het N.T.
Ik denk, dat je dat ook niet moet doen. Niet in argumenten pro, maar ook niet in argumenten contra.
Het feit dat je de weg niet terug kunt gaan, dat je iets niet terug kunt lezen in het N.T., berekent dat dan ook dat men de weg niet heen is gegaan? Heeft men in het verleden niet heen gelezen, om in de situatie waarin men stond antwoorden te zoeken uit de schrift op de problemen die er waren Schriftuurlijke antwoorden.
Maar dat betekent tegelijk, dat de argumenten van toen om dát en dat uit de Schrift te lezen, gewogen moeten worden. Dan kan het zijn, dat aan bepaalde zaken gewichtige argumenten ten grondslag liggen.
Het Nieuwe Testament.
Evangelie verkondigen
De eerste maal, dat dit gemeld wordt in het N.T., tenminste naar het woord waar ds Van den Berg op doelt, is bij de boodschap van de geboorte van de Here Jezus, Het gebeurt allereerst dooreen engel, die grote blijdschap verkondigt voor heel het volle "u is heden de Heiland geboren, namelijk Christus de Here, in de stad van David ... " Luc, 2, 11.
Heel duidelijk staat hier de inhoud van die verkondiging centraal, en niet zozeer wie het verkondigt. De verkondiger, hoe belangrijk en imposant hij ook is, treedt terug ten belhoeve van de inhoud.
Het woord 'verkondigen' dat hier gebruikt wordt, wijst terug op een woord van Jesaja: "Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aankondigt, die goede boodschap brengt, die tot Sion spreekt: uw God is Koning", Jes. 52 : 7. Ook hier gaat het m.i. om de inhoud van de verkondiging, die bijna een aanloop nodig hooft in de woorden vrede en heil, om dan alles te zeggen in: uw God is Koning.
Door de voeten van de evangelist wordt het goede nieuws aangedragen, zodat de verkondiging van de evangelist doet horen: uw God is Koning.
Dat is de centrale inhoud van de verkondiging, en omdat het om die inhoud gaat in heel de verkondiging, treedt de verkondiger terug achter die inhoud.
Hetzelfde gebeurt in heit boek Handelingen, Geen wonder dat in die teksten die ds Van den Berg noemt een verschil 'ambtelijk’ / ‘niet ambtelijk' buiten het gezichtsveld blijft.
Wel is mij opgevallen, dat in de door ds Van den Berg genoemde teksten (Hand. 5 : 42, 8 : 25, 35 en 40, 11 : 20) er telkens nog een ander woord bij staat, dat de handeling van de verkondiging aangeeft: het spreken van bet woord, Ieren, getuigen, etc.
Het zou een aanwijzing kunnen zijn, voor de gedachte dat het woord 'verkondigen' inderdaad met name bepaald is door zijn inhoud, en dat daardoor de vraag wie verkondigt buiten het gezichtsveld blijft.
De Zeven
In Hand. 6 wordt gesproken over die aanstelling van de zeven. Vanouds de plaats van waaruit bet diakenambt wordt gefundeerd.
Iemand heeft dit eens genoemd een voorstadium van het ambt binnen de gemeente, zoals dat later is onderscheiden in dat van ouderling en diaken. In Hand. 6 staat het ambt, in zijn totaliteit, nog in de knop. In vers 7 valt op, dat Lucas schrijft: " .. en een talrijke schare priesters gaf gehoor aan het geloof".
Het staat in een vers dat aangeeft, dat de gemeente (weer) op de goede weg zit. De Here geeft een bevestiging daarvan in de effecten die worden genoemd in vers 7.
Misschien dat dit vers moor zicht kan geven op de betekenis van die zeven en hun posities in de gemeente van Jeruzalem.
Prof. Versteeg wijst erop, dat het niet onwaarschijnlijk is, dat er in Hand. 6 meer aan de orde was, dan het onderbedeeld zijn van de één in vergelijking met de ander.
"De vraag van het al of niet volwaardig lid zijn van de gemeente was aan de orde (. .. ). Voor zover de problemen een diaconaal aspect hadden - en dat hadden ze zeker - was dit aspect ondergeschikt aan het pastorale aspect van de problemen" 2).
Wellicht dat van hieruit in vers 7 ook aan méér dan alleen het diaconale aspect gedacht kan worden.
Hoewel de priesters daar vanouds zeker mee te maken hadden, want in die dienst van de barmhartigheid nam onder de oude bedeling, het heiligdom een belangrijke plaats in.
De priesters waren, voor zover ik weet, ook belast met het onderricht in de Wet. Zij vormden het bindweefsel in het volk Israël; zoals dat door de Here gegroepeerd was rond Zijn dienst, als Zijn volk.
Misschien dat de priesters dit ook hebben gezien en herkend, nu de zeven zijn aangesteld en de gemeente als een geheel gegroepeerd is rond de dienst des Woords, ook in de bediening van de tafels (vss. 2,4,7).
Mogelijk hebben zij in de dienst van de zeven in de christelijke gemeente de vervulling gezien van hun eigen leven en dienst als priester in Israël.
Zo niet dan blijft het opvallend, dat Lucas, in dit positieve commentaar o,p de gebeurtenissen van de 'eerste zes verzen de schijnwerper richt op bet feit dat een talrijke schare priesters gehoorzaam werd aan het geloof.
Een differentiatie in het ambt van ouderling en diaken (vgl. Fil. 1 : 1) heeft blijkbaar later plaats gevonden, waarbij de aard van het werk zo verschillend is geweest, dat op den duur een onderscheiden invalshoek werd gevraagd, zonder dat er sprake zou zijn van meer en minder. Hoewel de oudsten blijkbaar, doordat zij meer met de leiding en het beleid te maken hebben gehad, meer op de voorgrond zijn getreden, (Hand. 15 : 2 en 20 : 17).
De oudsten en de prediking
Het valt inderdaad niet mee om uit Ef. 4: 11 en 1 Tim. 5: 17 af te leiden, dat er een onderscheid is tussen predikanten en ouderlingen, waarbij de eersten exclusief herders en leraars zouden zijn. Ook is het de vraag of 'de herders en leraars' noodzakelijk op die ouderlingen moet slaan. Zo gemakkelijk is de uitleg van dit vers nog niet, zeker niet als het in relatie wordt gebracht met Rom. 12 en 1 Cor. 12.
Het is overigens ook de vraag of de werkzaamheden van de ambten zo exclusief zijn geweest. Hadden niet allen de opdracht om 'oog voor elkaar' te hebben.
In Hebr. 3 : 12 bijv. wordt de gemeente opgewekt om elkaar te vermanen om erbij te blijven.
Het is geen andere zorg in de dienst van de ambten, omdat het uiteindelijk gaat om de troost en vermaning van Christus. Hij is immers de inhoud van het evangelie.
Dat er toch mensen met een bijzondere dienst zijn in de gemeente, en daarvoor aangesteld zijn hooft te maken met het feit dat Christus hen heeft gegeven (is dat het hebr, nathan le = aanstellen?) om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon.
Of, om de kudde te weiden, en toe te zien op de kudde, zoals Paulus zegt, of, zoals in de brief aan de Hebr. staat: te waken over de zielen.
Ook al kun je uit 1 Tim. 5: 17 (nog) geen onderscheid halen tussen gewone oudsten en hen die m.n. belast zijn met de prediking, en daar ligt inderdaad de nadruk op het arbeiden, toch is het opvallend dat in Hebr. 13: 7-9 gesproken wordt van 'voorgangers, die het woord Gods tot u hebben gesproken"
Laat de betekenis hiervan niet direkt duidelijk zijn, zonder betekenis zal dit toch niet zijn, vooral niet in vergelijking met vers 17.
Waren er toen misschien toch al onder de oudsten, die zich in het bijzonder toelegden op het spreken van het woord Gods?
De leer
Voor een andere lijn in het N.T. zou ik in dit verband aandacht willen vragen, dat is die van de leer. Telkens blijkt in bet N.T. hoe belangrijk de leer is.
Tegenover die gezonde leer; is het 'hetero-didachein', het brengen van een andere leer, een gevaar, omdat het de gemeente afbrengt van haar Heer, en daarmee de verlossing op bet spel zet, De uitdrukking 'de leer' is misschien niet bij iedereen even sympathiek, maar het betekent toch niets anders dan uitleenzetting en ontvouwing van de betekenis van biet evangelie van de Here Jezus Christus. Terecht schrijft ds Van den Berg in zijn boek t.a.v, 1 Tim. 1 : 3: "Er zijn in Efese n.l. mensen die de gemeente schaden. Het zijn blijkbaar gemeenteleden, die zich niet aan de leer van Paulus houden, maar een andere leer brengen. En daar moet Timotheüs een stokje voor steken.
Hij moet ervoor zorgen dat die andere leer green vat krijgt op de gemeente, en dat die mensen hun ideeën niet langer verspreiden" 3).
Misschien dat juist de strijd tegen de 'andere leer' de verdere ontwikkeling van de (gestalte van de) ambten heeft bepaald, Ik wil dat als een vraag onder uw aandacht brengen.
Want van hoeveel belang het is, dat de gemeente het haar gebrachte evangelie vasthoudt, zoals ze het ontvangen heeft in de verkondiging van de heilsfeiten, blijkt o.a. uit 1 Cor. 15: 2. Paulus zegt daar ook dat de gemeente door dat evangelie behouden wondt, als ze het vasthoudt zoals het haar door Paulus is verkondigd.
Dit waren een aantal overwegingen n.a.v. nieuwtestamentische schriftplaatsen.
Een volgende koor wil ik proberen nog het een en ander te zeggen over de historische ontwikkeling.
1) B. J. Oostenhoff, De vrijheid van de exegese. pag. 20.
2) J. P. Versteeg, Nieuwtestamentisch profiel van de ouderling, In: Uit liefde tot Christus en zijn gemeente, pag. 20.
3) M. R. van den Berg, De eerste brief aan Timotheüs, a.w.