De exegese van Rom. 11:25-26 (II - 3)
1984-02-10
Ik moet in dit verband nog even terugkomen op de parallel die ik - met vele anderen - trok tussen Romeinen 11 : 25 en Lucas 21 : 24.- Jaargang 28
- nummer 6
Het is opvallend, dat geen der andere evangelisten van een dergelijke beperking van de tijd der heidenen spreekt. Ik ben dan ook geneigd te geloven, dat Lucas mede door zijn nauwe contacten met Paulus weet heeft gehad van het geheim dat Paulus hier meedeelt. Lucas blijkt vaker frappant goed op de hoogte met de typische signatuur van Paulus' prediking.
17) Overigens heeft men berekend, dat hij zijn evangelie pas een jaar of vijf na de verzending van Paulus' brief aan Rome moet hebben geschreven. Het is dus mogelijk, dat hij deze brief heeft gekend, en dan ook - nauwkeurig vorser als hij was, vgl. Lc. 1: 3 - heeft gebruikt.
Hoe dit zij, de beide genoemde plaatsen nodigen uit tot een vergelijking met elkaar.
Dan realiseren we ons, dat in de nieuwtestamentische tijd de heidenen t.o.v. Israël een dubbele rol spelen.
Enerzijds zijn zij - geheel als van ouds! - de vijanden van Israël, door wie God Zijn strafgericht aan Israël voltrekt. Anderzijds zijn ze - voorzover gelovig geworden - de opvolgers van Israël als volk van Gods begenadiging. Zijn die twee functies aanvankelijk nog gescheiden - de Romeinse legers die onder Titus Jeruzalem onder de voet liepen waren een andere grootheid dan de gemeenten-uit-de-heidenen die Paulus (en anderen) stichtten en die hij hier toespreekt - bij de voortgang van de kerstening van Europa verflauwen meer en meer de grenzen. De zoveelste opvolger van Titus wordt christen (Constantijn) en in de dan volgende eeuwen vindt men in ons werelddeel niet alleen maar christelijke kerken, maar ook christen-volkeren.
In hun eerstgenoemde functie tekent Lucas de heidenen in 21 : 24, terwijl Paulus hier in Rom. 11 de aandacht richt op de tweede.
Ja; en toch moet ik zeggen: die eerste rol der heidenen tegenover Israël staat hem wel degelijk voor de aandacht, en gaat in dit gedeelte (vanaf v. 11) zelfs bepaald domineren.
Dat maak ik niet ènkel op uit de 'militaire woordkeus', al kan die bij zorgvuldig lezen toch moeilijk aan de aandacht ontsnappen. Het NBG heeft in v. 12 met 'tekort' weergegeven een woord, dat samenhangt met een werkwoord dat doorgaans 'verslagen worden, de nederlaag lijden' betekent.
Het hier voorkomend zelfstandig naamwoord is vrij schaars, maar de enige maal dat het in de LXX voorkomt, nl. Jes. 31: 8 wordt er toch mee aangeduid de positie van vernedering waarin een verslagen en overwonnen volk terechtkomt ("herendienst" NBG). Veelzeggend lijkt mij ook de enige plaats in het N.T. waar het verder voorkomt, nl. 1 Cor. 6 : 7: "Het is al meteen zonder meer een nederlaag, dat ge onderling gedingen hebt", d.w.z. ook wie het proces mocht winnen, heeft toch net zo goed als de verliezer - bij voorbaat de strijd al verloren. Het beeld dat v. 12 oproept is naar mijn gevoel dan ook dat van overwinnaars die zich verrijken aan de buit op de overwonnenen behaald. 18) In verband daarmee zou ik "hun volheid" willen verstaan in deze zin, dat hun aanvankelijk gedecimeerde leger weer op volle getalssterkte wordt gebracht. (Het hier gebruikte 'plèroom a' kent inderdaad de militaire betekenis 'het volle contingent', Hdt. V111 43). En dàn ligt het voor de hand die connotatie ook te laten meeklinken, als hetzelfde woord opnieuw opduikt in v. 25.
Terwijl nu Lucas bepaald het oog heeft op wat in 70 met Jeruzalem gebeurde, zal bij Paulus deze militaire woordkeus zijn ingegeven door de oudtestamentische vijandelijke verhouding tussen Israël en de hen bedreigende en van tijd tot tijd overheersende heidenvolkeren.
Toch zou dit terminologisch gegeven alléén mij te zwak zijn om er vergaande conclusies aan te verbinden.
Veel belangrijker is een ander punt: Paulus komt in de pericoop dre met v. 11 inzet, terug op het citaat uit Deut. 32: 21, dat hij in 10 : 19 had neergeschreven. Omdat Israël Jahweh verruilt voor een heidengod, waardoor ze Hem jaloers maken, verruilt Jahweh Israël voor een heidenvolk, om hen jaloers te maken.
Vreemden laat Hij in Zijn land aan de macht komen, en Israël laat Hij de nederlaag lijden, en brengt Hij in vernedering en slavernij.
Dat Paulus dáárop hier teruggrijpt, blijkt uit het tweemaal gebruikte woord 'jaloers maken' (v. 11 en v. 14).
Als instrument van naijver zijn de door God begenadigde heidenen dus de 'opvolgers' van b.v. Assur, dat in Jesaja's dagen "de roede van Gods toorn" was (Jes. 10: 5). Maar terwijl Assur er nauwelijks weet van gehad zal hebben, wat de Heere bedoelde met het onderwerpen van Israël aan zijn macht, komen de heidenchristenen wèl te weten, wat Gods bedoeling is met Zijn keus vóór hen en tégen Israël. Paulus scherpt hun dat hier in (v, 11). Maar daarom waarschuwt hij hen dan ook zo nadrukkelijk - driemaal, zie boven - dat ze nu hun rol niet even slecht moeten spelen als Assur destijds. Ik kan hier niet beter doen dan Jes. 10: 5 vlgg. citeren: "Wee Assur, die de roede van mijn toom is en in welks hand mijn gramschap is als een stok.
Tegen een godvergeten volk (t.w. Israël) zal Ik (dien koning) zenden, en tegen de natie waarover Ik verbolgen ben, zal Ik hem ontbieden om buit te behalen en roof te plegen (vgl. Rom. 11: 12) en om het volk te vertrappen als slijk der straten (vgl. Luc. 21 : 24). Doch hijzelf bedoelt dit niet zó en zijn hart beraamt het niet zó, want hij heeft in den zin te verdelgen en talloze volken uit te roeien." En dan de dreiging in vv 12, 13: "Doch het zal geschieden, wanneer de Heere zijn ganse werk op den berg Sion en in Jeruzalem voleindigd heeft - als Hij dus zijn wraak aan Israël heeft gekoeld -, dat Ik de vrucht der hooghartigheid (vgl. Rom. 11 : 20 "weest niet hoogmoedig") van den koning van Assur bezoeken zal en de trots van zijn hovaardige ogen (vgl. Rom. 11 : 18 "laat u dan niet vanuit de hoogte uit over de (weggebroken) takken"), omdat hij gedacht heeft: Door de kracht van mijn hand heb ik het gedaan en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig (vgl.
Rom. 11: 25 "opdat gij niet wijs zoudt zijn in eigen ogen")".
Het is in aansluiting op deze Jesajaanse belichting van de rol der heidenen t.a.v. Israël, dat Paulus in vv 25-27 in Jesajaanse bewoordingen spreekt over het einde van de tijd der heidenen en de verlossing van Israël.
En aan het eind van het hoofdstuk is het opnieuw een profetie van Jesaja die hem in de mond gegeven wordt, ditmaal een vers uit de majestueuze aanhef van deutero- Jesaja (40 : 13).
Dat geeft mij aanleiding nog eenmaal terug te komen op het 'geheimenis' van v. 25. Nu we gezien hebben, hoe sterk Paulus in heel deze pericoop beheerst wordt door den Geest die in Jesaja sprak, moge ik herinneren aan een van de meest typerende trekken van deutero- Jesaja: dat de Heere bij monde van Zijn profeet zich er tegenover de afgoden op beroemt ver van te voren, toen nog niemand iets kon bevroeden, te hebben aangekondigd, wat Hij in de toekomst doen zou tot verlossing van Israël, oudtijds (vgl. Gen. 15 : 14-16) in de uitleiding uit Egypte en haar vervolg ("de vroegere dingen"), in deutero- Jesaja's dagen in de terugvoering uit Babel ("de nieuwe dingen"), vgl. Jes. 41 : 22; 42 : 9; 43 : 9. 18; 46 : 9; 48 : 3, 6.
Welnu, dat bevestigt mij in de overtuiging, dat het aan Paulus bekend gemaakte geheimenis met betrekking tot Israël een aankondiging lang van tevoren is van wat God in de toekomst tot verlossing van Israël zal doen. Ook in het woord 'geheimenis' ('verborgenheid' Stat.-vert.) van v. 25 meen ik een signaal op te vangen, dat de Heere Paulus hier a.h.w. de profetenmantel van Jesaja om de schouders slaat: "van nu aan doe Ik u nieuwe dingen horen, verborgenheden die gij niet wist" (Jes. 48 : 6).
De Schrift blijkt vaak veel hechter in elkaar te zitten dan wij ooit hadden vermoed.
"Een nog nieuwer testament dat als een tang op een varken op Oud en Nieuw beide past" 19)? Helemaal niet! De genaderegels van het nieuwe verbond blijven ook straks voor heel Israël gelden. Het zal zich moeten "onderwerpen aan Gods gerechtigheid" (vgl. Rom. 10 : 3).
Krijgen we het nu inderdaad te zien, "dat de lijn van het heil tenslotte toch terugbuigt naar een bruto Israël-naar-het-vlees" 20)? Welnee! Het is wel het Israël-naar-het-vlees dat God weer opzoekt, maar Hij maakt er een 'netto' -Israël van door het te reinigen van de zonde. Dat is toch de belofte van vv 26/27? Wat dJ. constateert voor het O.T.: "Niet altijd kwam het daardoor (d.i. door het kritisch bezig zijn van. het Woord met Israël, D.H.) tot een even duidelijke 'rest' -vorming; het was ook wel eens een meerderheid in het volk die gehoor gaf" (nr. 32, blz. 2, kol. 4) ... kan de Heere dat niet nóg eens bewerkstelligen? Is Hij niet bij machte met het gros van Israël te doen wat Hij met Paulus heeft gedaan?
Neemt de betekenis van Abrahams bloed dan toch weer toe? Nee, want - afgezien van het feit, dat ook voor Israël het verzoenend bloed van Jezus Christus de enige wezenlijke rol speelt - het zijn wel Abrahams kinderen-
naar-den-bloede die Gods Geest zal wakker schudden, maar ten diepste niet omdat hun Abrahams bloed door de aderen vloeit. Het aloude motief blijft bij den Here van kracht: "niet om uwentwil doe Ik het, 0 huis Israëls, maar om mijn heiligen naam, dien gij ontheiligd hebt onder de volken in wier gebied gij gekomen zijt. . .. de volken zullen weten, dat Ik de Heere ben, luidt het woord van den Heere Heere, wanneer Ik Mij voor hun ogen aan u den Heilige zal betonen" (Ez. 36 : 22, 23).
Wij mogen om onzes levens wil niet over het hoofd zien, met welk doel Paulus dit geheim t.a.v. Israël prijs geeft: om de heidenchristenen te behoeden voor een hooghartige en brutaliserende bejegening der Joden. En het zou dan ook wel zeer misplaatst zijn, als dit geheimenis onze sensatielust zou prikkelen. Wel verre van zich handenwrijvend te verkneuteren op dit "klapstuk der geschiedenis" zou de christenheid dit moment waarop voor haar de deuren dicht gaan - en hoeveel dichter is dit naar ons toe gehaald door Auschwitz? - veeleer handenwringend tegemoet moeten zien.
8. Tenslotte: dJ. schrijft: "Geheel Israël zalig? Maar waarom dan niet geheel Rome, en geheel Wittenberg en geheel Canterbury, en geheel Genève, enz." (nr. 34, blz. 2, kol. 1).
M,a.w. God mag het christelijke Westen niet anders bejegenen dan 'Zijn eerste liefde'? Dat vind ik een ontstellend grote mond tegen den Heere.
(En dat zo vlak na Paulus' waarschuwing in Rom. 9 : 20.) Zou Hij daarop niet antwoorden: "Vriend, Ik doe u geen onrecht. Neem het uwe en ga heen. Staat het Mij niet vrij met het mijne te doen wat Ik wil? Of is uw oog boos, omdat Ik goed ben?" (Mt. 20: 13-15). Maakt God door zijn overmaat van goedheid voor Israël bij ons scheve ogen? Dan zijn we op dezelfde kwalijke weg als Israël-naar-het-vlees (Hand. 13 : 45).
Hierbij wil ik het voorlopig laten, al besef ik, dat er détails zijn blijven liggen.
Ik heb dJ. "hier en daar bij wijze van herinnering ietwat vrijmoedig geschreven" (om nog maar even met Paulus te blijven spreken, Rom. 15 : 15). Graag had ik gewild, dat hij ons - en ook zichzelf - niet in zo'n gewetensnood had gebracht door zich met zulke ontstellend zware woorden meteen muurvast te pinnen op zijn standpunt. "Ik heb echter zonder meer de overtuiging van hem, dat hij zelf reeds vol van goedheid is, vervuld met al de kennis, in staat ook zichzelf terecht te wijzen" (vgl. Rom. 15 : 14).
17) Een van de meest treffende gevallen vind ik Lukas' verslag van Paulus' reactie op de nij1d der Jolden in Antiochië (Hd, 13 : 45 VIlg1g.). Paulus formuleert daar zijn opdracht in woorden ontleend aan Jes. 49: 6. Dat is nu exact Paulus zoals hij ook zélf zich presenteert in zijn brieven. zie met name Gal. 1: 15 (= Jes. 49: 1); ook - minder expliciet - Rom. 1 : 1 ("afgezonderd").
Verder valt op, als men de twee overeenkomstige passages uit Petrus' rede in Hd. 2. t.w. vv, 25-36.
en uit die van Paulus in Hd. 13. t.w. vv 35-39, met elkaar vergelijkt. dat Paulus toevoegt: "ook van alles waarvan gij niet gerechtvaardigd kondt worden door de wet van Mozes wordt ieder die gelooft gerechtvaardigd door Hem", om dan te besluiten met een citaat uit Habakuk, Dat is Paulus zoals we hem kennen uit de brief aan de Romeinen, ten voeten uit. Men lette ook op overeenstemming in bewoordingen.
bv, tussen Hand. 26: 18 en Col. 1 : 1-14.
18) Het wil mij voorkomen, dat "struikelen" (v, 11) aansluit bij "aanstoot" (v. 9). Ik acht het mogelijk - ik druk me voorzichtig uit - dat de beeldspraak van v. 12b mede is ingegeven door v. 10. Ongeacht, wat de dichter van Ps. 69 heeft bedoeld. lijkt het me denkbaar, dat Paulus bij 'de rug die voor altijd gekromd wordt' gedacht heeft aan een sneuvelend soldaat (vgl. b.v. Ps. 20 : 9: 2 Kon. 9 : 24) ofwel aan een overwonnene die een harde slavendienst tegemoet gaat. Die gedachte zou bij hem mede gewekt kunnen zijn door v. 26 van Ps. 69, waar van 'kampement' en 'tenten' wordt gesproken.
19) Nr. 34 blz. 2 kol. 1.
20) Zie de opgave in de vorige noot.