Kerklied en gemeente (1)

1984-02-24
  • Jaargang 28
  • nummer 8

Inleiding
Aan het eind van mijn artikel over liturgie en gemeente, gaf ik reeds het begin aan van een nieuw onderwerp nl. over het kerklied. Intussen heeft ds Waagmeester hierover in Opbouw geschreven. Veel daarvan heeft mijn instemming, hoewel ik op enkele punten nog terug zal komen.

De gemeentezang is ons aller aandacht waard, omdat we er elke zondag mee geconfronteerd worden.
Daarom is het goed de geschiedenis en het gebruik van het kerklied onder de loep te nemen.
Met de zang in de eredienst dienen we op een bewust doelmatige wijze bezig te zijn. God troont immers op onze lofzangen.
In de Ned. Geref. Kerken is te weinig eenheid op het punt van wat we in de kerkdienst kunnen en mogen zingen.
Ds Waagmeester heeft reeds een opsomming gegeven van de variatie die er op dit gebied heerst. Met deze situatie zouden we geen vrede moeten hebben. Duidelijk is wel dat de standpunten in onze kerken te ver uiteen liggen.
Om de discussie over de funktie van het kerklied nog wat meer op gang te brengen en de standpunten als 't kan dichter bij elkaar te laten komen, wil ik bovenstaand onderwerp van alle kanten belichten.

Geschiedenis
Het Boek der Psalmen heet kort samengevat in het Hebreeuws "Tehillim", dat betekent "lofprijzen".
In de psalmen looft de gemeente God om Zijn grote daden.
Ons geloof leert niet alleen loven maar ook danken, hetgeen zich richt tot God en de ander.

In het Boek der Psalmen komt ook de smeking naar voren. De gemeente (1)belijdt schuld, roept uit angst en nood, vraagt om uitredding. Toch is de smeking nooit zonder lof en dank.
Deze drie doordringen elkaar. De gehele schepping wordt in de lofprijzing betrokken. De muziekinstrumenten vinden hun plaats in de eredienst om ook als zodanig dienstbaar te worden gemaakt aan de lof van God.
Psalm 150 onderstreept dat nog eens door een opsomming te geven van de muziekinstrumenten naar hun soort.
In het Oude Testament komen behalve in het Boek der Psalmen nog andere psalmen voor. Men noemt die Cantica. Enkele voorbeelden hiervan zijn: De liederen van Mozes uit Exodus 15 en Deut. 32; de lofzang van Hanna uit 1 Sam. 2; Jona's dankgebed (Jona 2 : 2-10); het gebed van Habakuk (hoofdstuk 3).
De drie cantica uit het Nieuwe Testament die het meest bekend zijn en van oudsher in calvinistische kring aanvaard, zijn de lofzang van Zacharias, het Benedictus uit Luc. 1 : 68-79; de lofzang van Maria, het Magnificat uit Luc. 1 : 46-55; de lofzang van Simeon, het Nunc Dimittis uit Luc. 2: 29-32. Veel andere gedeelten uit het Nieuwe Testament geven sterk de indruk als lied bedoeld te zijn, de lofzeggingen uit de brieven van Paulus, de lofzangen uit de Openbaring van Johannes, gedeelten uit de evangeliën die een aanzet geven om te worden gezongen (denkt u daarbij aan de wonderen en de gelijkenissen van de Here Jezus).
Samenvattend kunnen we zeggen dat de opstanding van Christus het nieuwe lied doet ontstaan.
Zo telt het Liedboek voor de Kerken 115 bijbelliederen die allemaal bij een bepaald bijbelgedeelte passen.

De eerste christenen
De eerste christenen zongen de psalmen onberijmd.
Men noemt dat een psalmodie, die door een cantor (voorzanger) gezongen werd. Aan het eind van een vers zingt de gemeente uitroepen, zoals "halleluja" of "amen".
Deze zingwijze tussen cantor en gemeente of tussen twee groepen is "zingen in beurtzang" (zie ps. 136).
We kunnen verder aannemen dat de griekse muziek invloed gehad heeft op de zang van de eerste christenen.
We denken dan aan het griekse volkslied en het religieuze lied.
Het staat nu wel vast dat er verband bestaat tussen de eenstemmige recitatieve zang in de eredienst, het zgn. Gregoriaans, dat zich in de eerste eeuwen ontwikkelde en de joodse psalmodie.
Paus Gregorius 1 (590-604) heeft de Gregoriaanse muziek verzameld en geordend.
Naast het Gregoriaans vinden we in de oudheid (- ± 500 na Chr.) de hymnen (lofzangen) die soms al veel op onze kerkliederen lijken. Ambrosius, bisschop van Milaan (± 340-397) is voor hun ontwikkeling van groot belang. Hij is de vader van de kerkzang in het westen. Zijn hymnen getuigen vooral van de overwinning van het licht op de duisternis. Zulke lofzangen noemt men "ambrosiaanse hymnen", ook al zijn ze niet altijd van zijn hand. Enkele gezangen noem ik uit deze periode: gez. 197, een paashymne uit de 6e eeuw, gez. 370 van Ambrosius, gez. 371 en 372 die Christus en het licht bezingen. Deze voorbeelden geven éénzelfde opbouw te zien, nl. die van kort-lang, vier per regel en vier regels per strofe.

Middeleeuwen
In de Middeleeuwen wordt het Gregoriaans steeds ingewikkelder van vorm. Daardoor begint het koor de gemeentezang te overstemmen. Men zingt slechts uitroepen en op bijzondere feestdagen een hymne.
In deze tijd moeten we vooral denken aan de geestelijke stroming van Franciscus van Assisi (1182-1226).
Nadat hij Matth. 10 had horen voorlezen besloot hij te leven in armoede en omzwerving. Dat was volgens hem de navolging van Christus. Hij predikte dit tegen de verwereldlijking van de kerk in met het laatste oordeel als ernstige achtergrond.
Toch predikte hij ook de blijdschap van het geloof.
Gezang 278 is een hymne die over hu laatste oordeel gaat. "Dies irrae, dies illa", stamt uit de Middeleeuwen, terwijl Franciscus er de geestelijke vader van is.
"Veni creator spiritus" (Kom Schepper, Geest) is de meest beroemde latijnse Pinksterhymne uit de ge eeuw (gez. 237) en later ook bewerkt door Luther (gez. 239).
Thomas van Aquino (1225-1274), de grootste theoloog van de Middeleeuwen heeft een hymne over het Heilig Avondmaal nagelaten, Het is gezang 352.
Een verschijnsel dat zich in de Middeleeuwen nog voordoet is het volgende.
Zoals reeds eerder gezegd, de gemeente zong de uitroepen "Alleluia" en "Kyrie".
Er werden vaak meer tonen op één lettergreep gezongen. Men noemt dit melismatisch, in tegenstelling tot de hymne die grotendeels syllabisch is, nl. één lettergreep op één toon. Zo ontstond langzamerhand de gewoonte de lange melisma's bij sommige woorden op te vullen met nieuwe tekst, die een poëtische vorm krijgen, zich uitbreidt over verschillende strofen. De melodie krijgt op deze manier ook een andere vorm. Zo ontstaat de zgn. sequentia.
Enkele voorbeelden uit het Liedboek zijn: gezang 238 Veni sancte spiritus, het reeds genoemde gezang 278 en een Duits lied dat verwant is aan eeu paas-sequentia.
In de latere Middeleeuwen ontstaat uit de lange tonenreeksen van het woord Kyrie een bijzondere vorm van het geestelijk volkslied, nl. de Leis.
We noemen gez. 145 Nu zijt wellekome, gez. 174 ik wil mij gaan vertroosten, gez. 200 Erschienen ist der herrlich Tag, gez. 212 Halleluja, de blijde toon, gez. 471 Ik heb gejaagd, wel jaren lang.

Reformatietijd
De reformatietijd brengt grote veranderingen in het kerklied. De gemeente gaat weer zingen zonder bemiddeling van koor of priester en antwoordt in lof en dank, belijdenis en smeking. Er is in het kerklied in de 16e eeuw één centrum, nl. God en zijn daden, en zijn werk in Jezus Christus. Alles draait om de tekst.
De melodie maakt de woorden levend.
Men spreekt nog niet van componist, maar van melodist. De melodieën werden samengesteld uit bestaande melodische brokstukken en formules. De bouwstenen hiervoor zijn genomen uit het Gregoriaans, de hymnen, het geestelijk en het wereldlijk volkslied. Luther en Calvijn gebruikten voor het instuderen van de liederen met de gemeente kerken kinderkoren. Het zingen werd geleid door een cantor.
Het orgel werd voor de begeleiding van de zang nog niet gebruikt.
Wij zullen nagaan wat de reformatoren en hun medestanders voor het kerklied in de 16e eeuw betekend hebben.

Luther
Voor Luther is het zingen van de gemeente toetssteen van het echte geloof .. Muziek kan ook helpen het geloof te wekken. De gemeentezang is een stuk prediking. Hij heeft deze gedachten volledig in praktijk gebracht door het vertalen en bewerken van voorreformatorische liederen, terwijl hij daarnaast nieuwe liederen maakte, o.a. op motieven van psalmen, zoals psalm 46 - gezang 401 Ein fes te Burg ist unser Gott, psalm 130 - gezang 19 Aus tiefer Not schrei ich zu dir.
Luther maakte voor zijn eigen kinderen een lied voor het kerstfeest, gezang 133. Hij breidde een Middeleeuwse Antifoon (keervers, dat een psalm inleidt en afsluit) uit met twee strofen, gezang 272 Mitten wir im Leben sind. Van het Gloria in de Mis maakte Luther een lied, gezang 254 Allein Gott in der Höh sei Ehr.
Het Credo werd bewerkt tot gezang 331, Wir glauben all an einen Gott.
Gezang 24, Jesaja dem Propheten es geschah, werd bewerkt naar het Sanctus.
Rond Luther was grote kerkmuzikale activiteit. Ik noem de volgende liederen: gezang 122 Nun komm, der Heiden Heiland, van hemzelf, gezang 188 0 Lam van God onschuldig, gezang 375 All morgen ist ganz frisch und neu.

Calvijn
Calvijn (1509-1564) is de grondlegger van onze psalmbundel. Een verbod om gezangen te zingen vinden we bij hem niet, maar hij gaf wel de voorkeur aan de psalmen in de eredienst.
"De psalmen zullen ons kunnen aandrijven onze harten tot God op te heffen en ons in gloed te zetten, alsook om Hem aan te roepen en door lofprijzing de eer van Zijn Naam te verhogen", aldus Calvijn.
Hij liet de psalmen berijmen door Marot en De Bèze. Louis Bourgeois en Pierre Daques stelden de melodieën Samen. Het overgrote deel daarvan is afgeleid uit hymnen en uit het Gregoriaans.
Enkele melodieën zijn verwant aan volksliederen. In 1562 kwam de volledige psalmbundel klaar. Er is een grote eenheid in opzet en stijl.
Twee notenwaarden met overeenkomstige rusten worden gebruikt.
De melodieën zijn krachtig en welluidend, het ritme is pittig.
De psalmen moeten zeer waarschijnlijk in het tempo van de polsslag worden uitgevoerd (= 72 per minuut).
In ons land waren de "Souterliedekens" van Willem van Zuylen van Nyevelt sinds 1540 geliefd. Het beekje bevatte psalmberijmingen, die gezongen konden worden op populaire wijsjes. Daarom hebben de kerken ze niet aanvaard, evenals psalmberijmingen van Jan Utenhove, die te weinig dichterlijk vermogen bezat en van Lucas de Heere, die de Souterliedekens te werelds vond. Maar de berijming van Petrus Datheen haalde de kerken wel en wist zich te handhaven tot 1773.
Datheen begreep beter dan wie ook wat het volk nodig had. Zijn hoofdbron waren de psalmen van Marot en Beza.
Hij volgde ook dezelfde melodieën.
De Dordtse Synode van 1578 verklaarde Datheens psalmberijming bindend in de kerken.

In de 2e helft van de 16e eeuw zijn de liederen van Nikolans Herman (1480-1561) belangrijk. Hij was zowel dichter als componist. Zijn melodieën gaan terug op middeleeuwse geestelijke en wereldlijke voorbeelden.
Een prachtig lied voor de kersttijd is gez. 147 Looft God, gij christnen, maakt Hem groot. De verhouding van woord en toon in dit lied is hecht.
Gez. 200 "Erschienen ist der henlich Tag" is een paaslied en waarschijnlijk ook uit het gregoriaans afgeleid.
Gezang 209 heeft dezelfde melodie, maar de tekst is van Tom Naastepad.
De naam van Nikolaus Herman is verder nog verbonden aan de gezangen 270, 302, 316, 373 en 384.
De predikant Philip Nicolai (1556-1608) heeft enkele wereldberoemde liederen nagelaten. In Unna, waar hij predikant was, zag hij dagelijks 20 à 30 slachtoffers van de pest langs zijn pastorie ten grave dragen, zoals hij zelf schrijft.
Er wordt met zijn liederen een andere periode ingeluid. De kerkliederen uit de reformatietijd werden gekenmerkt door de aanwezigheid van het ene centrum van God en Zijn werk in Jezus Christus.
Gaandeweg komt er een tweede centrum bij, nl. de mens en zijn geloof.
Bij Nicolai kondigt de verschuiving van het centrum zich al enigszins aan.
Zijn liederen zingen van een vurige liefde tot Christus, zie gez. 157 "Wie schön leuchtet der Morgenstem"
en van een hartstochtelijk verlangen naar Gods toekomst, zie gez. 262 "Wachet auf, ruft uns die Stimme".

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief