Terugkeer van de zeventig
1984-02-17
"Verheugt u, dat uw namen staan opgetekend in de hemelen,"- Jaargang 28
- nummer 7
(Lucas 10 : 20)
Hoelang de evangelisatiereis van de zeventig geduurd heeft, weten we niet. Vermoedelijk niet al te lang, vijfendertig groepen van twee man kunnen snel een heel gebied afwerken, en er was immers haast bij!
Maar na verloop van tijd keren ze nogal enthousiast bij Jezus terug.
Over alles wat hen opgedragen en toegezegd was spreken ze niet, maar wèl zijn ze vól over een ervaring, die ze boven verwachting hebben meegemaakt: "Zelfs de boze geesten onderwierpen zich aan ons in Uw Naam!" Ze zijn zelf verbaasd en verrukt over zó grote kracht van de Naam van Jezus. Ze spreken Hem nu dan ook aan als de Heer, de Kurios. Ze zijn er diep van overtuigd, dat alleen de Naam dit heeft uitgewerkt. Een ander wapen hadden ze niet en hebben ook wij nog niet.
De Naam, de gepredikte, doorgegeven, uitgeroepen en aangeroepen Naam! Daardoor worden verdoolden gered, bedroefden getroost, schuldigen bevrijd, zieken genezen en boze geesten verdreven, uit mens en samenleving.
Hebben zij, die deze Naam opheffen daar zelf nog wel fiducie in?
Dat is een vraag naar de éne kant.
En een vraag naar de ándere kant is: hebben we oog voor de boze geesten, die het leven terroriseren, voor de daemonisering van de samenleving?
Kijken we er niet te licht tegen aan, ook bij evangelisatie, en tillen we er niet te licht aan? We hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de boze geesten in de lucht, heeft Paulus ons gezegd, en hij wist waarover hij het had!
Maar al te vaak denken we bij "evangelisatie" aan zo iets als een ijverig gesprek in de binnenkamer, bij een geurig kopje koffie en een schemerlamp, - maar het is een keiharde business!
En dat was het vooral reeds ten tijde van Jezus op aarde. Het gevecht met de daemonen, die het denken zo vergiftigen.
Als we niet oppassen laten we ons in onze tijd met het Evangelie terugdringen tot binnen de kerkmuren en leggen we er ons bij neer als de Naam niet meer buiten de zondag treedt. Terecht is op een dergelijke tendenz gewezen in de discussies over het voorontwerp van de antidiscriminatiewet.
Binnen huis en kerk en zondag mogen we dan nog wel onze zielezaligheid behartigen, maar het brede terrein van het leven daarbuiten wordt langzamerhand des duivels!
In plaats van des HEREN, zoals een psalm belijdt van de aarde en haar volheid.
Maar het is nog niet te laat! Zeventig mannen als lammeren tussen de wolven met maar één wapen: de Naam van Christus! En ze komen verbaasd en verheugd terug: ook de boze geesten blijken hen onderworpen te zijn! Het is nog niet te laat, zolang er in Babel nog drie zijn, die het beeld van de staatsalmacht niet willen aanbidden. En zolang er nog zevenduizend zijn, die de knie voor Baäl niet buigen. En zolang er nog zeventig de Naam niet verzwijgen.
En dat getal is voor uitbreiding vatbaar: zeventig of twee-en-zeventig en zeventig maal zeventig!
Er is een tijd geweest, dat we niet meer zo dachten aan boze geesten.
Het is in een algemeen gekerstende wereld zelfs tot overwonnen bijgeloof verklaard. Koningen regeerden bij de gratie Gods en wetten werden uitgevaardigd in Gods Naam. Openbare gebeden werden overal gedaan, Maar wat is dat corpus christianum in onze tijd snel afgebrokkeld! Hoeveel heidens ongeloof, dat onderhuids toch nog voortleefde, breekt nu openlijk naar buiten. Het ziet zijn kans schoon om wraak te nemen op wat men nu noemt "de christelijke onderdrukking"
en "de kerkelijke terreur" van eeuwen. Vandaag worden de bordjes verhangen en we komen steeds meer in de situatie van schapen onder de wolven. Gebonden duivelen breken los.
Wordt dit het einde van het "duizendjarig rijk" zoals in onze kring dit rijk uit Openb. 20 veelal gezien wordt?
Maar toch... die Naam, zo heilig, groot en goed! Die Naam, zo machtig en bevrijdend!
En dan staat Hij daar zelf, de Drager van die Naam en Hij kijkt zijn discipelen in de ogen, en Hij zegt: "Jullie vertellen Mij niets nieuws, lang voor dat jullie op pad gingen en je triumfen vierden heb Ik de satan, de Grote Tegenspeler, al als een bliksem uit de hemel zien vallen. Bij de verzoeking in de woestijn, waar niet Ik maar hij ten val kwam. En ook later, telkens weer, als Ik over hem zegevierde.
En dat gaat door tot de laatste overwinning over de Boze en al zijn boze geesten". Dát is dus de achtergrond van de successen van de zeventig. De zaak van satan staat er hopeloos voor. Hij heeft in de hemel geen been meer om op te staan. En hij weet het. Daarom gaat hij nog zo geweldig te keer op aarde. Daarom verhevigen zich in onze tijd de tegenstellingen.
En daar kunnen we 't nog moeilijk genoeg mee krijgen! Niet altijd kunnen we ons verblijden over "successen" ... vaak hebben we te worstelen met teleurstellingen.
Maar, zo zegt Jezus hier, de harten omhóóg, opwaarts ten hémel, want dáár zijn de beslissingen al gevallen.
Wat zien we daar? De satan eruit, uit de hemel en wij er in, in de hemel!
Verheugt u veelmeer daarover, dat uw namen staan opgetekend in de hemelen! Satan mag geen naam meer hebben in de hemel, maar Gods kinderen en Jezus' volgelingen mogen daar een naam hebben! Een naam, die daarboven niet meer doorgehaald wordt. Niet omdat die naam van ons zo heilig is en goed, maar omdat "de aanklager der broeders is nedergeworpen" (Openb. 12 : 10) en "als wij gezondigd hebben hebben wij een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige; Hij is een verzoening voor onze zonden, maar niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld" (1 Joh. 2: 1, 2). Is dat geen geweldige stimulans voor evangelisatie en zending? o de satan blijft ons de voet dwarszetten, als we daarmee bezig zijn, maar we mogen "hem overwinnen door het bloed van het Lam en door het woord van ons getuigenis" (Openb. 12 : 11).
Het gaat bij de evangelisering van het Koninkrijk Gods om de Naam en onze naam. Onze naam geschreven in de hemel en Jezus' naam verkondigd op de aarde. Maak dat nooit van elkaar los. Judas heeft ook duivelen uitgeworpen, maar zijn naam stond niet opgetekend in de hemelen.
En als de andere discipelen niet staan in het geloof in Jezus' overwinning, dan moet Lukas een hoofdstuk eerder nog hun echec vermelden van de vergeefse poging de boze geest uit te drijven uit een bezeten jongen (9 : 37-43).
Achter Jezus aan (of ook voor Hem uit) worden ons grote beloften gegeven van macht over slangen en schorpioenen, ja tegen de hele legermacht van de vijand (v. 19), maar vergeet nooit, dat we de Heer, de Kurios, vóór en achter ons hebben! Dat houdt ons klein en geeft ons tegelijk moed.
"De God des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden.
De genade van onze Heer Jezus zij met u!" (Rom. 16 : 20).
De satan onder onze voeten. Maar God zal het doen. En Christus' genade is u genoeg.