"Confessiones" en conclusies
1984-02-24
De vorige keer hebben we het gehad over de geboden harmonie van "plicht" en "neiging", van "moeten" en "mogen". Maar wat komt daar in onze dagelijkse levenspraktijk van terecht?- Jaargang 28
- nummer 8
En hoe moet de strijd van het geloof hier gevoerd worden?
Ellips en cirkel
Laat ik beginnen met een bekentenis, een "confessio" zou Augustinus zeggen.
Ik word vrij vaak 's zondags met een beklemd gevoel wakker. Dan zie ik erg op tegen het houden van de preken. Dat was zo toen ik net begonnen was. Dat is na zo ongeveer 2500 preken nog precies eender.
Goede vrienden zeggen troostend, dat het zo juist goed is. Dan wordt preken tenminste geen sleur, geen routinewerk. Maar deze goede vrienden doen me wèl altijd denken aan de chirurg, die op een diepe pijnklacht van een pas geopereerde patiënt reageert met de uitroep: Fijn, fijn! Een bewijs dat er léven in zit!
Een uitstekende opmerking. Maar neem het de patiënt eens kwalijk, dat hij liever een ànder "teken van leven" zou willen ontvangen!
Maar afgezien daarvan... het ergste is, dat ik dan telkens weer kom te vallen onder de afgewezen tegenstelling van de wijsgeer lmmanuël Kant. Want ik ga dan naar kerk en preekstoel toe "aus Pflicht", maar niet "aus Neigung". Ik ken mijn plicht tegenover de mensen en tegenover God. Maar ik zie er zó tegen op, dat ik helaas niet kan beweren, dat mijn "genegenheên branden"! De verworpen kantiaanse tegenstelling staat weer recht overeind!
Wat staat me dan te doen? Iets dat toch ook weer erg simpel is. Eerst de negatieve kanten. Ik mag er niet in berusten, dat ik mijn "plicht" doe op een farizeeërs-manier. Ik kan er ook niet aan denken als een libertijn de "vrijheid" te verkiezen en de zondag-viering aan mijn negativiteit aan te passen... over "viering" gesproken!
Ik pleeg te bidden - en dat vaak in de vorm van een "schiet-gebed" -, dat mijn neigingen en genegenheden zich mogen voegen naar wat ik als mijn plicht erken. En ik' mag ook telkens weer ervaren, dat dat gebeurt.
Al gaande en doende word ik gewaar, dat het "moeten" ook weer een "mogen" wordt en het dienstwerk een voorrecht. Ik beleef dan weer, dat Johannes gelijk heeft, als hij zegt: "En zijn geboden zijn niet zwaar" (1 Joh. 5 : 3).
Telkens weer besef ik heel ver "achter" te zijn bij wat de Here wil en gebiedt. En dat ik dat als het ware met hart, wil en gemoed moet "inhalen".
Maar dat "inhalen" gebeurt ook echt! En dan eindigt de overweging met beschaamdheid en dankbaarheid - de dubbel-slotsom, waartoe het "kleine begin" van Antwoord 114 Heid. Cat. ons brengt.
Ik denk vaak aan een meetkundige figuur. Aan een ellips. Zoals u zult weten heeft een ellips twee brandpunten.
En naarmate die brandpunten verder van elkaar liggen is de ellips platter, schrieler en dunner.
Telkens weer liggen de brandpunten van Gods gebod en van onze geneigden genegenheden vèr van elkaar.
Maar daar is door Gods genade beweging in te brengen!
Als we ons biddend concentreren op de "gezindheid" van Christus (Phil. 2 : 5 evv.), op de "genade" van Christus (2 Kor. 8 : 9), op de "barmhartigheden" van God (Rom. 12 : 11 dan komen de brandpunten naar elkaar toe, beter gezegd: dan komt het tweede brandpunt naar het eerste toe.
Dan wordt de ellips ronder en voller.
Dan komt langzamerhand in zicht de volmáákte ellips, waarin de beide brandpunten op elkaar vallen. En dat is dan de cirkel.
Die cirkel was - met eerbied gesproken - altijd aanwezig in het leven en werken van Christus. Wij zijn daarheen op wèg. Wij moeten daarheen ook telkens weer op weg gaan!
Ik ben blij, dat ik steeds' weer bewaard ben voor een valse keus! De keus tussen farizeeër en libertijn, de keus tussen "moeten-als-dwang" en "mogen-als-losbandigheid". Ik ben blij, dat ik steeds weer op weg mag zijn om de harmonie "in te halen".
Verontrusting over het "dwang-gevoel"
Boven dit artikel staat "Confessiones".
Dat is het méérvoud van "confessio", bekentenis. Er moet er dus nog één komen. Nu uit de tijd, dat ik in de kerk aan de andere zijde van de preek-lessenaar placht plaats te nemen, "onder de schare" dus.
Ik heb wel eens een tijd gehad, dat ik niet naar de kerk wilde. Nu ben ik nooit een type voor de barricaden geweest. Ik staakte dus niet, maar ik maakte wèl - nogal gemeen!- mijn ouders duidelijk, dat ik alleen maar ging omdat ik van hen moest.
Nog hoor ik mijn vader verzuchten: "Hoe vrolijk gaan de stammen op ... !". Maar wat mijn moeder eens deed heeft de meeste indruk op me gemaakt. Zij nam me apart en zei me, dat ze erg bezorgd was over die tegenzin van mij, en ik kon heel goed aan haar zien, dat dat wáár was. Ja, zij was bezorgd. Niet over het gebod van de Here, niet over het "moeten", niet over een veronderstelde "dwang" zo frustrerend voor het ontwakende gemoed! Wèl bezorgd over mijn tégenzin, over het feit dat ik - toch gekomen tot de dagen van het onderscheid - Gods geboden als een dwang en een last beleefde, over het feit dat het voorrecht van het dienen van de Here niet binnen mijn gezichtsveld kwam. Haar verontrusting heeft mij heilzaam mogen verontrusten!
Mijn moeder stond niet tegenover mij als een machthebster, die mij er zeker wel onder zou krijgen. Zij stond daar veel meer als iemand die on-macht beleed. Zij stond daar in een schijnbaar zwakke positie.' En in die positie sprak ze een woord, dat als een vishaak bleef zitten. In balorigheid kon ik echt nog wel eens een half kanaal wegzwemmen, maar de haak bleef zitten en ik werd toch weer teruggehaald. Haar vrees gaf me het heilzame maar ook schrikwekkende besef, dat er ècht iets te vrezen viel!
Wat was het goed, dat mijn moeder dat "eerste brandpunt" ongerept liet staan: het gebod van de Here. Dat bleef geheel buiten de discussie. Haar verontrusting richtte zich zuiver op de grote afstand tussen de beide brandpunten, tussen Gods gebod en mijn geneigdheden.
Zo werd haar woord voor mij tot een “Nathansvinger" (naar 2 Sam. 12:7): Niet het gebod, niet het "moeten", niet de zogenaamde "dwang", maar jijzèlf, jij bent die man!
Het gebod laten staan - vrees en bezorgdheid uitspreken! Hoe vaak gebeurt het omgekeerde! We komen als ouders zo vaak in de verzoeking zó benauwd te zijn voor ieder woord, dat aan vrees of onmacht doet denken, dat we - om dat toch vooral te voorkómen - het gebód gaan aanpassen!
Een schijnbaar sterke positie.
In werkelijkheid schuldig-zwak.
Enkele conclusies
We moeten komen tot een besluit van dit artikel en van de hele reeks. Door de Bijbel, door de ouderlijke opvoeding, door studie-en-praktijk heb ik enkele dingen mogen ontdekken, die voor mijzelf een "regel-karakter" hebben aangenomen. Ik wil ze graag nog eens samenvatten en doorgeven.
Het gaat daarbij niet om volledigheid.
Het gaat zeker niet om "drankjes", die we maar hebben te slikken om "succes" te hebben. Het is en het blijft een weg van gebed en van strijd.
(1) Wijs uzelf en anderen (de kinderen) op de barmhartigheden Gods in Christus Jezus onze Here. In die weg en in die weg alléén zullen we kunnen ontkomen aan de valse keus: Of voor farizese slaafsheid Of voor libertijnse losbandigheid!
(2) Wees beschaamd zonder wanhoop en wees dankbaar zonder voldaanheid, als u ervaart dat wij altijd nog en steeds weer op weg zijn en op weg gaan naar de door de Here gewilde harmonie. Steeds op weg van de platte ellips naar de volle cirkel!
(3) Laat het eerste "brandpunt" staan: het gebod van de Here. Strijd ervoor, dat het tweede brandpunt - onze geneigdheden - naar het eerste toekomt. Ook hier weer de strijd in beschaamde schulderkenning en in dankbare blijmoedigheid. Tracht nooit enig probleem op te lossen door een devaluering van het gebod.
(4) Laat uw verontrusting zich nooit richten op het gebod van de Here, maar altijd op de àfstand tussen de beide brandpunten, op het feit dat het gebod als een last en een dwang wordt aangevoeld en ervaren.
(5) Durf waar dat nodig is voor uw vrees en bezorgdheid uit te komen.
Daarin laat u het gebod van de Here op zijn ereplaats staan. Daarin bekent u uw eigen onmacht om wat u als juist ziet ook in het leven van anderen (de kinderen) dóór te zetten.
Daarmee haalt u ook de verhouding ouders-kinderen uit de wereldse competitie-schematiek (Wie zal het tenslotte “winnen”?), Een woord van bezorgdheid heeft iets in zich van Psalm 27: 10: Er komt een punt waarop vader en moeder mij moeten verlaten. Het heeft ook iets in zich van een "stellen voor het aangezicht des Heren". Een dergelijk wijs en nederig woord doet een kind alle agressiviteit verliezen en inzien, dat er wèrkelijk iets te vrezen valt en dat het allemaal geen spèl is!
(6) Reageer kritisch op de vaak gehoorde bewering, dat men altijd tot kerkgang en andere zaken gedwongen werd en dat er dáárom niets van overgebleven is. Natuurlijk kunnen we niet instaan voor de onschuld en de wijsheid van de desbetreffende ouders. Wèl behoren we te zeggen, dat voor iemand, die de Here niet kent en liefheeft als onze Vader in Christus, èlk gebod àltijd en óveral als een dwang zal worden aangevoeld.
Slechts in Christus ontkomt men aan deze klacht.
Zo hebben we enkele dingen naar voren gebracht. Enkele dingen uit de Bijbel. Enkele dingen van mijn ouders.
Enkele dingen uit mijn eigen leven.
Enkele grepen en opmerkingen. Ik hoop, dat er iets bij was dat verhelderend mocht werken.