Zijn de vertalers betrouwbaar?

1984-02-24
  • Jaargang 28
  • nummer 8
De vorige keer (zie Opbouw 2-12-'83) werd duidelijk dat de mens,en die er zich voor hebben ingezet de bijbel uit het Hebreeuws en het Grieks weer te geven in onze dagelijkse omgangstaal, niet aan een gemakkelijk werk begonnen zijn.
Dit hangt samen met het doel dat zij zich hebben gesteld en de methode die daarvoor vereist is.

Zij willen immers in de gewone taal van alle dag de schriftuurlijke inhoud van Hebreeuwse en Griekse woordverbindingen en uitdrukkingen weergeven en zijn dan vaak gedwongen een greep te doen naar een volkomen vrije weergave, in ieder geval te kiezen tussen verschillende mogelijkheden.
Aan de voorbeelden die ik tot dusver gaf, wil ik in dit slotartikel nog enkele opmerkingen toevoegen over de vertaling van Efeze 1. Daarin treedt het grote verschil aan het licht tussen de methode die de Statenvertalers was voorgeschreven en de praktijk van de Groot Nieuws Bijbel. De Statenvertalers waren gehouden de Hebreeuwse en Griekse zegswijzen, zo enigszins mogelijk, te bewaren en bij een onvermijdelijk vrijere vertaling de letterlijke uitdrukking in een kanttekening op te nemen. Was in het Nederlands een toevoeging in de tekst noodzakelijk, dan moest deze in een ander lettertype en tussen haakjes worden geplaatst. Zo strikt waren deze vertalers gebonden aan de woordelijke grondtekst. Ook mochten in de kanttekeningen wel korte verklaringen worden opgenomen om duistere uitdrukkingen toe te lichten of de gevolgde vertaling te verduidelijken, maar leerstellige opmerkingen daaraan toe te voegen achtte de Synode noch noodzakelijk, noch raadzaam. Zo waakte de Synode in 1618 er voor, dat de vertalers in de verleiding zouden komen de vertaling van een bepaalde tekst geschikt te maken voor een of ander dogma.
Bovendien verzocht de praeses der Synode, ds Johannes Bogerman, de leden bij de benoeming der vertalers niet uitsluitend te letten op iemands bekwaamheid als theoloog of zijn kundigheid op het gebied van de talen, maar evenzeer op zijn vrome en heilige levenswandel. Zij moesten, zoals reeds in 1599 de synode van Zuid- Holland aan de andere particuliere synodes schreef, mannen zijn omtrent wie "de kercken verseeckert mogen van de gesondtheydt in de leere ende godtsaligheydt des levens".

Het eigen getuigenis van de vertalers GNB
Voor een oordeel over de betrouwbaarheid van de vertalers GNB zijn we geheel aangewezen op wat zij zelf zeggen in hun Verantwoording en op hun werk. Zij zijn immers niet benoemd door een of andere synode, maar aangezocht door het Nederlands Bijbelgenootschap en de Katholieke Bijbelstichting die voor deze arbeid samenwerken. Ook de Nieuwe VertaIing van 1951 was te danken aan het initiatief van het Nederlands Bijbel.
genootschap, Blijkt nu in de Verantwoording omtrent de gekozen methode van vertaling iets ten aanzien van de betrouwbaarheid der vertalers? Oordeelt u zelf! Van de "teksten zoals de bijbel die aanbiedt" zeggen de vertalers in hun Verantwoording "Deze teksten zijn ... geschreven vanuit een diep geloof en een grote betrokkenheid, en deze emotie willen ze bij de lezer overbrengen. Als men de ontvangende taal niet recht doet, brengt men een vervreemding teweeg tussen de lezer en de tekst.
En vervreemding staat een goede overdracht van de boodschap in de weg."
Wie deze uitspraak legt naast de zo juist vermelde regels die de Dordtse Synode voorschreef aan de Statenvertalers, moet zich wel geschokt voelen bij het (bijna letterlijk) hemelsbrede verschil dat hier aan de dag treedt. De vertalers willen immers in de GNB de 'emotie' van de bijbel schrijvers "bij de lezer overbrengen", terwijl het in de Statenbijbel vóór alles gaat om het overbrengen van het Woord dat God door deze schrijvers heeft bekend gemaakt.
Maar wacht u nog even met uw eindconclusies. Want in hun vertaling hebben zij hun visie niet laten heersen over de weergave van de tekst.

"Alles wat (in de Heilige Schrift) staat, is door God geinspireerd"
Na lezing van de Verantwoording was ik benieuwd, hoe dan wel 2 Tim. 3 : 16 in de GNB zou zijn weergegeven.
Ik herinnerde mij nl. dat in 1951 bij de verschijning van de Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap juist over de weergave van deze tekst nogal wat onrust ontstond. In de Statenvertaling lezen we: "Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig ... ". In de Nieuwe Vertaling werd deze voor heel de Schrift geldende uitspraak wezenlijk van karakter veranderd: "Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig ... ". In het algemeen vond men dat door deze vertaling het geloof in de Inspiratie der Heilige Schrift werd verloochend.
Hoe zeer bij de beoordeling van de Nieuwe Vertaling juist deze tekst centraal werd geacht, blijkt uit een overweging van een commissie-rapport op de synode van onze kerken in 1951 te Kampen. Daarin wordt voor de stelling "dat tegen de vertaling, voor zover zij reeds gepubliceerd is, gegronde bezwaren kunnen worden ingebracht" slechts één tekst ter illustratie aangehaald, nl. 2 Tim. 3:16!
En van déze tekst, die zo rechtstreeks te maken heeft met de opvatting omtrent het karakter van de Heilige Schrift waarvan de vertalers GNB in hun Verantwoording blijk geven, geven zij een vertaling die deze opvatting, naar mijn oordeel, lijnrecht weerspreekt!
De vertaling luidt nl. (2 Tim. 3 : 15, 16): "Van jongs af ben je vertrouwd met de heilige Schrift, waaruit je wijsheid kunt putten en die je redding kan brengen door het geloof in Christus Jezus. Alles wat hierin staat, is door God geïnspireerd en bruikbaar ... " .
Ziet u hoe de vertalers GNB geheel teruggekeerd zijn naar de vertaling zoals die in de Statenbijbel werd ge· boden? We kunnen moeilijk aannemen dat daarbij de vertaling van 1951 niet terdege is overwogen. Maar ongeacht die weergave en ongeacht hun eigen, nadrukkelijk uitgesproken, opvatting omtrent de positie van de bijbelschrijvers, meenden zij de Griekse tekst te moeten vertalen op gelijke wijze als de Statenvertalers.
Dat geeft wel aanleiding de vertalers GNB in hun bedoelingen betrouwbaar te achten.

Enkele opmerkingen over de vertaling van Efeze 1
Ook met de beste bedoelingen kan een vertaler toch bij zijn werk de invloed ondergaan van ideeën en op' vattingen die specifiek hem eigen zijn of, wat nog vaker het geval is, gemeengoed zijn geworden. In de vertaling GNB van Efeze 1, een hoofdstuk dat reeds wegens de ingewikkelde lange zinsbouw en de veelvuldige aaneenschakeling van woorden elke vertaler voor tal van problemen stelt, is dit duidelijk te constateren. De inhoud, de openbaring omtrent Gods genadige verkiezing van mensen, vraagt van de vertaler uiterste zorgvuldigheid in woordkeus. Voortdurend ziet hij zich geplaatst voor de moeilijkheid dat een Grieks woord nu eenmaal zelden naar al zijn aspekten door een Nederlands woord wordt weergegeven. Dus wordt hij gedwongen te kiezen: welk element moet in ieder geval worden bewaard en welke nuancering kan eventueel worden weggelaten?
Hierbij speelt, bewust of onbewust, eigen geloofsvoorstelling een grote rol. Dat treedt naar mijn mening ook aan het licht in de weergave van Efeze 1 in de GNB. Er zijn heel wat opmerkingen te maken. Enkele daarvan vermeld ik hier:

5 In zijn liefde had hij van tevoren beslist dat hij ons door Jezus Christus als zijn zonen zou aannemen.
Dat vond hij het beste, zo heeft hij het gewild.
6 Laten wij God prijzen om het grootse geschenk dat hij ons heeft gegeven in zijn beminde Zoon.

Heel deze weergave wordt beheerst door de gedachte dat alles wat in de tijd geschiedt reeds tevoren is vastgelegd in een besluit van verkiezing.
De liefdevolle genegenheid van God voor de mensen is door de gekozen termen vrijwel uit de tekst verdwenen.
God had van tevoren beslist... Dat vond Hij het beste, zo heeft Hij het gewild. De soevereiniteit van Gods handelen krijgt eenzijdig alle nadruk, terwijl de warme toegenegenheid van God tot de mensen die in zijn handelen zich openbaart, niet stralend aan de dag treedt.
Misschien zegt u: Maar vers 5 begint toch met de woorden: "In zijn liefde"?
Ja, dat is me niet ontgaan.
Maar het is juister te vertalen: "In liefde", waardoor alle aandacht valt op de activiteit van de liefde, die God tot handelen dreef. Zo staat het er ook in het Grieks. "In zijn liefde"doet meer denken aan een duurzame eigenschap. En de werking van die eigenschap komt verder in de vertaIing ook niet tot uiting. Maar in de oorspronkelijke tekst wel!
Hoe anders dan "beslist" en "vond het beste" met de toevoeging "zo heeft Hij het gewild" klinkt een vertaling: "In liefde had Hij al tevoren ons er toe bestemd zijn zonen te worden door Jezus Christus. Zo wilde Hij het in zijn toegenegenheid".
Natuurlijk bedoel ik niet, dat hiermee nu de enig juiste vertaling is gevonden. Maar merkt u, hoe een woord als "bestemmen" een heel andere betrokkenheid weergeeft dan "beslissen"? En "toegenegenheid" dan "vond het beste"?
En dat we bij "beslissen" aan een besluit moeten denken, blijkt zonder meer uit de vertaling GNB van de verzen 9-11:

9 Hij heeft ons het geheime wilsbesluit bekendgemaakt dat hij naar eigen goedvinden genomen heeft in Christus,
10 en dat hij ten uitvoer zal brengen wanneer de tijd er rijp voor is. Volgens dat besluit zal hij alles wat in de hemel en op de aarde bestaat onder één hoofd plaatsen: Christus.
11 In onze eenheid met hem hebben wij een erfdeel ontvangen. Zo is het van te voren beslist in het plan van God, die alles uitvoert zoals hij het wil.

Maar ook hier geeft het Grieks geen aanleiding om te spreken van een besluit, waarin alles tevoren is vastgelegd.
Integendeel, op God verheerlijkende wijze valt het volle licht op Gods heilswil tot redding der mensen.
Dat moge blijken uit de volgende vertaling, die overigens naar de door de GNB gevolgde methode door mij is ontworpen:

9 Hij heeft ons het geheim van zijn wil bekendgemaakt. Daarin handelde Hij naar de toegenegenheid waaraan Hij gestalte heeft gegeven in Christus.
10 Hij zal de volheid der tijden (of: de tijden die tot vervulling komen) doen aanbreken, waarbij Hij alles wat in de hemel en op de aarde bestaat onder één hoofd zal plaatsen: Christus.
11 In onze eenheid met Hem hebben wij ook een erfdeel ontvangen, daartoe voorbestemd naar het voornemen van Hem die alles ten uitvoer brengt, zoals Hij het naar zijn wil ontwierp.

Merkwaardig is ook dat de vertaling GNB, waarin zo sterk de nadruk wordt gelegd op Gods soevereine wilsbeschikking, anderzijds te kort doet aan het krachtig werken van God tot ons heil in deze wereld: "Laten wij God prijzen om het grootse geschenk dat hij ons heeft gegeven" i.p.v. "Opdat wij de heerlijkheid van zijn genade zouden prijzen" (vs. 6), waarbij de GNB de heerlijkheid van de deugd van God verlegt naar wat Hij gaf.
"Wanneer de tijd er rijp voor is" (vs. 10), dat Gods handelen daarin geheel onvermeld laat.
Ten slotte, de uit het zinsgeheel losgemaakte opwekking: "Laten wij God prijzen" (vs. 6; zie ook vs. 12) verlegt het accent naar het doen van de mènsen, terwijl Paulus uiteenzet dat God in zijn werken deze lofprijzing zoekt: "opdat wij de heerlijkheid van zijn genade zouden prijzen". Zoals de HEERE troont op de cherubs, als Hij woont te midden van zijn volk (Ps. 80 : 2; 99 : 1), zo troont Hij ook "op de lofzangen Israëls" (Ps. 22 : 4), omdat Hij zijn volk door zijn machtige daden bewaart en verlost (Deut. 10: 21): "Hij is uw lof", of, zoals de GNB terecht weergeeft - want het is een gebód van de HEERE -: "Breng hem hulde, hij is je God".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief