De weg naar Nicea
1985-01-11
Historici zullen ieder vanuit hun eigen visie altijd blijven discussiëren over de vraag of keizer Constantijn nu wel of niet een visioen heeft gehad. waardoor hij de voorvechter van het christelijk geloof werd. Runciman.- Jaargang 29
- nummer 2
De Goddelijke Keizers, p. ll.
Met keizer Constantijn, maar in feite reeds lang voorbereid, begint een nieuwe fase in de geschiedenis ...
Zusters Benedictinessen Bonheiden.
De Heilige Athanasius, p. 25.
Zonder angst
Op 25 juli 325 gaf de Keizer in, Nicea een banket ter gelegenheid van zijn Väcennalia, het 20-
jarig jubileum van zijn troonsbestijging.
In zijn Leven van Constantijn geeft de vroege kerkhistoricus Eusebius, die, erbij was, een levendig verslag van het gebeuren. Met name spreekt hij over het vreemde gevoel dat menig bisschop bekroop, toen ze op weg naar de banketzaal een erewacht van gardesoldaten moesten passeren. Nu konden zij "het glimmen der wapenen" zien zonder vrees die hen vroeger hierbij bekroop. 1)
1) ontleend aan Buro, The Council of Nicaea";London, 1925, p. 52.
Het moet een vreemde gewaarwording geweest zijn, een keizer die 'n concilie bijeenroept, die in purper gekleed op 20 mei 325 de 'Openingverricht. Die pas ging zitten, toen de voorzitter van de synode hem daartoe had uitgenodigd. Die een der hunnen leek. Een aantal bisschoppen heeft het haast niet kunnen bevatten. In dat verband las ik de verzuchting, geciteerd uit Psalm 126, in de Canisiusvertaling: Toen de Heer een keer bracht in de ballingschap van Sion, was het ons als droomden wij.
Diocletianus
Toch was er, zoals ook al in het citaat bovenaan het verhaal wordt gezegd, heel wat aan dit alles voorafgegaan. Die voorbereiding betreft zowel het leven en de loopbaan van Constantijn als ook de ontwikkelingen in het hele Romeinse Rijk. Zoals steeds is weer de vraag: hoever moet je in de tijd teruggaan om dat enigszins duidelijk te maken?
Het lijkt me zelf goed toe om bij de regering van Constantijns grote voorganger Diocletianus te beginnen. Van deze wordt gezegd 2), dat men hem, net als Augustus, kan beschouwen als de stichter van een nieuw rijk.We spreken dan over de periode 284-305.
2) Gibbon, DecIine and FaII of the Roman Empire, London, 1979, p. 91
Dat had lang niet iedereen van die Diocletianus verwacht. Zijn regering heet groots, maar zijn I start was uiterst gewoontjes. Zijn ouders waren in het huis van een Romeinse senator slaven geweest.
Zijn vader had het echter tot schrijver weten te brengen, was kennelijk iets op de maatschappelijke ladder opgeklommen en had zich kunnen vrijkopen. Zoon Diocletianus was voorbestemd tot een grootser: carrière. Dat hadden orakels gezegd, geheimspreuken die je levenslot aankondigden (als je erin geloofde). Dat had de man zelf ook gevoeld: hij was iets bijzonders. En dat had hij waargemaakt.
Met zijn ene naam, die zijn herkomst aangaf (een klein dorpje in Dalmatië, het tegenwoordige Joegoslavië), in plaats van de meerdere namen die een aanzienlijk Romein door het leven droeg, was hij opgeklommen.
Een soort Napoleon van 16 eeuwen eerder: bestuurder van het gewest Maesië, consul (een van de meerdere), hoofd van de paleiswacht.
En toen hij eenmaal via een militaire carrière aanzien had gekregen, kwam daar regelrechte roem bij. Hij gedroeg zich zeer goed in een van de vele oorlogen met de Perzen (op het Romeinse Oostfront, waar altijd oorlog broeide of uitgebroken was) en werd de meest geschikte man voor de vacante troon gevonden.
Daar had hij zich een goed bestuurder getoond: verstandig, gematigd, zakelijk, vasthoudend.
De 18e eeuwse historicus Gibbon, die een gezaghebbend werk over het Romeinse Keizerrijk schreef en aan wie ik deze dingen ontleen, suggereert nog een talent. Diocletianus kon erg eerlijk en recht door zee lijken en ondertussen toch met je een spelletje spelen. Misschien een van de weinige talenten om in de grond te stoppen, maar Diocletianus kwam er ver mee. Overigens: hij wist ook evenwichtig te zijn; hij wist wanneer zuinig te zijn en wanneer gul, wanneer streng en wanneer mild.
Landje verdelen
Maar hij deed méér. Hij vond dat het Rijk veel te groot was dan dat het effectief door één man kon worden bestuurd. En dus voerde hij bestuurlijke hervormingen in: het hele Rijk werd in 12 zgn. "diocesen" verdeeld, bestuurlijke eenheden, die later door de Kerk als struktuur werden overgenomen. Toen ging een "diocees" een bisdom betekenen.
En hij bood de helft van zijn rijk aan een ander aan: aan zijn strijdmakker Maximianus. Dat was een dapper militair, aan Diocletianus zeer trouw, maar verder niet zijn gelijke als mens.
Hij was behoorlijk onbehouwen - hij kwam uit een zeer weinig culturele achtergrond, maar dat gold ook voor Diocletianus, die een beschermer van de kunsten was - hooghartig en bij tijd en wijle erg onstuimig van karakter.
Maar zoals gezegd, hij was aan Diocletianus verknocht en werd er ruim voor beloond. Want de opperkeizer (zo mag je hem, dunkt me, wel noemen) verdeelde het Rijk. Hij ging in het Oosten wonen en maakte de stad Nikomedia (in -het tegenwoordige Turkije) tot zijn residentie.
Toen er nog twee onder-keizers bijkwamen, Constantinus en Galerius, kregen die elk ook een stuk. Beiden kregen ze lastige, weerbarstige grensprovincies, waar geregeld tegen binnenvallende vijanden moest worden gestreden. Zo kwam er dus een splitsing van het Rijk - voorlopig puur administratief, maar later van wezenlijk belang, tot in de kerkgeschiedenis toe. Diocletianus en Maximianus, de twee hoofdkeizers. kregen de titel "Augustus". Eerstgenoemde nam bezit van het Griekssprekende Oosten: Egypte, Thracië (Noord-Griekenland) en de rijke provincies van Klein-Azië (het tegenwoordige Turkije). De ander zetelde in Milaan en regeerde over Italië en Noord-Afrika. De twee onderkeizers, die de titel "Caesar" kregen, waren resp. baas over Gallië, Spanje en' Britannië, (residentie Lyon in Frankrijk) en de streek rond de Donau (residentie Triër).
Vervolging
Het geheel Iéék hecht en wàs hecht! Zolang het duurde. Want het veronderstelde een hoge mate van eenheid en van onderlinge loyaliteit. En die was er ook, merkwaardig genoeg. Een zeldzaam schouwspel in de geschiedenis.
Toch moest er meer worden gedaan aan de eenheid. Wat (mijn beknopte editie van) Gibbon namelijk niet vermeldt is de grootscheepse christenvervolgingen die het Rijk teisterde. Er was behoefte aan eenheid; en politieke eenheid werd bevorderd door religieuze eenheid.
Nadat christenen zo'n 40 jaar met rust gelaten waren, werden vier edicten uitgevaardigd, die met toenemende gestrengheid andersdenkenden klem moesten zetten. Waar die vervolging uit voortgekomen is, is niet precies bekend.
Ergens las ik echter een interessant gegeven: "In het jaar 298 raadpleegden Diocletianus en zijn onderkeizer Galerius, zoals in Rome gebruikelijk, de auguren - de religieuze functionarissen die voortekenen verklaarden en de toekomst voorspelden. . .. Dieren werden geslacht als offergaven aan de goden, en de levers werden eruit gehaald, omdat men dacht dat de auguren uit de lever de voortekenen konden lezen. Er waren geen tekenen. Opnieuw werden dieren geslacht en sneed men de levers eruit, maar er waren nog steeds geen tekenen. De opperste der auguren weet dit slechte voorteken aan de aanwezigheid bij de ceremonie van christenen die een kruisteken hadden gemaakt om de slechte geesten af te weren. Diocletianus was woedend. Hij beval alle personeelsleden van het paleis offers te brengen. Wie dat niet deed, zou ontslagen worden. Militaire commandanten moesten erop toezien dat de soldaten offerden of anders uit de dienst werden ontslagen."3)
3) Walsh, De Pausen, Bussum, 1982, p.35.
Hoe dan ook, zo begon de vervolging van christenen, die langer duurde en meedogenlozer werd uitgevoerd dan enige vorige vervolging. Want, dat is al gezegd, Diocletianus had zijn staat, met inbegrip van leger en politie, goed gestructureerd.
Het eerste edict tegen de christenen werd uitgevaardigd in 303. Alle christelijke geschriften moesten worden verbrand en alle kerken verwoest. De kathedraal van Nikomedia - die al 20 jaar lang pal tegenover het keizerlijk paleis had gestaan - werd verwoest. De bisschop van de stad, en vele van zijn priesters, werden vermoord. De laatste van de vier edicten, uit 304, was de strengste. Tussen 305 en 311 werd, vooral in het Oosten, hevig gemoord en gemarteld. We zullen in het verloop van het verhaal nog weI meer over de slachtoffers horen.
Burgeroorlog
En toen kwam de dag waarop, merkwaardig genoeg, de keizer in Nikomedia zei dat hij ging aftreden.
Zijn mede-hoofdkeizer, Maximianus, vroeg of hij het echt meende, en hij meende het echt. Hij ging in rust leven, gaf de keizer te kennen, op de dag dat hij 21 jaar in het purper had gezeten. En meteen daarop werd het evenwicht verstoord. Voor een tweede keer rekenen op vier keizers die in volledige harmonie en zonder jaloezie zouden samenwerken was ook wat veel van het goede. Achttien jaar lang werd het aftreden van Diocletianus (en van Maximianus, diezij het schoorvoetend meedeed, al was dat niet verplicht; later kreeg hij ook spijt en wilde hij weer terugkomen als keizer)gevolgd door een situatie die in feite burgeroorlog was. Dan wordt de geschiedenis zeer verward; ik zal niet proberen hier alle gebeurtenissen exact te boekstaven. Wie het allemaal precies weten wil, kan in vele boeken terecht.
Een nieuwe ster
Temidden van dit vele verwarrende kwam er een nieuwe komeet aan de hemel: Constantijn.
Zijn vader was al een van de twee onderkeizers geweest. Hij werd geboren in het gebied bij de Donau, in het tegenwoordige Joegoslavië. Zijn moeder Helena is door Britten (sinds de l8e eeuw) beschouwd als een Britse prinses. De zeer Britse historicus Gibbon zegt echter >of het met spijt in het hart is weet ik niet - dat ze zonder twijfel de dochter van een kroegbaas uit Joegoslavië was.
Vader Constantius, die de christenen behoorlijk goedgezind was, en met weinig enthousiasme aan de christenvervolgingen deelnam, werd hoofd van het Westelijk deel van het Rijk. En zoon Constantijn, die dapper was en belangrijke wapenfeiten op zijn naam had staan, werd in de rijen van de soldaten al beschouwd als een nieuwe Caesar, een nieuwe onderkeizer dus. Dat beviel de steeds wantrouwige ‘’Augustus" (een nieuwe nu: Gálerius) niet. Constantijn was zijn leven niet meer zeker. Graag zou Constantijn zijn vader opzoeken. Mocht dat? Galerius zei dat het goed was, maar stelde in feite het vertrek naar het Westen steeds uit. Hij zag er kennelijk voor zichzelf niets goeds in.
En hij kreeg gelijk. Constantijn ging, toen hij mocht, in grote haast 's nachts het paleis in Nikomedia uit, trok door Turkije, Griekenland, Bulgarije en Joegoslavië en kwam in Italië. Vandaar ging hij onder toejuiching van velen, vertellen de historici, naar Boulogne in Frankrijk, waar hij nog net zijn vader bereikte, voordat die naar Engeland vertrok. Wel, toen werd daar kort gevochten, heel snel gewonnen en vader Constantius zetelde enige tijd in York, Noord-Engeland.
En toen stierf hij nogal plotseling en het Rijk had een nieuwe man: Constantijn, gesteund door zijn leger. Er was een tegenkandidaat voor hoge posten: Maxentius, de zoon van de al eerder genoemde "Augustus" Maximianus, Die was de kandidaat van de Italianen, die de vrekkige keizer Galerius wat beu waren. Er deden zich allerlei ontwikkelingen voor, en de twee pretendenten om de hoogste macht waren Mexentius , en Constantijn. Was laatstgenoemde een man met vele deugden, de ander komt er in het oordeel van, veel historici minder goed af.
In dit teken
Dan komt het tot een treffen tussen de legers van de twee veldheren, in Italië. En Constantijn wint. In een slag bij Pons Milvius (de Milvische Brug), aan de Tiber, wordt gestreden. Constantijn behaalt de overwinning, Maxentius vlucht en verdrinkt bij het overzwemmen van de rivier. Alles ziet er goed uit voor Constantijn, de "coming man". Misschien zou die episode niet beter bekend zijn gebleven dan menige andere veldslag in die onoverzichtelijke krijgsgeschiedenis van Oudheid of Middeleeuwen, ware het niet dat er een opmerkelijk gegeven was.
Constantijn claimde (veel later, overigens) dat hij een visioen had gehad. Dat was namelijk een kruis geweest, dat hij in de lucht had gezien. Hij had ook een stem gehoord, die hem had gezegd dat hij in dat teken zou overwinnen. Hoe accuraat dat verhaal is is voer voor historici. In elk geval is dat verhaal pas veel later door Constantijn aan zijn biograaf (en bewonderaar) Eusebius verteld.
Wel is een historisch feit dat Constantijns troepen het christelijk "labarum" - het teken van de "chi" en de "rho", dat wij, in onze kerken ook nog kennen, op hun schild droegen, toen ze Rome binnentrokken. Dat was eind oktober 312, slechts dagen na de bewuste en bekend gebleven slag. Voor wie het niet op dat hemelse ingrijpen houdt is Constantijns toenadering tot het christendom een handeling van politiek vernuft.
Ik citeer Runciman: "Het begunstigen van de christenen wier godsdienst in wezen exclusief was, was een revolutionaire ontwikkeling. Het was ook een riskante gok. Men heeft berekend dat- de christenen in 313, toen het Edict van Milaan werd uitgevaardigd, waarbij de christelijke kerk volledige godsdienstvrijheid en een wettelijke status kreeg, slechts 'één zevende deel van de bevolking van het rijk uitmaakten. Bovendien telde het leger, waarop de macht van de keizer voornamelijk gebaseerd was, slechts zeer weinig christenen…’’4)
4) Runciman, a.w., p. 12. Constantijn won, zoals gezegd,"
Maar er viel nog heel wat strijd te leveren voordat hij echt zeker kon zijn van zijn macht. Er waren meer kapers op de kust.
Maar hoe dan ook, deze man werd christen. Nu ja, hij liet zich pas op zijn sterfbed dopen (en dat ook nog door een ariaanse bisschop, het hoofd van de ariaanse partij). Maar dat was niet helemaal ongewoon. Daar zat een doopsstandpunt achter, dat zei dat alle zonden die je na je doop beging, niet zo maar vergeven kreeg. Dus liet Constantijn zich zo laat mogelijk dopen.
Zodoende werd op zijn sterfbed een man gedoopt die zijn vrouw en zoon heeft laten ombrengen, die zo nu en dan een rechtzinnig standpunt in de theologie (waar hij geen enkel verstand van had, overigens) steunde, maar ook geregeld het met de andere partij aanlegde. Een man, die zijn zetel verplaatste naar Constantinopel, een nieuwe stad die hij naar zichzelf vernoemde. Een man die het rijk verdeelde onder zijn diverse zoons - er kwam toen een effektieve scheiding van het Rijk, die tot op de dag van vandaag invloed heeft. Het Griekssprekende Oosten raakte geleiddijk aan geheel afgescheiden van het Latijnssprekende Westen. Met alle gevolgen van dien, o.a. een grote Kerk van Rome en een wat kleinere Kerk van Constantinopel. Ook - en daar is het ons hier vooral om te doen - een man die zich zorgen maakte om ketterij of, in elk geval, om onenigheid in het Rijk. En die daarom vele bisschoppen naar Nicea ontbood. Met toch wel goede resultaten voor de christelijke kerk. Al is met die opmerking voorlopig nog niet alles gezegd.