Léven .....in vertrouwen, vrijheid en verantwoordelijkheid
1984-02-17
Ondanks het feit, dat het voor u liggende artikel het vierde deel is uit een serie, hoeft u toch niet terug te schrikken voor lezing ervan. Het is zonder moeite te volgen, ook als u geen kennis hebt kunnen nemen van de voorgaande artikelen. - Jaargang 28
- nummer 7
In dit hoofdstuk staan we allereerst stil bij de vraag wat de staat nu eigenlijk tot 'staat' maakt. Wat is het eigene, het kenmerkende van het samenlevingsverband 'staat'? En wat is de taak van de overheid, het gezagsdragend orgaan in een staat?
Vervolgens letten we op de grenzen van die taak en op de omstandigheden waaronder alsook de wijze waarop die grenzen mogen worden overschreden.
Die beschouwingen monden uit in een slotartikel over de noodzaak tot optimalisatie van de vrijheid voor de burger, terwille van kultuurontplooiing.
Een christen en de staat
Wat is nu eigenlijk de 'staat'? De vraag stellen is gemakkelijker dan haar te beantwoorden.
Intuïtief hebben we wel enig besef van wat de staat is, maar om dat onder woorden te brengen, is heel wat anders.
Bestaat de staat inderdaad bij gratie van een 'sociaal verdrag', zoals Rousseau leerde? Anders gezegd: is de staat niet meer dan een samenlevingsverband, waarbinnen (souvereine) burgers met elkaar afspraken maken, waarbij een gekozen overheid heeft toe te zien op de naleving daarvan? De hamvraag bij deze (socialistische) visie op de staat/overheid is echter, vanwaar de overheid dan haar bevoegdheid heeft om (toch) in te grijpen in die situaties, waarvoor geen afspraken zijn gemaakt, ofwel omdat de situatie geheel nieuw is, ofwel omdat men geen afspraak heeft kunnen maken bij gebrek aan overeenstemming?
Of is de (extreem) liberale versie juist, dat de staat slechts de minimale taak heeft om de individuele vrijheden en rechten van de burgers te garanderen, en niet meer dan dat? Met welk recht zou de overheid zich dan bemoeien met bijvoorbeeld kultuur, of met rekreatie of met maatschappelijk werk? Met welk recht zou ze zich richten op sociale vraagstukken?
Waarom zouden de vrije burgers zelf niet in staat zijn op die terreinen 'orde op zaken' te stellen/ bewaren? De 'vrije markt' van vraag en aanbod' zorgt toch voor een goed evenwicht?
Nogmaals: wat is de 'staat' eigenlijk?
En wat is de rol van de overheid?
Welke grond is er eigenlijk voor een christen om het bestaan van een staat, en het gezag van een overheid, te accepteren?
Het simpele feit dat hij (of zij) als burger van de Nederlandse staat is geboren, is toch onvoldoende grond om die staat en het gezag van de (in dit geval: Nederlandse) overheid te aanvaarden! Welke grond dan wel?
Het mag misschien wat bevreemding wekken om vraagtekens te plaatsen bij zoiets alledaags 'als een staat annex overheid, die we als vanzelfsprekend ervaren ...maar is het wel zo vanzelfsprekend?
Er zijn immers ook oprechte christenen, die kortweg stellen dat Gods' Koninkrijk niet van deze wereld is, en dat we ons dus maar niet zoveel gelegen moeten laten liggen aan zo'n aardse overheid: het gaat hen wat te ver om tot verzet op te roepen, maar aktief bijdragen tot het goed funktioneren - volgens welke maatstaf ook van die overheid, bijvoorbeeld door te stemmen, of door politiek aktief te worden via een partij, dat doen ze ook niet. 'Het Koninkrijk der Hemelen heeft niets gemeen met het Koninkrijk der Nederlanden' - zo redeneren zij. (En juist dáárin vergissen zij zich zeer, en doen ze zowel Christus als iedere volgeling van Christus tekort!).
Er zijn ook christenen, die menen dat de kerk als 'dienaresse Gods' (mede) tot taak heeft de rol van een aardse overheid te vervullen.
Eeuwenlang heeft deze gedachte geheerst in de Katholieke Kerk; Vatikaanstad is een overblijfsel van die mening. Ook nu nog, in sommige gereformeerde kringen, bestaat deze voorkeur voor een 'kerkstaat' nog wel (als uitvloeisel van de theokratische gedachte, met als keerzijde van die 'medaille' de opvatting, dat de staat ook taken van de kerk zou behoren te vervuIlen - onder verwijzing naar art. 36 NGB).
Kennelijk is het bestaan van een staat, en de acceptatie van een overheid dus niet zó vanzelfsprekend als je op het eerste gezicht zou denken!
Als we een antwoord zoeken in de Bijbel - en we zijn dan op een goed spoor! - dan nog is het niet gemakkelijk. Zeker niet als we zouden zoeken naar enkele teksten, die ons klaar en helder zouden openbaren hoe wij over de staat en overheid hebben te denken, zoals die anno heden bestaan.
De Here God geeft ons in Zijn Woord wel een groot aantal aanknopingspunten:
-de Here zelf stelt Mozes aan tot leider van het volk Israël bij de Uittocht uit Egypte (Ex. 2, 3).
-Mozes krijgt van zijn schoonvader Jethro het advies tot het aanstellen van 'godvrezende, betrouwbare mannen' als 'overste', die Mozes terzijde moeten staan in de rechtspraak over 'kleine zaken' (Ex. 18: 13 e.v., m.n. vs. 18!).
- nadat het volk Israël eenmaal in Kanaän is gekomen, stelt de Here telkens 'richters' (= rechters) aan, die in Zijn dienst optreden.
- dan na het 'In die dagen was er geen koning in Israël; ieder deed wat goed was in zijn ogen' (Richt. 21 : 25), komt het veelzeggende antwoord van de Here op de roep van het volk Israël om een koning: Hij stuurt Samuël op pad om Saul te zalven (1 Sam. 8, 9, 10), ondanks het feit, dat het volk Hem heeft verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn' (1 Sam. 8 : 7) 1)
Al deze schriftplaatsen uit het Oude Testament wekken de indruk dat het naar Gods' wil was, dat er enige vorm van een overheid - hoe rudimentair ook - ontstond bij het volk Israël - Zijn verkoren Volk!
Het Nieuwe Testament draagt stellig bij tot bevestiging van die indruk:
- het was gehoorzaamheid van Jozef en Maria aan de (heidense) keizer Augustus, die vervuiling bracht van de profetie dat de Messias in Bethlehem geboren zou worden.
- de Here Jezus ontzegt Pilatus zijn aardse macht niet, ook al wijst hij hem er wel met niet mis te verstane woorden op, dat die macht hem van God gegeven is (Joh. 18 : 11).
- ook de welbekende uitdrukking 'Geeft dan de keizer wat des keizers is' (Matth. 22 : 21) maakt maar al te duidelijk dat Jezus niet gekomen is om revolutie tegen het romeinse rijk te prediken; evenzo duidelijk is het dat dit niet ten koste mag (behoeft te) gaan van de gehoorzaamheid aan God: 'geef Gode wat Gods is' (zie ook Hand. 4: 19).
- vervolgens: Rom. 13 maakt maar al te duidelijk dat de overheid een instelling Gods is, 'u ten goede'.
en tot slot: de oproep tot voorbede en dankzegging voor , ... koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid' ... spreekt zulks niet boekdelen?
Men lette op de cursieve woorden: leider, oversten, richters, koning, keizer, aardse macht, romeinse rijk, overheid een instelling Gods.
Zit daar geen lijn in?
Samenvattend mogen we stellen, dat de Bijbel ons het bestaan van een (aardse) overheid openbaart als iets dat overeenstemt met Zijn Wil, met Zijn plan met de schepping.
Dan ga ik er hier en nu maar aan voorbij, welke les we in dit verband mogen leren uit onze vaderlandse geschiedenis: de betekenis van Willem van Oranje - de prins van Oranje - is niet met een paar woorden weer te geven.
Taak van de overheid
Ook geven de genoemde schriftplaatsen een indikatie van de taak van die overheid; telkens gaat het om het verschaffen van recht, en ook om het weren en het bestraffen van kwaad, van onrecht. Denk aan Rom. 13 - zie art. 36 NGB.
En let op de vele, vele malen dat de Here bij monde van Zijn profeten aan de leiders van het volk (de oudsten) verwijt, dat ze geen recht doen aan weduw, wees en ontheemde, dat ze met ongelijke maat meten (de rijke naar de ogen zien) etc.
Je zou het zo kunnen zeggen: het is de taak van de overheid om recht te bevorderen en onrecht te bestrijden. Er zou nog veel te schrijven zijn over deze omschrijving/ typering van de overheidstaak (in feite zijn er dan ook vele dikke boeken over geschreven; volgens de literatuurlijsten in de boeken, welke aan het slot van deze artikelenserie ter lezing zullen worden aanbevolen).
Hier-en-nu' slechts enkele opmerkingen: 1. De term 'recht' is beperkt tot het 'publiekrechtelijke': de overheid moet een onrechtvaardige bejegening op het publieke erf bestrijden (geen 'klassejustitie' bijvoorbeeld), maar moet zich erbuiten houden als op privaat terrein onrecht geschiedt (bijv.: 'voortrekken' van één van de kinderen door een ouder).
2. 'Recht bevorderen' is iets totaal anders dan 'recht handhaven'!
Het eerste vraagt om aktie, om oplettendheid, om vooruitzien, teneinde te kunnen (blijven) regeren.
3. Vanwege het tweede deel van de gegeven omschrijving van de overheid staak gebruikten onze christelijke voorouders wel de uitdrukking, dat de staat, de overheid er was 'om der zonde wil', ter beteugeling van het kwaad. Waarlijk, een gedachte om (lang) bij stil te staan, temeer als daarbij bedacht wordt wat we in het vorige artikel al schreven over de ontplooiing en verrijking van de kultuur, mits de richtinggevende beginselen van de 'souvereiniteit in eigen kring' en van de 'balans tussen gezag en vrijheid' als richtsnoer worden aangehouden.
Het onderhouden van recht en gerechtigheid en het weren van onrecht door de overheid, dienen ook in het teken te staan van het vervullen van de kultuuropdracht, door burgers en overheid tezamen.
Overheid: houd je bij je leest
Overeenkomstig het eerder besproken beginsel van de 'souvereiniteit in eigen kring', moeten we ook aan de overheid de spiegel voorhouden omtrent haar funktioneren.
Respekteert ze voldoende de eigen geaardheid van de diverse andere samenlevingsverbanden, zoals daar zijn: kerk, school, gezin, bedrijf, vereniging ... ?
Of heeft ze veeleer de neiging om haar invloed uit te strekken naar alles wat binnen haar bereik ligt?
Er zijn goede argumenten te geven voor het laatste. Er zijn stellig even zo veel sterke argumenten aan te voeren voor de stelling, dat daaruit de (stilzwijgende) invloed van het socialistisch denken blijkt.
Dengerink spreekt over een 'infektie' door een 'vorm van personalistisch socialisme' binnen het 'Calvinistische kamp' (1980, p. 69).
En Van Riessen waarschuwde reeds in het begin van de jaren 50 - de jaren met de diverse kabinetten Drees - voor een ontwikkeling van de samenleving in de richting van het 'collectivisme', samengaande met de opkomst van een 'nihilistische massamens'!
(Maatschappij der Toekomst, hdst III).
En inderdaad valt moeilijk aan de konklusie te ontkomen, dat de overheid zich in de afgelopen 30 jaar niet heeft laten leiden door het beginsel van de 'souvereiniteit-in-eigen-kring', en dat als gevolg daarvan de zaak op diverse fronten 'muurvast' zit.
De overheid heeft metterdaad bemoeienis gehad met velerlei sektoren: de ekonomie (loon- en prijsontwikkeling, steun aan bedrijven, nationalisaties), het onderwijs (mammoetwet, leidende tot dikwijls grootschalige - dus anonieme scholengemeenschappen; opgelegde 'demokratisering', als ware de school een 'parlementairdemokratische (mini-)staat'), de pers en de media (steun aan dagbladen), het verenigingsleven (sporthallen, zwembaden, kantines, tennisbanen ... ) tot subsidies voor voetbalclubs toe!), het gezinsleven (bijv. de diverse regelingen wat betreft de onderlinge (gezags)-verhoudingen binnen het gezin), 'nationalisatie van het maatschappelijk werk (inkl. de daarmee verbonden 'professionalisering' c.q. dekonfessionalisering; toenemende bureaukratische rompslomp) enz. enz.
Vooral op sociaal-ekonomisch terrein zit de zaak nu muurvast. Er is een zo omvangrijk bouwwerk van rechten/plichten opgebouwd, dat een dringend gewenste sanering alleen maar mogelijk lijkt door een geheel nieuw bouwwerk van de grond af op te zetten. Maar vooralsnog lijkt de bereidheid daartoe gering, nog daargelaten of de overheid erin zal kunnen slagen het verzet van de verscheidene belangengroepen daartegen te breken.
En dan nog blijft de fundamentele vraag of een dergelijk centrale en dirigistische aanpak van de sociaal-ekonomische problematiek (op den duur) tot een goede oplossing leidt.
Wij menen van niet. We vervallen echter ook niet in de liberale visie 'laisser faire, laisser aller'; 'lekker jezelf zijn' en 'opkomen voor jezelf'.
Wél pleiten we voor eerherstel van richtinggevend beginsel van de 'souvereiniteit -in -eigen- kring' .
Overheid, houd je bij je leest.
Bevorder recht en bestrijd onrecht.
Inderdaad - het zij van meet af aan duidelijk gesteld - het bevorderen van recht e/o het bestrijden van onrecht kán met zich meebrengen, dat een overheid ingrijpt in de gang van zaken in andere samenlevingsverbanden. Bijvoorbeeld ter bestrijding van armoede e/o uitbuiting, tot behoud van werkgelegenheid, ter wegneming van enige vorm van onderdrukking binnen het gezin, tot verhindering of beperking van excessen in het kader van diakonale en maatschappelijke hulp vanuit de kerken.
Maar, en dat moet met nadruk gesteld worden, zulks mag per se niet betekenen dat de overheid de diverse verantwoordelijkheden, geheel of ten dele, overneemt.
Integendeel: als er al een noodsituatie zich voordoet in enig samenlevingsverband, waarbij overheidsingrijpen terwille van het (on-)recht geboden is, dan nog dient het overheidshandelen erop gericht te zijn zichzelf zo spoedig mogelijk overbodig te maken! Dat is de clou van alle overheidshandelen buiten het terrein van recht of onrecht.
De overheid moet zich zoveel mogelijk beperken in haar funktioneren t.o.v. andere samenlevingsverbanden.
Ze moet zoveel mogelijk zich terughouden, en blijven bij haar taak: het bevorderen van recht, het bestrijden van onrecht.
Als ze dat niet doet, dan is het vrijwel zeker, dat ze al gauw 'al te rechtvaardig' wordt... denk aan het huidige stelsel van sociale zekerheid, dat bol staat van 'rechten', maar waarin maar al te gemakkelijk voorbij wordt gegaan aan echte nood. Dat wil niet alleen zeggen, dat bij het verlenen van (sociale) hulp te zelden wordt gevraagd naar de nood welke gelenigd moet worden (zodat de zotte situatie bestaat dat in het ene huishouden rijk geleefd wordt van meerdere uitkeringen, terwijl in een ander huishouden 'gesappeld' moet worden op basis van één inkomen uit - soms harde arbeid).
Dat wil óók zeggen dat sociale hulp maar al te vaak gereduceerd is tot (louter) financiële hulp, met voorbijgaan van de echte nood: het schrijnend gebrek aan (mede-) menselijkheid! Aan naastenliefde!
Op zichzelf valt de overheid daarin niet te scherp te veroordelen: ze kan niet anders of beter! Wat kán ze méér bieden dan financiële bijstand, wát méér dan strak gereglementeerde en min-of-meer anonieme maatschappelijke ondersteuning.
De overheid kan naar haar aard (struktuur) nooit de plaats innemen van een warmbloedig, méélevend medemens, zelfs niet als ze vertegenwoordigd wordt door haar beste onderdanen!
Kortom: overheid, houd je bij je leest.
De gedane oproep aan het adres van de overheid is geen doel in zichzelf. Integendeel.
Het is een middel tot kultuurontplooiing, in gehoorzaamheid aan God.
Er zijn voorbeelden uit de geschiedenis aan te voeren, die de gedachte voeden, dat het respekteren van de zelfstandigheid van de samenlevingsverbanden staat, kerk, school etc. metterdaad bijdraagt aan ontplooiing van de kultuur.
Denk bijvoorbeeld aan de opbloei van de kultuur na de verwerping van de kerkelijke hiërarchie van de (duistere) Middeleeuwen (voor meerdere voorbeelden, zie Maatschappij der Toekomst, p. 90/91).
Als waar is, dat een (zelfstandige) verhouding tussen de samenlevingsverbanden bijdraagt tot kultuurontplooiing, temeer geldt dat voor de verhoudingen binnen een samenlevingsverband. In ons geval gaat het met name om de relatie overheid-burger. En dat is aan de orde in een volgend artikel.
1) 1 Sam. 8, m.n. de verzen 6 e.v. zijn niet goed te begrijpen, zonder ook Deut. 17: 14-20 (richtlijnen voor het aanstellen van een koning) erbij te betrekken (o.a.)