Verwondering en navolging
1984-02-17
De vorige keer hebben we gezegd, dat het "moeten" van het gebod en het "mogen" van het voorrecht elkander slechts in Christus op een harmonieuze manier kunnen ontmoeten.- Jaargang 28
- nummer 7
Ook de harmonie van "moeten" en "mogen" behoort tot de dingen, die Christus voor ons heeft verworven. Ook die harmonie behoort tot de grote vernieuwing van ons leven, zoals die door de Heilige Geest wordt uitgewerkt.
Om dit geschenk voor ons te kunnen verwerven moest de Here Jezus eerst als de Knecht des Heren in deze harmonie LEVEN.
De Bijbel spreekt daar dan ook van. Op een wijze die altijd weer onze eerbiedige verwondering moet opwekken.
Het “moeten" als voorrecht - de Christus
In het leven en werken van onze Here Jezus Christus is het "moeten" alles-beheersend. We treffen dat al aan in de geschiedenis van de twaalfjarige Jezus in de tempel.
Jezus vraagt daar aan Jozef en Maria: "Wist gij niet, dat Ik bezig moet zijn met de dingen mijns Vaders?" Het gaat daar om een "moeten", "behoren" naar Gods wil of opdracht, zoals Prof. Greijdanus zegt. En toch bemerken we hier - Luk. 2 : 40-52 - al overduidelijk, dat het "moeten-van-Godswege" voor de Here Jezus een grote vreugde en een verlustiging betekent, een vervulling van zijn hoogste verlangen. Ons veel gehoorde zinnetje "Dat moet nu eenmaal" is bij onze Here totaal ondenkbaar. Een wonderlijke harmonie van "moeten" en "mogen", van gebod en voorrecht!
In Joh. 4 : 34 treffen we een wonderlijk woord van onze Here aan: "Mijn spijze is de wil te doen desgenen, die Mij gezonden heeft en zijn werk te volbrengen".
Aan de ene kant de wil, het gebod, van Christus' grote Zender, dat volbracht moet worden; aan de andere zijde het gaan zitten aan de tafel om te eten en te drinken tot verzadiging! Het eerste brengt ons in de sfeer van het allerhoogste "moeten"; het tweede brengt ons in de sfeer van wat we uit onszelf, spontaan, aanvoelen als een behoefte om daar dan ook graag aan te voldoen! Voor onze Here Jezus is het eerste als het tweede, het "moeten" als een eigen behoefte, de gehoorzaamheid als een gretig toetasten! Wat een wonderlijke harmonie van gebod en voorrecht!
Tot Zacheus zegt de Here Jezus: " ... want heden moet Ik in uw huis vertoeven". In dat "moeten" staat weer Gods wil en opdracht centraal. Zie Luk. 19 : 5.
Daarnaast mogen we vernemen, dat de Here met ontferming bewogen werd over de weduwe van Naïn, die haar enige zoon moest uitdragen, en dat Hij die zoon opwekte uit de dood. Hier valt de nadruk op het hartelijke, het diepgemeende, het spontaan-liefdevolle in het optreden van Christus. Zie Luk. 7 : 11-17.
We mogen naar mijn overtuiging de beide elementen over de beide geschiedenissen en over alle àndere evangelie-berichten uitstrekken. Al die geschiedenissen van Jezus' grote daden zijn vervuld van het heiligste "moeten" èn van de diepst-gemeende spontane hartelijkheid, van het gebod van God èn van het liefdevolle verlangen om te helpen! De Here deed het werk, dat de Vader Hem had opgedragen.
Maar Hij had zich dat gebodene op een volmaakte manier eigen gemaakt! Het wàs Hem eigen.
De wonderlijke volheid van een woord eenmaal door David gesproken: "Ik heb lust om uw wil te doen, mijn God; uw wet is in mijn binnenste" (Ps. 40: 9).
Wéér: De wonderlijke harmonie!
De mens als "antwoordelijk" wezen
God heeft deze harmonie bedoeld, toen Hij de mens schiep. De mens werd geschapen - om een mooie uitdrukking van Prof. H. Berkhof te gebruiken - als antwoordelijk wezen. Hij was ertoe bestemd antwoord te geven op het Woord van zijn Schepper en om in al zijn leven en werken dat antwoord te zijn. Hij is geschapen voor het Verbond. Buiten dat Verbond is het mensenbestaan ontregeld, gebroken, gebonden in zonde. De mens-op-zichzèlf is een drogbeeld van wat de Here met die mens had bedoeld!
De zondeval is gekomen. De zonde werkt overal door. Ook in de proeven van mensbeschouwing, die ons voor ogen worden gesteld.
Altijd weer wordt de mens beschouwd als een wezen, dat in zichzelf en op zichzelf àf is. Of - wat bescheidener - als een wezen, dat in de gemeenschap met andere mensen naar zijn volheid op weg is. Altijd weer kan de naam van de Here worden gemist bij de omschrijving van het wezenlijke van de mens! De abnormaliteit wordt dan het wezenlijke!
Denkt u vooral niet, dat je deze gedachten alleen maar aantreft bij grote denkers: filosofen, anthropologen, sociologen en nog andere "ogen". Neen, deze gedachte zit de zondige mens in het bloed. Dat kun je ook helaas in de kerk nog heel goed merken. Vooral als je iemand moet vermanen om een verkeerde levensrichting of levenskeus.
Dan staat het erg duidelijk vóór je: Mijn leven was zo mooi àf en compleet! Maar nu komt de Here er tussen! Hij wil er ook nog ingepast worden. Maar dat wordt "wringen". En dan wordt het heilige "moeten" zo vaak aangevoeld als iets dat ons vreemd is, als een inbraak, als een klap met een stenen tafel, zoals iemand het in een wrange zinspeling op de Wetgeving eens noemde.
In onze Here Jezus staat vóór ons de Zoon van God en tegelijk de mens-naar-Gods-bedoeling. Hij is niet de mens-op-zichzelf. Hij is niet de mens, die God "binnenlaat" op een bepaald punt van de weg, die hijzelf al had uitgestippeld.
Hij is ten volle de antwoordelijke mens, die leeft vóór en vàn het doen van de wil van de Vader. Geen deeltje in de ruimte van zijn leven is aan God onttrokken.
Geen puntje in de diepste diepte van zijn hart! Wij kunnen dat niet begrijpen. En dat niet-begrijpen houdt ons de spiegel van onze zonde voor!
"Plicht" en "Neiging"
Volgens de grote wijsgeer Immanuël Kant bestaat er een diepe tegenstelling tussen handelen "aus Pflicht" en handelen "aus Neigung".
Op de achtergronden van die gedachte zullen we niet ingaan.
In die diepte zou de lezer spoedig verdrinken (de schrijver trouwens ook!). Toch is er in die tegenstelling ook iets, dat ons direct aanspreekt!
Bij het handelen "uit plicht" denken we aan iemand, die met zijn rede inziet wat behoorlijk is, die vervolgens de wilsbeslissing neemt om naar dat inzicht te handelen en die deze wilsbeslissing ook uitvoert. Een dergelijk handelen mag volgens Kant "zedelijk" worden genoemd. Bij het handelen "uit neiging" denken we aan iemand, die terechtkomt waar de "zwaartekracht" van zijn pakket-aan-neigingen-en-verlangens hem heenvoert. Zo iemand noemen we al gauw "wil-loos". We denken aan een verslaafde. Waar nu het redelijke inzicht en de wilsbeslissing ontbreken, daar is volgens Kant geen sprake van zedelijk handelen. Daar heerst alleen maar een soort neigingen-zwaartekracht en je kunt de zwaartekracht toch zeker niet als iets "zedelijks" beschouwen!
Vandaar de onderscheiding "aus Pflicht" - "aus Neigung"!
Hier kunnen we Kant eigenlijk heel goed volgen! We zouden zijn tegenstelling kunnen overnemen!
Waarom kunnen we dat zo gemakkelijk?
Omdat wij telkens weer de ervaring opdoen, dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen onze weloverwogen wilsbeslissingen enerzijds en datgene wat we zouden doen, als we ons verlangen werkelijk uitleefden, aan de andere kant! Tussen het gebodene en ons handelen zit altijd weer een kloof, of - op zijn minst - een drempel.
En die drempel moeten we "nemen" door een uitdrukkelijke beslissing van onze wil! Tussen onze neiging en ons handelen zit daarentegen helemaal geen kloof en zelfs geen drempel. Je komt van het eerste naar het tweede als iemand die op een glijbaan zit!
De ervaring van die "drempel" is echter tegelijk de ervaring van ons zondaar-zijn!
Om dat laatste te begrijpen, moeten we op onze Here Jezus zien!
Heeft Hij de jongeling van Naïn opgewekt "uit plicht" of "uit neiging"?
Die vraag is op zichzelf al oneerbiedig en geeft blijk van een totaal verkeerde benadering!
We beseffen best, dat we hier een tegenstelling-van-ons aan de Here opdringen. Voor Hem bestaat ons "Of - Of" niet! Neen, onze tegenstelling hoort thuis in een zondige wereld!
"Ik heb lust om uw wil te doen, mijn God ... " - harmonie van genegenheid, neiging, erkenning van het gebod, gehoorzaamheid!
De grote Immanuël Kant heeft wel gerekend met de mens-in-déze-wereld.
Maar hij dacht niet aan de schepping. Hij dacht niet aan het Verbond. Hij is helaas te weinig toegekomen aan zijn eigen vóórnaam!
De Here beveelt ons, dat we Hem en onze naaste zullen liefhebben.
Hij beveelt de liefde! Hij beveelt ons de harmonie van het heilige "moeten" en de diepste genegenheden van ons hart!
Maar wat komen ook wij Kant's tegenstelling vaak slecht te boven!
Navolging
We lezen en horen over onze Here Jezus Christus met verwondering.
We leren onze zonde kennen. Dat is goed. Maar daarbij mogen we niet blijven staan. De Here vraagt van ons návolging. De Geest van Christus eigent ons toe wat we in Christus hebben. En Hij eigent ons dat toe door ons dingen te gebieden, die we niet in ons hebben, die we uit onszelf niet kunnen en niet eens willen. Dat is het wonder van de Geest en zijn werk!
Ik denk weer aan Rom. 13 : 8-10.
Paulus somt daar enkele geboden op. Het "Gij zult ... " staat duidelijk voor ons. Het zevende, zesde, achtste en tiende gebod krijgen we letterlijk te horen. En al deze geboden zijn samengevat in dat éne: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. En deze liefde wordt ons voorgehouden als de vervulling van de wet! Alles overbekend!
Maar wat een verbazingwekkende volheid: "Gij zult" - het gebod en de gehoorzaamheid in zijn verschillende vertakkingen; daarin, daarbij en daardoorheen de liefde - hart, genegenheid, neiging. Een grote harmonie inderdaad! Maar nu in een gebod aan ons!
Wij zouden willen zeggen, dat we het niet kunnen! Dat mogen we ook zeggen! Maar we mogen het niet zeggen in een tégenspraak tegen Gods Woord. Dan zouden we lijken op een verlamde, die het "Sta op en wandel" van de Here Jezus heeft gehoord en die dan vraagt, of de Here niet ziet, dat dat onmogelijk is! Tegenspraak in ongeloof!
Als Hij gebiedt, dan kunnen wij.
Uit Hem!
Maar hoe gaat het nu in de praktijk met die navolging? En hoe moeten we gaan om op dat pad te blijven? Daarover de volgende keer!