Zodat blijft wat niet wankel is

2011-07-08
  • Jaargang 55
  • nummer 14
Als de samenleving verandert - en hoeveel werd er niet anders in een halve eeuw! – dan zal dat toch ook de kerk niet ongemerkt voorbijgaan? Beweegt de kerk mee, om zo de Grieken een Griek te zijn of moet de christelijke gemeente flink tegengas geven – wel ín, maar niet ván de wereld? Stof genoeg voor nog één keer ‘ons’ Informatieboekje.

Met het oog op onze kerken noemt ds. Mudde in zijn jaaroverzicht een drietal verschuivingen (vanaf p.175). Ten eerste is het aantal kerken, waarin ruimte is gekomen voor de vrouw in het ambt sinds 2004, sterk toegenomen. Verder bezoeken steeds minder Nederlands Gereformeerden de middagdienst en tenslotte peilt Jan Mudde de veranderingen in de kerken als het gaat om de vragen rond homoseksualiteit. Op elk van de drie punten schuift het dus en steeds lijkt dat een verschuiving naar meer ruimte en minder binding. Betekent dat nu dat onze kleine orthodoxe kerk langzamerhand afdrijft naar de ruime zee van de vrijzinnigheid?

Contrasterende gemeenschap
Jan Mudde noemt in dat verband James Kennedy (historicus aan de VU), die in zijn boek Een stad op een berg de kerk typeert als een contrasterende gemeenschap. Je zou van daaruit kunnen denken: wat komt er van dat contrasterende terecht als de kerk zo soepel meebeweegt met de veranderingen in de samenleving? Tegelijk, wat levert het alternatief op: zoveel mogelijk vasthouden aan de vertrouwde vormgeving (liturgie, tweede dienst) en blijven bij de gangbare opvattingen (bijvoorbeeld ethische vragen)?
Valt in dat geval niet te vrezen dat het contrasterende gaat zitten op afgeleide kwesties?

Het hart
Jan Mudde ziet iets van een dubbele beweging voor zich. Het is aan de ene kant meebewegen met de veranderingen in de samenleving (inclusief opvattingen) en tegelijk steeds weer inzoomen op het hart van het evangelie – Christus en die gekruisigd. Ds. Mudde refereert hier aan het ’stééds wéér onderscheiden waarop het aankomt’ (Filippenzen 1:9-10). Anders gezegd: maak met deze dubbele dynamiek de veranderingen in de samenleving als het ware krijgsgevangen voor Christus (Efeziërs 4).
Daarop voortbordurend is er zelfs wel iets positiefs van zulke veranderingen te zeggen, namelijk dat ze de kerk kunnen bewaren voor vastroesten aan het geijkte en vertrouwde. Als de christelijke gemeente, vanwege dat wat verschuift aan kijk en opinie, een beetje uit het evenwicht raakt, is dat niet het ergste. Niet meteen de hakken in het zand, zou ik zeggen. Eerst maar eens zien of we positiever kunnen inspelen – misschien zelfs anticiperen – op zulke veranderingen. En dat dus steeds weer langs de lijnen, die lopen naar het hart van het evangelie.

Andere opvattingen
Vooral als het gaat om opvattingen in liturgische en ethische kwesties kan een doorgewinterd kerkmens zomaar in de kramp schieten. Terwijl je niet zelden ziet dat zo’n kwestie een paar decennia later als de gewoonste zaak van de wereld (meer nog: als de gewoonste zaak van de kerk!) wordt ervaren.
Jan Mudde noemt het vrouwenkiesrecht, de leerplicht en het gebruik van voorbehoedsmiddelen.
En hebben de meeste van onze kerken inmiddels ook niet de ervaring opgedaan, dat door vrouwelijke ouderlingen en diakenen de dienst aan de Heer en de gemeente rijker en gedifferentieerder is geworden? Winst dus, in plaats van verlies!

Pijn
De meeste pijn doet natuurlijk het derde punt, dat van de homoseksualiteit.
Jan Mudde wijst op de eenzaamheid van ieder die ontdekt dat het gewone leven er voor hem of haar waarschijnlijk nooit in zal zitten. De eenzaamheid is alleen al af te lezen uit de statistieken, als het gaat om zelfdoding en dat mag de christelijke gemeente niet onverschillig zijn. Goed dat er binnen onze kerken landelijk over de vragen rond homoseksualiteit doorgesproken wordt en hopelijk vindt dat wat weerklank in CGK en GKV.

Weerzin
Hier aangekomen wil ik nog wel even terug naar de voor ds. Mudde leidende tekst bij zijn artikel, Genesis 20. Ik realiseerde me dat ik eigenlijk nooit heb doorgedacht over het feit dat Abraham met zijn halfzus was getrouwd. In onze ogen is dat gewoon incestueus en in Leviticus 20:17 vind je daarvoor ook geen ruimte.
En neem vervolgens het polygame gedrag van koning Abimelech. Binnen het koninklijke kader van zijn dagen was dat ongetwijfeld ‘gewoon’, maar dat kader zelf roept bij mij niet anders dan een diepe weerzin op. Bah, wat een vernedering voor elke vrouw!
Maar wie denkt vervolgens niet aan David, die voortvarend aan zijn harem bouwde. Met schokkende momenten (2 Samuel 3:13-16), als David zijn ex-vrouw Michal terug laat halen. Strikt genomen neemt David terug wat hem is afgenomen, maar hij scheert wel langs het gebod uit Deuteronomium 24:1-4. Waarom staat er op zulke momenten niet, dat het een gruwel was in de ogen van de Heer? Maar het blijft stil.

Jezus
Beweegt de Here God soepeler dan wij als (kerk)mensen mee met soms schokkende gebeurtenissen en veranderingen in de samenleving en rekent Hij ruimer met de eigenheid van tijden en plaatsen? En gaat dat zo, omdat zijn handelen in een groter Kader staat, waar zo de naam van Jezus – God redt – aan verbonden is? Zou het kunnen dat wij dat grote Kader van Gods redding te snel uit het oog verliezen, als we ons teveel vastbijten in zaken, die spelen binnen de kleine kaders van ons leven? Of zoals een collega het onlangs schreef in de predikanten e-mailgroep: ‘Kunnen we niet gewoon, in navolging van de Bijbelverhalen, wat ruimhartiger omgaan met wat gegeven is in onze cultuur?’ Vragen genoeg.

Beweging
Tegelijk zie ik vanuit de kerkelijke praxis, dat we (ongemerkt?) niet anders doen dan meebewegen met wat in de samenleving gebeurt. Neem de homoseksualiteit en dan natuurlijk als er samengewoond wordt. In 23 gemeenten (p.177) mogen deze gemeenteleden het avondmaal meevieren en ik heb zelf ook nooit de gedachte gehad om zo iemand uit de avondmaalskring te weren. Maar deze gegroeide praktijk staat ver af van het gebod uit dat 20e hoofdstuk van Leviticus.
Daar wacht de doodstraf en als zoiets ergens in Afrika dreigt te gebeuren, ben ik zelfs van harte bereid om een protest e-mail richting zo’n regering te sturen.

Zegenen of niet?
We bewegen dus mee. Sommigen onder ons is dat duidelijk te veel, anderen te weinig. Want als je echt meebeweegt, dan zou je zo’n homoseksuele relatie toch ook moeten zegenen?
Bij de discussies in de regio Utrecht vond ik dat de hamvraag.
In mijn ogen is het zelfs wat ongelukkig, dat ze in de NGK van Utrecht deze voorvraag niet als eerste hebben opgepakt. Het zou toch te gek zijn als er iemand op de kansel komt te staan, die in een niet-gezegende relatie leeft. Zo bracht deze Utrechtse discussie me nadrukkelijk bij de vraag van de zegening van een homoseksuele relatie. Daar heb ik in de eerder genoemde e-mailgroep wel eens scherp van gezegd: hoe kun je nu het ziekelijke zegenen? Terugkijkend op dat zinnetje, is me dat toch te ongenuanceerd.. Ik voel wel mee met wat Jan Mudde schrijft: ‘…het aangaan van een homoseksuele relatie is het antwoord op een diep en – ook vanuit Bijbels oogpunt – rechtmatig verlangen, dat teruggaat op de schepping zelf ’ (p.166). Inderdaad wordt een breed spectrum aan verlangens niet teniet gedaan door dat homoseksuele defect. Zoals liefde, trouw, geborgenheid en zoveel meer.
Al kleeft aan het homoseksuele relatie wel de gebrokenheid, die ik niet teruggelegd krijg tot op de schepping.
Nu ja, de landelijke commissie buigt zich met een open mind over dit soort vragen, waaronder natuurlijk ook de vraag hoe lang het huidige pastorale gedoogbeleid van niet afhouden van het avondmaal houdbaar is. Maar mijn diepste wens is dat de gesprekken landelijk (en plaatselijk) zich afspelen in het besef van het grote Kader van Gods redding – zodat blijft wat niet wankel is.

Drs. Freddy Gerkema is predikant van de NGK Amersfoort-Noord en redacteur van Opbouw.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief