De exegese van Rom. 11:25-26 (II - 2)

1984-02-03
  • Jaargang 28
  • nummer 5
5. Al verder wil ik iets zeggen over dJ.'s behandeling van de door Paulus in vv . 26-27 geciteerde Schriftplaatsen. dj. spreekt van een combinatie van teksten uit Jes. 59 en Jer. 31. Nu zal niemand ontkennen, dat we in Jer. 31 inderdaad verwante gedachten ontmoeten. Maar het is onweersprekelijk, en ook allang door uitgevers en verklaarders van de Griekse tekst vastgesteld, dat het citaat van Paulus een combinatie is van Jes. 59 : 20, 21a en Jes. 27 : 9c:

Jes. 59 : 20
"Komen 9) zal uit 10) Sion de verlosser, wegdoen 11) zal hij goddeloosheden van Jakob;

21a
en dit (zal) voor hen (zijn) het verbond van Mijn kant,

27 : 9c
wanneer Ik wegneem de zonden van ben" 12).

(Men begrijpt ook gemakkelijk, hoe Paulus de 'wissel' van Jes. 59 naar Jes. 27 heeft kunnen nemen: aan 27 : 9c gaat nl. vooraf "daarom zal weggenomen worden ongerechtigheid van Jakob; en dit is de zegen van hem, ... ", woorden dus die sterk overeenkomen met de uit Jes. 59 geciteerde.)

Een zó nauwe, goeddeels woordelijke, overeenstemming bestaat er niet met Jer. 31: 33, 34. Hoe komt dJ. er nu toe het vrij letterlijk aangehaalde Jes. 27: 9c te wippen, en te vervangen door Jer. 31? De oplossing van het raadsel is niet ver te zoeken, nl. in zijn eerste artikel, Schrijvend over Jer. 31 : 34b zegt hij daar: "Maar nu treffen we in Jeremia 50: 20 een herhaling aan van de belofte van zondevergeving en wel in deze vorm: ."In die dagen en te dien tijde. .. zal de ongerechtigheid van Israël gezocht worden, maar ze zal er niet meer zijn, en zullen de zonden van Juda (nagespeurd worden), maar ze zullen niet gevonden worden, want Ik schenk vergeving aan wie Ik doe overblijven".
Ook in dit woord gaat het om de bekende belofte van vergeving der zonden voor geheel Israël (immers weer: Israël en Juda), maar dat sluit eigenaardigerwijs niet uit dat deze belofte die voor het geheel bestemd is, slechts aan de 'rest' ten goede komt, re weten aan degenen die de Here God doet overblijven. Vergelijking van deze twee teksten door ons opnieuw zien hoe 'geheel' en 'rest' bijéén horen en tegelijk in een zekere spanning tegenoverelkaar staan.
"Jer. 31 legt dus de link naar Jer. 50, waar 'heel Israël' wordt aangeduid als 'rest', met welk gegeven hij Rom. 11 te lijf wil gaan. Hij vervolgt dan ook aldus: "Deze tekst over de zondevergeving is daarom zo belangrijk, omdat hij vlak in de buurt van Romeinen 11 : 26 wordt aangehaald door Paulus, en wel in vs. 27: ... (volgt citaat) ... Daarom zeg ik met vrijmoedigheid dat het bekende 'geheel Israël' van Romeinen 11 : 26 niet losgemaakt ka:n worden van het geheel van Israël in Jeremia 31 : 34, dat in Jeremia 50: 20 Gods overblijfsel wordt genoemd.
Met andere woorden: 'rest' en 'geheel' staan in Romeinen 11 (de verzen 5 en 26) in dezelfde spanningsvolle verhouding als bij Jeremia (31 : 34 en 50: 20)".
Dit eerste artikel is onthullend voor dJ.'s aanpak van Rom. 11 : 25, 26. Door Paulus' citaat uit Jes. 27 te vervangen door Jer. 31, ziet hij kans te opereren met Jer. 50. En van daaruit is de exegese van Rom. 11 : 25, 26 voor hem al beslist nog voordat hij aan de werkelijke analyse van de tekst-in-kwestie zelfs maar begonnen is.
Van 'vooringenomenheid' 13) gesproken!!!
Het kost mij moeite deze en eerder gesignaleerde fouten van dJ. publiek bloot te leggen. Met name in dit laatste geval vrees ik nl., dat lezers geneigd zullen zijn zijn integriteit als exegeet in twijfel te trekken, Laat ik daarom uitdrukkelijk verklaren, dat ik op dit punt geen twijfel koester. Ik meen te begrijpen, wat er aan de hand is: dJ. is kennelijk zo 'gebiologeerd' door zijn ontdekking van de relatie tussen 'gelovige rest' en 'geheel Israël' - en inderdaad is dat een gewichtige ontdekking!dat hij de neiging beeft overal waar nu verder 'heel Israël' genoemd wordt dit te duiden als 'gelovige rest'. Dit is een val waarvoor iedere exegeet moet uitkijken. Ik ben er zelf ook wel eens voor een moment ingetrapt. En je bent dan achteraf maar dankbaar, dat je tijdig nog eens critisch je werk bent gaan toetsen, voor je het publiceerde.
Ik neem dus aan, dat de 'vind-vreugde' hem tijdelijk een 'black out' heeft bezorgd, waardoor hij bij de exegese van Rom. 11 : 25, 26 op het verkeerde spoor is geraakt, en toen alle 'onveilig'- signalen - en dat waren en- nogal wat, zoals we zagen! - heeft genegeerd.

6. Nu dan de beide door Paulus uit Jesaja geciteerde teksten.
Wat 59 : 20 betreft, signaleert dj. het ontbreken van het lidwoord vóór het woord 'goddeloosheden' in de Griekse tekst. Hij hangt daar nogal wat aan op: blijkens de bepaling "uit Sion", zo schrijft hij, "draagt Israëls verlossing de kleur van de verzoening en van de vergeving en van het afwenden van goddeloosheden. Maar juist daarom is Israëls verlossing een kritische verlossing; niet ieder in Jakob is ervan gediend. Dat is de reden waarom er wat onbepaald gezegd wordt dat deze Verlosser 'goddeloosheden van Jakob zal afwenden', (Cursivering van mij, D.H.) Dat klinkt anders dan (bijvoorbeeld) Psalm 130 : 8: "En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden".
In de Psalm echter gaat het over het Israël Góds, bij Paulus daarentegen gaat het er om wat Jakob-naar-het-vlees van deze verlossing merkt. En dan moet gezegd worden dat niet ál Jakobs goddeloosheden worden afgewend, maar alleen die van degenen welke zich in Jakob op Sion oriënteren". (Nr. 35, blz. 3/4.) Hier zouhet toch wel dienstig zijn geweest 'eens een Griekse grammatica te raadplegen. Waar het nl. omabstracta gaat, werd er geen wezenlijk verschil gevoeld tussen gebruik of weglating van het lidwoord, zegt Robertsen 14).
Men vergelijke ook Kühner-Gerth 15), die in dit verband speciaal nog wijzen op woorden voor deugden en ondeugden (zonden)!
Trouwens: als weglating van bet lidwoord hier zou suggereren, dat het maar om enkele goddeloosheden gaat, hoe kan Paulus dan in de parallelle uitspraak ("wanneer Ik wegneem de zonden van hem') weer wèl het generaliserend lidwoord gebruiken? Bekijken we Jes. 27 : 9 in z'n geheel, dan blijkt daar in de parallelle dezelfde afwisseling voor te komen: eerst "ongerechtigheid van Jakob" (zonder lidwoord), dan "de zonde van hem" (met lidwoord). En dit is schering en inslag, bv, Jer. 5 : 6 ("ongerechtigheden" zonder lidwoord,"de afkeringen" met lidwoord); zelfs daar waar het woord 'alle' erbij staat, bv. Ez. 18, waar in v. 28 sprake is van iemand die "zich heeft afgewend van alIe ongerechtigheden"
(zonder lidwoord), maar dan in v. 30 het volk wordt opgeroepen: "wendt u af van alle de ongerechtigheden" (met lidwoord).
Een vluchtige blik in de apparatus criticus leert trouwens, dat op tal van plaatsen de handschriften onderling verschillen t.a.v. de toevoeging of weglating van lidwoorden juist in zulke gevallen. Een bewijs dat een afschrijver zonder erg het lidwoord toevoegde of wegliet: het maakte geen verschil, wat de betekenis betreft.

7. Als ik dan nu zelf nog iets mag zeggen over de oudtestamentische citaten hier, dan weet ik, dat bescheidenheid mij past. Het O.T. is niet een terrein binnen mijn vakgebied, en hier erken ik dJ. graag als mijn meerdere. Toch meen ik een aantal zaken naar voren te mogen brengen.
In de eerste plaats dan moet erkend worden, dat Paulus ons met zijn wijze van het gebruiken van het O.T. wel eens in de problemen brengt. Niet altijd is op het eerste gezicht duidelijk waarom hij juist déze tekst aanhaalt. Meermalen leest hij er iets in, wat wij er niet zo gauw in zouden gelezen hebben; soms ook iets wat er helemaal niet in staat. Ik denk bv. aan bet citaat uit Ps. 68 : 19 in Ef. 4 : 8. Paulus leest daar, dat Christus gaven gaf aan de mensen, terwijl de geciteerde tekst - ook in de LXX-versie zegt (aan Gods adres): "Gij hebt gaven genomen". Een blunder van Paulus? Ik denk het niet. De hele psalm, en niet alleen dit vers, zal Paulus voor ogen hebben gestaan. En daarin is wel degelijk sprake van gaven die God gat aan Zijn volk, bv. v. 10. Ondanks de niet geheel correcte wijze van citeren van 'een onderdeel heeft de apostel toch een hoofdgedachte uit het totaal van de context in het ooggevat Nu stelden wij reeds vast, dat in Rom. 11 : 25, 26 niet direct sprak" is van een 'gelovige rest'. Dat blijkt evenmin het geval te zijn in de door Paulus aangehaalde teksten uit Jesaja, zoals hij die las in de LXX.
Evenmin worden in het citaat voorwaarden genoemd, die God aan Israël zou stellen ('als gij u bekeert' of 'als gij uw afgoderij wegdoet') , wat wèl gebeurt in de masoretische tekst van Jes. 59: 20 ("voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren") 15a) en eveneens in diie van Jes. 27: 9 (.,hierdoor zal de ongerechtigheid van Jakob verzoend worden, ... dat hij alle altaarstenen tot verbrijzelde kalkstenen maakt, en dat geen gewijde palen en wierookaltaren overeind blijven staan").
Paulus concentreert de aandacht helemaal op wat de Heere doet met (en voor) Zijn volk. Aanknopend bij het 'gered worden' van heel Israël grijpt hij naar een citaat waarin de Heere optreedt als de grote Verlosser van zijn volk.
En door deze teksten zó te citeren verdonkeremaant Paulus de 'inbreng' van het volk in het bekeringsproces niet, maar hij schuift die wel naar het tweede plan, om alléén de ondoorgrondelijke liefde van God voor Zijn volk in het volle licht te stellen. In een lofzang op dien 'solitair' werkenden God culmineert dan ook dit hoofdstuk (vv. 33-36).
Dat is, ofschoon voor ons misschien verrassend, toch wel degelijk in overeenstemming met een van de hoofdgedachten van de bewuste pericopen.
Wat Jes. 59 betreft: eerst is in 58 getekend de godsdienstige ijver van Gods volk en hun verwijt aan den Heere, dat Hij die ijver niet honoreert (vv. 2-3), een pas sage die Paulus best eens voor ogen zou hebben kunnen staan, toen hij Rom. 10: 2-3 neerschreef. Dan komt in 59 na een brede aanklacht van het volk vanwege zijn zonden, die een barrière vormen tussen hen en God (v. 2), in v. 15 de doorbreking van deze toestand; maar dan nièt van de kant van het volk, neen: " ... Toen bracht Zijn arm Hem hulp" (v. 16).
Ook in Jes. 27 is het de Heere die een keer brengt. Eerst weer dezelfde diagnose als in hfdst, 59: "Omdat het geen volk van inzicht is - en wie denkt hier niet opnieuw aan Rom. 10: 2 "ijver zonder inzicht"? -, daarom ontfermt zijn Maker er Zich niet over en is zijn Formeerder het niet genadig" (Jes. 27 : 11). En dan de ommekeer in v. 12: "Maar het zal te dien dage geschieden, dat de Heere de aren zal dorsen van de Rivier (d.i. de Eufraat) af tot aan de beek van Egypte - d.J, over heel het gebied dat Israël op het toppunt van zijn politieke macht ooit heeft beheerst - en gij zult ingezameld worden één voor één, kinderen Israëls".
God haalt de volle oogst van Zijn volk binnen.
Wat dj. in de eerste vijf artikelen schreef over de schifting binnen Israël blijft dan ook in hoofdzaak 16) overeind staan. AIleen: wij moeten tot de conclusie komen, dat Paulus, wanneer hij hier enkele van die profetieën waaruit hij putte, gebruikt, ze over een andere zeef laat gaan. Wat hèm daarin treft is de hoofdrol die de Heere speelt.
Zeker, in Jes, 59 en 27 wordt van het volk gevraagd, dat zij zich rullen bekeren. Maar wie brengt bet herstel op gang? Wie neemt het initiatief? Dat is Jakobs God, en Hij alleen. Het is ten diepste Gods erbarmen met Israël dat in het lot van het volk een keer brengt. Israël wordt door God niet even hard geslagen als Assur, dat Israël sloeg; niet zo finaal gedood als de vijand, die hem doodde (Jes. 27 : 7). "Met alle volken waaronder Ik u verstrooid heb", zo zegt de Heere (Jer. 30: 11), ,,zal Ik voorgoed afrekenen maar met u zal Ik niet voorgoed afrekenen, doch naar recht u tuchtigen'.'



9) Ik geef een zo letterlijk mogelijke weergave van de Griekse tekst waarbij aak de oorspronkelijke woordorde is gehandhaafd. Verder noteer ik de afwijkingen bij Paulus t.o.v. de LXX. Hiér staat vóór "komen" nog "en" in de LXX.

10) "wegens" (of "ter wille van") LXX. Dit is de meest opvallende afwijking van de LXX-tekst. (De overige hebben niets om het lijf.) Waarschijnlijk spelen Paulus teksten door het hoofd waar de Heere wordt voorgesteld als 'opererend vanuit Sion': zie met name Ps, 14: 7 (= 53: 7); en verder Ps. 20: 3. 110: 2. 50: 2; Joël 3 : 16; Amos 1 : 2. Het gaat mij te ver te beweren, dat de Heilige Geest zelf deze wijziging heeft aangebracht. (Aldus ds. P. K. Keizer in een artikel dat is overgenomen In 'De Kruisbanier', 39ste jrg. nrs. 42/4:3. blz. 7.) Het nieuwe dat Paulus. gedreven door den Geest, hier naar voren brengt uit de oude schat van de profetie ligt m.i.
in de nieuwtestamentische concretisering ('het naar ons toe vertalen' zegt men tegenwoordig graag) van de oud-
testamentische beloften. En de kleine tekstafwijkingen zijn gemakkelijk te verklaren. als men in rekening brengt.
hoezeer Paulus zich het hele O.T. had eigen gemaakt. en daarbij bedenkt. dat hij waarschijnlijk op zijn geheugen afging bij het citeren. (Het ‘naslaan' dat aan onze tijd eigen is, kende men vroeger veel minder.) Als men uit zulke onbeduidende afwijkingen nog een aparte boodschap wil puren. overtuiging men, vrees ik, de Schrift, en loopt men gevaar het zicht op de eigenlijke boodschap te bemoeilijken, of daarvan af te leiden.

11) Vóór "wegdoen" opnieuw "en" LXX.

12) "van hem de zonde" LXX.

13) Ik doel hier op dJ.'s verwijt aan ons adres, nr. 35 blz. 2 kol. 3.

14) ..No vital difference was feIt between articular and anarthrous abstract nouns", A. T. Robertson, A Grammar of the Greek New Testament, Nashville Tennessee 1954. p. 794. u) 1 606 i. (Voor de volledige titel zie het eerste artikel, noot 6.)

15a) Als dJ. (nr. 32 blz. 2 kol. 4) Jes. 59 : 20 gedeeltelijk gecursiveerd als volgt afdrukt: ..Maar als Verlosser komt Hij voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren"
en dan tussen haken toevoegt: ..deze tekst wordt aangehaald in Romeinen 11 : 26!". dan is het uitroepteken misplaatst.
Immers "de geestelijke bepaling aan Israël meegegeven" (t.w. de gecursiveerde woorden aan het slot) ontbreekt nu juist in de tekst zoals Paulus die citeert.

16) Op details valt af te dingen. Ik noem er twee: a) nr. 32 blz. 3 kol. 2 "Eert samengaan tenslotte van priesterdienst en koning als scheidingmakend kriterium binnen het volk vinden we in Psalm 149 : 2 "Israël verheuge zich in zijn Maker, laten de kinderen Sions juichen over hun koning" . Hier wordt heil: volk naar Sion, (het inbegrip van alles wat met het heiligdom te maken heeft) en naar de koning toegedreven en de Israëlieten naar de geest scharen zich als kinderen rondom deze hun “geestelijke centra". Om te beginnen is, gezien de parallelie met ,,Maker" hier met “koning" zonder twijfel God bedoeld en niet zijn aardse gezalfde (Vgl. Ps. 97: 1, 8).
En verder: in ,,Sion" zit zeker ook ,,het heiligdom”; jawel, maar het komt er hier niet uit. Niets wijst er op dat "Aäron" den dichter bewust voor de aandacht staat. Mag hij ook nog eens een keer "kinderen Sions" gewoon als stilistische afwisseling van "Israël" gebruiken ? b) Geforceerd en ten dele onjuist acht ik ook de uitleg van Jes. 45 : 25 "in den Heere wordt het gehele nakroost van Israël gerechtvaardigd en zal het zich beroemen". dJ. meent, dat hier van de drie onderscheiden 'kringen' (bedoeld zijn 'kroost van Jakob' .. v. 19, 'die uit de volken ontkomen zijt', v. 20, en 'alle einden der aarde’, v. 22, D.R.) een optelling gemaakt en een hoofdsom geboden wordt"(en haalt daar dan ook weer de 'restgedachte bij nr. 34 blz. 2 kol; ~. met opnieuw een voorbarige verwijzing naar Rom. 11 : 26). Dat zie ik met de beste wil niet. Hebben we voor 241b/25 niet een parallel in 16/17? Terwijl de makers van afgodsbeelden beschaamd staan en te schande worden, omdat hun afgoden hen niet blijken te kunnen redden, wordt Israël, doordat dit volk door zijn God, Jahweh, wèl wordt verlost nièt beschaamd en nièt te schande: Diezelfde tegenstelling tussen Israël en de (vroegere) afgodendienaars lees ik in vv, 24/25: aan het ednld van het rechtsgeding (Vgl.43: 9; 44: 6-9) moeten de volken die zich tegen den Heere hadden verzet beschaamd erkennen: wij hebben met onze afgoden op het verkeerde paard gewed; Israël daarentegen “wordt in het gelijk gesteld met Jahweh" (d.w.z. is met Jahweh niet bedrogen uitgekomen, krijgt gelijk met zijn vertrouwen op Hem) en zegt nu jubelend: zie je wel, onze God is gebleken de enige ware te zijn! (Dezelfde tegenstelling tussen 'beschaamd en te schande worden' en 'gerechtvaardigd worden' ook in 50: 7 8. Voor 'gerechtvaardigd worden 'in de betekenis 'in het gelijk gesteld worden in een rechtsgeding’ vgl. ook 43 : 9 26.) Hier zie ik toch bepaald een contrast, geen optelsom. En van die 'rest(en)' geen spoor!
Juist om het belang de grote lijn die d.J, ons in deze artikelen met een zo verrassend diep inzicht in de Schrift wijst zou het toe te juichen zijn, als hij - of ev. een ander - de détailadstructie en –uitwerking nog eens zorgvuldig ging toetsen. M.i. blijkt uit deze twee voorbeelden, evenals uit zijn exegese van Rom. 11 : 25-26 - en dáár heel sterk! – dat dJ. zich onvoldoende gehoed heeft voor "Inlegkundige' benadering van het tekstenmateriaal.
Ik vrees dat daardoor de geloofwaardigheid van het geheel schade kan oplopen; wat mij bijzonder zou spijten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief