De herders

1985-12-06
  • Jaargang 29
  • nummer 47
Een bekend kerstversje zingt van de nacht in Bethlehem dreven, een schone, stille nacht, waarin trouwe herders bleven bij hunne kudde op wacht. Van die herders wordt daarna gezegd, dat zij samen hoopten en immer voort wachtten of Jacobs ster zou komen, naar 't oud profetisch woord. Zij waren de vromen, die juist in die stonde, in diezelfde nacht, mochten meemaken dat de engelen hun het blijde nieuws brachten. Het staat er in de bijbel niet bij dat de herders vromen waren die de Messias verwachtten. Van Simeon, in de tempel, wordt dat wel gezegd; van de herders.
niet. Het is mogelijk, dat de herders niet veel gepraat hebben of dat ze gesproken hebben over de grote boeren, die lekker in de warmte konden slapen, terwijl zij, arbeiders, zaten te kleumen bij een vuur. Het is evengoed mogelijk dat de herders gesproken hebben over "de vrouwen".
En niet zo erg fatsoenlijk. Of over de Romeinen en dit niet zo erg onderworpen en gehoorzaam. We weten het niet. Maar de gedachte heeft zich vastgezet dat de herders vroom waren en het heil van de Here verwachten. Zo past het immer in ons denkraam. Degenen die naar de komst van de Heer uitzien, zullen Hem zien komen. Het blijde bericht zal hun worden gebracht. De gedachte van Jesaja 65:1 brengen wij nu eenmaal niet in verband met de herders: “Te vinden was Ik voor hen tot een volk dat Mij niet aanriep: Hier ben Ik, hier ben Ik.” Wij staan daar onwennig tegenover, als iemand die het Evangelie recht op de man af verkondigt aan mensen die op Gods boodschap niet bepaald zitten te wachten. Wij weten eigenlijk niet, hoe dat zou moeten. Er zijn er ook, die zeggen, dat het niet mag. Zo’n algemeen aanbod der genade. Wij preken gemakkelijk in de Christelijke gemeente. Nou ja, gemakkelijk... Maar in die gemeente leeft tenminste de verwachting naar een boodschap van heil. Je kunt min of meer aan die verwachting beantwoorden met je preek. Hoe moet het daarbuiten? Ik bedoel niet het bekende "getuigenis". Met een glimlach die op het. gezicht bevroren lijkt, wordt tot de buitenstaander gezegd dat jij zo blij bent met Jezus. Dit kon wel eens afstoten. Ik denk nu aan enkele preken die ik via de radio hoorde. De teneur van de preek was: Wat zijn wij als kerk toch rijk, met het Woord en met de Geest. En in een enkele tussenzin wordt gezegd dat ook de luisteraar, die buitenstaander is, van dat heil deelgenoot mag worden. Dan moet hij maar tot de kerk komen. Bij zo’n preek dacht ik wel eens: Vergeet nu eens een half uur die kerk van jou en breng het heil naar de mensen toe, die buiten staan. Ik zou het moeilijk vinden om dat te doen. Hoe doe je dat. Maar als we de beschikking hebben over de zendtijd, dan moeten we dat toch uitbuiten. De engelen brachten de boodschap over aan de herders. Zonder preek. En die lieten het werk voor wat het was en gingen haastig.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief