Leven in negentienvierentachtig

1984-01-27
  • Jaargang 28
  • nummer 4
Ik vermaakte mezelf met het uitdenken van een twee-gesprek tussen Karl Marx en Sigmund Freud over de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog.

Koestler, Dialogue with Death, 115.

Alyosha keek naar de zon, en zag er gelukkig uit, een glimlach om zijn lippen. Wat voor reden had hij om gelukkig te zijn ... ?

Solsenitsyn, Een Dag in het Leven van Ivan Denisovitsj.

Jezelf zijn
In veel van de boeken die ik over bet gevangenisleven las blijkt een stuk ontregeld-zijn, maar ook gewenning.
Gewenning aan de dagelijkse sleur in het werkkamp, het leren leven met een straf die vele jaren zal duren. Aanpassing aan de omstandigheden van de natuur, het werk waaraan je niet gewend bent, de andere gezagsverhoudingen in het kamp, etc. Waarbij we het dan wel hebben over een werkkamp en niet over een vernietigingskamp.
Veel moeilijker echter blijkt het om in die nieuwe omgeving je eigen identiteit te behouden. Om niet door het besef van zoveel jaren in dezelfde omgeving te moeten verkeren te wonden afgestompt. Om niet heel geleidelijk je maatstaven zo te verleggen dat er misschien meer "overlevingskans" is, maar tegelijkertijd met meer zichtbaar is en waarom je eigenlijk in dat kamp bent terechtgekomen.
Hoe belangrijk blijkt dan kameraadschap.
Gewoon, met een ander iets kunnen uitwisselen. Met een ander "op één golflengte zitten", uit één woord of één gebaar van een ander moed en hoop halen om de dag door te komen.

Alleen zijn
Maar in een isoleercel kan dat natuurlijk niet. Wat doe je dan om jezelf te zijn, om continuïteit te ervaren tussen wie je was en wie je nu aan het worden bent?
Roebasjow in Nacht in de Middag is druk in de weer met zijn bekentenis te formuleren. Bij bepaalde gelegenheden is hij druk in de weer om zijn buren in isoleercellen berichten door te tikken in morse.
Als een vroegere kameraad ter executie wordt geleid meldt Roebasjow niet alleen diens naam, maar ook zijn revolutionaire staat van dienst en zijn onderscheidingen.
Hij registreert zijn eigen reacties op zijn gevangenschap, b.v. de kiespijn die hij altijd voedt, als hij onder druk staat. Hij analyseert de motieven van zijn ondervragers.
Hij moet psychisch "intact blijven".

De wereld van de geest
Datzelfde geldt voor schrijver Arthur Koestier zelf. Zijn ervaringen in de Spaanse Burgeroorlog (in de dertiger jaren) zijn de inhoud van zijn autobiografische werk Dialogue with Death (Dialoog met de dood; bij mijn weten nooit in het Nederlands vertaald), Hij wordt als buitenlandse "spion" opgepakt en zit enige tijd gevangen.
Executies vormen het decor van zijn strijd om te overleven; tientallen van zijn vroegere strijdmakkers worden gevangengenomen en zonder pardon tegen de muur gezet.
Om zijn mentale evenwicht te bewaren gaat Koestler allerlei "spelletjes" en oefeningen doen. Met name zijn eigen breinwerking gaat hem zeer interesseren. We leren uitspraken als "Ik geloof dat er een bijna mathematische relatie bestaat: naarmate men de dood naderkomt, in precies diezelfde mate groeit het geloof dat dit het einde niet kan zijn." (47) Hij beproeft zijn geheugen: de preciese tekst van gedichten, het exacte verloop van de Ilias van Homerus; wat hij over Franse literatuur beeft moeten leren. Als Jood (zij het een geseculariseerde Jood met marxistische neigingen) wil hij de hele Bijbelse geschiedenis memoriseren. Hij lost wiskundige problemen op, die hij zich eerst gesteld heeft. En bij zijn zelf-analyse wanhoopt hij soms ook aan Ziohzelf: "Alle pogingen om ordelijk te denken deden me lijfelijk pijn; ik had het gevoel dat alle centra van mijn brein waar associaties liggen opgeslagen ontsproten waren." (111) Hij beschrijft de drang om elke vlieg die hij in zijn cel tegenkomt dood te slaan; hij ervaart dat als een vorm van razernij, verwant aan godsdienstwaanzin.
Hij probeert dat machtige brein (hij was mijns inziens een van de meest ontwikkelde mensen van onze eeuw) tegen instorting te beschermen. Zo komt hij ook op het citaat bovenaan dit artikel.
Marx en Freud, zijn twee "helden", worden in zijn brein tot meester-denkers die argumenteren en discussiëren; en alle rollen en meningen worden eerst door hem bedacht.
Koestier creëert een eigen wereld, die van de geest. Een wereld waarin hij vrij kan zijn, waarin hij waarlijk mèns kan zijn. Hij put uit zijn eigen denken, om toch vooral onafhankelijk te blijven. Hij vreest de geestelijke onderworpenheid.
Koestler behoudt zijn mentale evenwicht en wordt later ook vrijgelaten.
Wie weet, was hij ons tot steun geweest, als wij bij hem opgesloten hadden gezeten, wie zal het zeggen.
Toch is het een wereld zonder God waarin hij zich terugtrekt.
Een wereld van de geest, met een kleine letter, en niet een wereld van de Geest met een hoofdletter.

De wereld van de Geest
In een aantal romans wordt ons echter ook een beeld getekend van andere gevangenen. Vaak helemaal geen briljante intellectuelen, veeleer zeer gewone mensen. Maar toch mensen die zich ook kunnen "terugtrekken". Die periodiek de barre wereld van de gevangenis of het kamp "verlaten" om met God te communiceren. Die steeds verfrist worden uit een bron, die uiteindelijk niet in ben zelf zit. Je merkt iets van de werkelijkheid van Christus' Woord: "Het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven" (Johannes 4 vers 14).
Ik laat voorbeelden uit boeken van Corrie ten Boom, ds Wurmbrandt en anderen even rusten (een aantal van die "christelijke boeken" zal de lezers vrij bekend zijn, vermoed ik) en citeer Solsenitsyn.
Solsenitsyns roman Een Dag in het leven van Ivan Denisovitsj vertelt de lotgevallen van de hoofdpersoon van ochtend tot avond.
Een niet te slechte dag, een doorsnee dag .Een van de 3653 dagen die Ivan moet doormaken. Allerlei kampgenoten worden ten tonele gevoerd. De moedigen en de miezers, de hoogstaanden en de verruwden, de nog niet gebroken nieuwkomers en de (letterlijk) doorgewinterde gedetineerden, die weten dat je ten koste van alles nooit mag opvallen. Een doorsnee van de miljoenen gevangenen die in de Siberische taiga te vinden zijn.
Voor Ivan zijn er momenten die het gewone leven "overstijgen".
Vooral is dat het geval, als hij iets kan roken. Of als bij van een voedselpakket van een buurman iets ontvangt. En zo vergaat het de meesten. De enige vervoering die het leven nog kent is van materiële aard: voedsel.

Alyosha
Maar één is er die opmerkelijk ànders is. Dat is zijn buurman Aloysha, een Baptist. In het vrij korte venhaal (in de engelse editie is het een boek: van 143 pagina's) komt Alyosha een aantal keren ter sprake. Ik citeer ze nagenoeg allemaal.
Het is het beeld van iemand die "prijsgegeven" leeft, die zijn hele bestaan heeft ingezet op het feit dat God er is. Dat hij geen vernuftig gevonden verdichtsels navolgt (2 Petrus 1 vers 16), maar dat het wáár is wat hij gelooft.
"Alyosha, Zhoekovs schone en nette buurman, lag in een aantekenschrift te lezen. Daarin had hij de helft van het Nieuwe Testament overgeschreven." (24 van Engelse editie, vertaling PJvK). Alyosha de Baptist lag het Testament zó te lezen dat het net hoorbaar was, misschien speciaal voor (Ivan D.) Zhoekow bestemd - die kIerels waren tuk op het maken van bekeerlingen." (25) "Alyosha die naast Zhoekow stond, keek naar de zon, een glimlach om de lippen.
Wat voor reden trad hij om gelukkig te zijn? Zijn wangen waren ingevallen, hij leefde strikt van zijn rantsoen, en er iets bijverdienen deed hij niet. Hij bracht al zijn zondagen door met het kwekken met andere Baptisten. Ze lieten de ontberingen van het kamp van zich afglijden, zoals water afglijdt van een eenderug." (39, 40).
"Alyosha zat stil, zijn gezicht in zijn handen begraven. In gebed" (45) "Alyosha was een rustige knaap, ieder kon hem opdrachten geven . . . Alyosha glimlachte zachtmoedig: "Als we sneller moeten werken, laten we dat dan maar doen. Net zoals je zegt." En hij zeulde verder om de nieuwe lading te gaan halen, Wat een aanwinst is een zachtmoedige man in een groep." (83) "Je kon bouwen op Alyosha. Hij deed wat er maar van hem gevraagd werd. Als iedereen zo was, zou Zhoekow net zo hebben gedaan. Ais iemand je vraagt hem te helpen, waarom dan niet? Die Baptisten hadden toch iets speciaals." (88, 89) ,,(Myosha) lag weer zijn Bijbel te lezen." (137) Bijna aan het einde van het boek gekomen, lezen we een discussie over het nut van bidden en hoe je dat moet doen. Het laatste woord in dat gesprek is dan: "Zie je, Alyosha, op de een of andere manier is het voor jou O.K. om hier te zitten. Jezus Christus wilde dat jij in de gevangenis zou zitten en daar rit je dan. Je zit hier vanwege Hem. Maar waarom zit Ik hier? ... " (140)

De Here is nabij (Fil. 4 : 5)
Het is een aantrekkelijk portret dat we hier van Alyosha krijgen.
Opmerkelijk ook om te zien hoe de Bijbel zijn dagelijkse leesstof is. Hij gaat zich volzuigen met Bijbelkennis. En het werkt .. : Dezelfde verhalen van moed - van het scheppen van nieuwe omstandigheden in een situatie vol duisternis - treffen we aan bij gelovigen in Ohina (Momma Kwong en anderen), bij gelovigen in Roemenië, Bulgarije, de Sowjet Unie, Nazi-Duitsland, enzovoort. En ik geloof erin!
Hetzelfde besef - dat de Here nabij is - heeft velen een moed gegeven waarvan ze het bestaan zelf niet vermoedden. "Zij zijn gestenigd, op zware proef gesteld, doormidden gezaagd, met he zwaard vermoord; zij hebben rondgezworven in schapenvachten en geitenvellen, onder ontbering, verdrukking, mishandeling... " Zo lezen we in de Hebreeënbrief over de gelovigen van het Oude Testament.
In het Nieuwe Testament is het niet anders geweest: Velen hebben pijniging en marteling aan den lijve ervaren. Anderen zijn psychisch "aangerand". Tot de dag van vandaag toe hebben mensen, "met zo'n wolk van getuigen rondom" hen, "met volharding de wedloop gelopen die vóór ons ligt." Ze zijn achter Jezus aangegaan, "de leidsman en voleinder des geloofs, die, om de vreugde die vóór Hem lag, het kruis op zich genomen heef1t, de schande niet achtende." (Hebreeën 11 : 37; 12 : 1, 2). "We lezen in die brief dat ook wij "alle last en zonde" moeten afleggen (12: 1), dat ook wij niet "door matheid van ziel" mogen verslappen (12 : 3).

"Maar ik ben nergens bang voor"
Deze serie van vier artikelen wil niet spreken van uiteindelijke onderwerping, maar van overwinning - in de naam van Hem die ons is voorgegaan. Ter afsluiting een passage uit Solsenitsyns Goelag Archipel 1, (115). Een oud vrouwtje is opgepakt. Ze heeft een Russisch-orthodoxe metropoliet, een hoogwaardigheidsbekleder, die voortvluchtig is, geherbergd en verder geholpen: "De ex-metropoliet die uit zijn ballingsoord is weggevlucht." - "Nee, geen ex-metropoliet, hij is het nog stééds. Ja, dat klopt: het was mij een eer hem te mogen ontvangen."
- "Goed dan. Maar naar wie is hij uit Moskou verder gereisd?" - "lk weet het wèl, maar ik zeg het niet!" ...
De officier-commissarissen losten elkaar af en kwamen in groepen bijeen, zwaaiden met hun vuisten voor het gezicht van "dat oude wijf"; maar zij zei tegen ben: "U bereikt toch niets bij mij, al snijdt u mij in repen. U bent immers bang voor uw chefs, u bent bang voor elkaar, u bent er zelfs bang voor mij te doden. (Dan zullen ze die contactadressen niet te pakken krijgen.) Maar ik ben nergens bang voor! AI stuurt u mij nu metéén naar God om rekenschap af te leggen!"
We weten niet of ze het er levend van heeft afgebracht, Maar ze zal niet zijn doorgeslagen! "Voorts, wees krachtig in de Here en in de sterkte zijner macht. Doe de wapenrusting Gods aan om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels ... " (Efeziërs 6 vers 10 en 11).
Misschien is zij maar een een van de velen die heeft volgehouden.
Het oordeel van Solsenitsyn (G.A. I, 42): "In die decennia (bedoeld zijn de twintiger en dertiger jaren, PJvK) hebben de vrouwen steeds van groter standvastigheid in het geloof blijk gegeven."

Conclusie
En de conclusie is: het kàn dus!
Als je opgepakt wordt, is standhouden mógelijk! Als de Here ons de kracht en de genade ertoe geeft.
Hoe zouden we die dan krijgen, als weer nu al niet om vragen ... ? In alle discussie over intimidatie door eigen lijden of lijden van familie, de vrees ons onderscheidingsvermogen te verliezen en wat als niet, moeten we één ding onthouden: "En toch staat ongeschokt hbet hechte fundament Gods met dit merk: de Here kent de zijnen." (2 Timotheüs 2 vers 19).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief