Léven .....in vertrouwen, vrijheid en verantwoordelijkheid (3)
1984-02-10
Ondanks het feit, dat het voor u liggende artikel het derde deel is uit een serie, hoeft u toch niet terug te schrikken voor lezing ervan. Het is zonder moeite te volgen, ook als u geen kennis hebt kunnen nemen van de voorgaande artikelen.- Jaargang 28
- nummer 6
In het eerste artikel van deze serie is een globale mensvisie gegeven, resulterend in de begrippentrits :
- geloofsmotief (de mens als geloofs-wezen; sleutelwoord: vertrouwen)
- maatschappijvisie (de mens als antwoord-wezen; sleutelwoord: verantwoordelijkheid),
en
- politieke stellingname (de mens als kultuurdrager/beeld Gods; sleutelwoord: vrijheid (tot ... ))
In het tweede artikel is aan de hand van een schets van liberalisme en socialisme geïllustreerd, hoe maatschappijvisie en politieke stellingname samenhangen met, ja: voortkomen uit het geloofsmotief. Bij genoemde politieke stromingen was dat de keuze voor een verabsoluteerde vrijheid, respektievelijk idem dito gelijkheid, leidend tot nihilisme, in beide gevallen, met als extreme dreigingen enerzijds diktatuur, anderzijds anarchie.
Ditmaal aandacht voor een reformatorische maatschappijvisie, een omvattende visie voor die op staat en overheid (in de volgende artikelen aan de beurt).
Eigengeaarde samenlevingsverbanden
In het eerste artikel schreven we over de diverse levenssektoren annex levensverbanden, waarbinnen de mens gehoor geeft aan de kultuuropdracht.
Op het terrein van de ekonomie: de onderneming. Voor het onderwijs: de school. Voor de sport: de vereniging.
Voor de politiek: de partij. Voor het geloofsleven: de kerk 1)...
In al die kulturele aktiviteiten doet de mens niets anders dan op een goede of foute wijze gevolg te geven aan die kultuuropdracht, nl. om de veelkleurige rijkdom, die in de Schepping besloten ligt, aan het licht te brengen. Daarbij komen in de loop der geschiedenis de diverse genoemde levensverbanden 'als vanzelf' naar voren.
Aanvankelijk was er geen 'kerk', naderhand wel. Aanvankelijk was er geen 'school', later wel. Enzovoort.
Je zou kunnen zeggen: het lag in de loop der geschiedenis besloten, dat dergelijke levensverbanden zouden ontstaan, als maar de mens gehoor gaf aan de kultuuropdracht.
Ter vermijding van misverstand moeten we daaraan twee opmerkingen toevoegen:
1. Het ontstaan van die levensverbanden is niet primair te danken aan het menselijk kultureel handelen, ook al is dat laatste wel een conditio-sine-qua-non ‘nonverbiddelijke voorwaarde). Maar uiteindelijk is het het werk van God in de geschiedenis, die deze levensverbanden doet opkomen.
Hij leidt de geschiedenis; Hij regeert èn onderhoudt de schepping (Zond. 10 H.C.).
2. Tegelijkertijd moet gewaarschuwd worden voor een starre en statische visie op de geschiedenis, alsof het handelen van de mens noodzakelijkerwijs moet voeren tot het ontstaan van levensverbanden in de vorm waarin wij ze kennen. Geenszins. (Al evenmin, dat de huidige (verschijnings)vormen van de diverse samenlevingsverbanden zó zouden moeten blijven tot in lengte van dagen, omdat ze de enig juiste zouden zijn! Integendeel!
Onze visie op de geschiedenis is geen 'deïstische': de visie, dat God éénmaal, aan het begin, heeft ingegrepen, de wereld heeft geschapen, waarna de geschiedenis zich ontwikkelt, zoals een film 'afrolt of een uurwerk 'afloopt' - met God als passieve toeschouwer, en de mens als willoos marionet.
Onze geschiedsvisie kán ook geen deïstische zijn. Niet, wanneer we letten op wat de Here God ons openbaart in Zijn Woord omtrent Zijn herhaald ingrijpen in, ja: Zijn continuë leiding van de geschiedenis.
Evenmin als we letten op de geschiedenis van de eigen europese kultuur in vergelijking met die van andere kulturen: oosterse, afrikaanse, noordamerikaanse ...
Zelfs een oppervlakkige studie van kulturen leidt al snel tot het inzicht dat het handelen van de mens medebepalend is voor de loop der geschiedenis: een school in ... (China bijvoorbeeld, of Afrika) heeft een andere (verschijnings- )vorm dan een school bij ons. Maar het is onmiskenbaar een 'school', een bepaald type samenlevingsverband (getypeerd door de overdracht van kennis en ervaring), waarvan de struktuur besloten lag en ligt in de door God geschapen en geregeerde werkelijkheid, terwijl de (verschijnings-)vorm bepaald wordt door het menselijk handelen èn door 'de stand van de geschiedenis' .
Als christen-gelovigen weten we, dat het ónze gehoorzaamheid - of gebrek daaraan - is, die leidt tot ontplooiing en verrijking dan wel tot destruktie en verarming van een kultuur.
Het is God zèlf, die leiding geeft aan de geschiedenis, en daarbij het mensenwerk mede laat spelen - wonderlijk genoeg!
Anders gezegd: de opkomst van de diverse levensverbanden ligt besloten in de struktuur van de schepping.
Vele auteurs spreken daarom van 'scheppingsordeningen' . (Zo bijvoorbeeld Van Riessen in 'Maatschappij der Toekomst', p. 92).
Aan de diverse verschijningsvormen van die levensverbanden kan men tegelijkertijd de invloed van de menselijke (on-gehoorzaamheid aflezen. Er zijn goede scholen en slechte. Goede staten en slechte. Etcetera. Dat is het gevolg van de richting die de mens kiest voor zijn handelen: tegen de (kracht- )stroom van Gods wil in, of zich daarnaar voegend.
De betekenis van een en ander is, dat ieder levensverband zich kenmerkt door een bepaalde bestemming, een bepaalde roeping die in de schepping (-struktuur) besloten ligt en zich opdringt aan de mens. Voor de kerk is dat de verkondiging van Gods' Woord in zijn volle lengte en breedte en diepte en hoogte(!) Voor de school is dat de opleiding, de overdracht van kennis en ervaring. Voor de onderneming is dat het (op een verantwoorde wijze) produceren en/of verhandelen van goederen. Voor het gezin is dat de opvoeding, waarbij het voorleven van Gods' wet en bedoeling met ons leven (inklusief het voorleven van liefde) voorop moet staan.
(Valenkamp spreekt over het gezin als over een 'warm nest'.)
Verhoudingen tussen levensverbanden
Nu gaat het ons in dit artikel om het schetsen van een reformatorische visie op staat en samenleving. We kunnen dus niet stoppen met een schets van de eigengeaardheid van
de levensverbanden. Want aldus verkrijgen we nog geen enkel zicht op de verhoudingen tussen al die levensverbanden, noch op de rol van de overheid bij dat al.
Toch helpt de nadruk op de eigen aard der levensverbanden ons al een heel eind op weg. Zij geeft voeding aan de gedachte van de zelfstandigheid van die levensverbanden t.o.v. elkaar.
Het valt bijvoorbeeld moeilijk in te zien op welke grond de kerk, lettend op haar eigen typische taak, zich met de school zou bemoeien - en omgekeerd. Immers: het opleiden, de overdracht van kennis en ervaring is haar in principe wezenvreemd, en omgekeerd - het funktioneren van de school kenmerkt zich niet door de verkondiging van Gods' Woord en de bediening van de sacramenten.
Was dat wèl het geval, dan zouden we de reken-, lees- en schrijflessen, de aardrijkskunde, biologie e.d. van het lesrooster moeten schrappen!
Vanzelfsprekend is er een wisselwerking tussen de verschillende levensverbanden, tussen school en kerk bijvoorbeeld, en zijn er wederzijdse belangen.
Vanzelfsprekend is de kerk en zijn de kerkmensen blij met de oprichting van een (goede) christelijke school, en verdrietig over de teloorgang van een andere, van oorsprong christelijke, school. Maar de wisselwerking en de wederzijdse belangen gaan niet zover, dat de kerkeraad orde op zaken mag stellen op de school.
Evenmin behoort, omgekeerd, het schoolbestuur in te grijpen in het kerkelijk leven.
Deze verhouding van de zelfstandigheid van de samenlevingsverbanden wordt algemeen aangeduid met de term 'souvereiniteit in eigen kring', een term van Abraham Kuyper. Deze visie is naderhand, vooral theoretisch, uitgewerkt door Herman Dooyeweerd, één van de 'vaders' van de reformatorische wijsbegeerte. De best leesbare introduktie, zover mij bekend, treft u aan in Van Riessen's Maatschappij der Toekomst, hoofdstuk 3. Het is overigens opmerkelijk, hoezeer momenteel wordt teruggegrepen op deze 'leer' omtrent de zelfstandigheid van de samenlevingsverbanden (dat heeft alles te maken met de crisis van wat we zo fraai aanduiden als de 'verzorgingsstaat').
Zo sprak prof. Douma onlangs over 'verschillende (goddelijke!) ambten met elk hun eigen beheer' 2) In zijn maidenspeech als RPF -senator sprak prof. Schuurman over 'verschillende gemeenschappen met onderscheiden verantwoordelijkheden of ambtsdiensten'. 3)
Ook binnen het CDA trachten alsnog diverse mensen een lans te breken voor deze visie men zie de bijdragen van o.m. prof. Klapwijk en prof. Dengerink in CD-Verkenningen.
(de eerlijkheid gebiedt me om erbij te zeggen, dat pet er erg op lijkt, dat ze een 'verloren strijd' voeren, althans wat betreft het CDA; gelukkig vinden hun pleidooien elders wèl weerklank!) De verschillende samenlevingsverbanden zijn niet aan elkaar onder of bovengeschikt, maar nevengeschikt.
De bevoegde instanties van die organen hebben géén verantwoording af te leggen aan elkaar, behalve natuurlijk voorzover ze op elkaars terrein komen (bijvoorbeeld: afdracht van loonbelasting e.d.; van de kerk aan de staat). Wèl zijn ze verantwoording verschuldigd, en zelfs in de eerste plaats, aan de Here God, de ene Souverein, op aarde en in de hemel.
De term 'souvereiniteit-in-eigenkring' is, aldus bezien, niet zo gelukkig gekozen; alleen voor God is sprake van souvereiniteit.
Men bedoelt met deze term echter tot uitdrukking te brengen,
a. dat de samenlevingsverbanden ten opzichte van elkaar 'souverein' (zelfstandig 'heersend') zijn, en
b. dat ze dat gezag ontlenen aan het van Godswege ingestelde ambt, waarin de Souvereiniteit Gods zich weerspiegelt.
Het begrip 'souvereiniteit in eigen kring' (s.i.e.k.) fungeert in de reformatorische visie als een richtinggevend beginsel. Dat wil zeggen: voor zover die s.i.e.k. (nog niet bestaat, moeten we die nastreven, zo goed als in ons vermogen ligt en rekening houdend met de historische situatie waarin we ons bevinden. Maar ook omgekeerd: overal waar die s.i.e.k. wordt ondermijnd, moeten we waarschuwen voor de vernietigende gevolgen daarvan. Uiteraard moeten we er ook alles aan doen, om het goede te behouden, wat ons is toevertrouwd.
Want, dit mag vaststaan: het navolgen van het s.i.e.k.-beginsel kán bijdragen tot het voorkomen van machtsconcentratie en machtsmisbruik, kán strekken tot ontplooiing en opbloei van het leven in al zijn rijke verscheidenheid. En, last-but-not-least, het draagt bij tot het besef dat de levensverbanden, en derzelver gezagsdragers, voor Gods' aangezicht moeten kunnen bestaan. Men heeft verantwoording af te leggen aan Hem, en aan Hem alleen, de ene
Souvereine Heer van heel de schepping en al wat daarin is.
Wat dit beginsel van de s.i.e.k. betekent voor de verhouding tussen de staat en andere samenlevingsverbanden, komt hierna nog uitvoeriger aan de orde.
Verhoudingen binnen een samenlevingsverband
Moge het s.i.e.k.-beginsel enige rem betekenen op concentraties van macht en alle nare gevolgen vandien, toch zijn daarmee niet alle problemen 'uit de wereld'!
Van Riessen introduceert een tweede richtinggevend beginsel voor de inrichting van de samenleving: het beginsel van een harmonieuze balans van gezag en vrijheid in de relaties binnen een levensverband.
Positief gesteld, betekent dit dat de gezagsdragende instantie - bestuur, kerkeraad, overheid - haar beleid erop richt dat de leden van dat levensverband hun roeping, conform de eigen aard van dat verband, zo goed mogelijk vervullen kunnen.
"Hij moet, daar zo goed als elders zijn gaven en talenten zo goed mogelijk tot ontplooiing kunnen brengen.
Daartoe is hij geschapen. De voorwaarde daarvoor is voor hem en voor allen in deze gemeenschap een vrijheid tot eigen verantwoordelijkheid, die typisch bij hem past. Het gezag nu dient deze vrijheid, het maakt er ruimte voor en beschermt haar. Dit gezag' moet dus voor ieder streven naar een optimale vrijheid. Niet meer, want dan wordt de samenhang in de gemeenschap bedreigd en dan wordt de mens overbelast, zodat de gemeenschapstaak niet goed meer gediend wordt. Anderzijds ook niet minder, omdat daardoor mogelijkheden van de mens onbenut blijven. In het licht van dit laatste en gelet op het feit, dat teveel vrijheidsruimte ontbindend werkt, kunnen wij ook zeggen, dat in de praktijk het gezag t.o.v. de ontzagdragers de taak heeft hun vrijheid te maximaliseren. Daarmee stelt het de goede balans in."
En verder: " ... dat de balans tussen gezag en vrijheid in 'n samenlevingsverband noch een nivellerende noch een starre mag zijn. Voor ieder dient een andere balans overeenkomstig de eigenheid van de betrokkene, ingesteld te worden. En deze balans moet ook soepel zijn, opdat zij onder andere omstandigheden en afhankelijk van de ontwikkeling van de betrokkene opnieuw ingesteld kan worden."
Aldus Van Riessen in zijn 'Maatschappij der Toekomst', p. 84/85 (cursiveringen van mij, AWB).
We gaan er op dit moment maar aan voorbij, dat een herwaardering van de begrippen 'gezag' en 'ontzag', een eerherstel van 'gezagsdragers' en een herbezinning op de verhouding tussen 'gezags-' en 'ontzagsdragers' dringend geboden is. Te vaak en te gemakkelijk worden 'gezag' en 'macht' - en vooral dan misbruik van macht - aan elkaar gelijk geacht.
Daarmee raken de van Godswege gegeven roeping voor alle leden van een samenlevingsverband, èn het van Godswege ingestelde ambt voor de 'dienende heren' van dat verband, uit het zicht of in diskrediet.
In de volgende artikelen over de verhouding tussen overheid en burger komen we nog wel terug op die begrippen 'gezag', 'ontzag' e.d.
1) Bedoeld is hier het algemene begrip 'kerk' wèl te onderscheiden van een konkrete kerk (of gemeente, van Christus!) in uw of mijn woonplaats.
2) In de 129ste dies-natalis-rede van de Hogeschool te Kampen. Volgens het Nederlands Dagblad van 7 dec. '83 wondt deze rede opgenomen in een dit voorjaar te verschijnen publicatie 'Politieke Verantwoordelijkheid' (Van den Berg; Kampen).
3) Zie Nieuw Nederland (RPF-orgaan) van december '83.
De in dit artikel verwezen literatuur
Zie de voetnoten 2 en 3.
Verder alleen:
- H. van Riessen, Maatschappij der Toekomst, 1952/1973, 5e dr., Franeker.
- M. Valenkamp.