Om het Geestelijk beleven van geloofsverschillen (2)
1985-12-13
De Bijbel open: laat ik dat nu op een kernachtig punt doen, de geboortegeschiedenis van onze Zaligmaker. Wij weten namelijk allemaal dat de Rooms-Katholieken Maria vereren op een wijze die de schriftuurlijke grens te buiten gaat. Ik weet wel dat dat vandaag de dag in het verlichte Katholieke Nederland niet al te hoog loopt.- Jaargang 29
- nummer 48
Ten onzent is immers de Maria-verering van allerlei folkloristische overwoekeringen gezuiverd en een bovenrijnse Katholiek geneert zich voor bedevaartplaatsen als Lourdes en Fatima. Zeker.
En toch, Wat gebleven is en door de moderne beeldenstorm heen standgehouden heeft, is dit: in Maria wordt het menselijk aandeel in onze verlossing geëerd en gevierd. Toen Maria, bij de geboorteaankondiging door de engel Gabriël, zei: "mij geschiede naar uw woord" (Luk. 1·: 38), toen gaf zij haar 'fiat' (= het geschiede) aan het grote werk van de verlossing. Zij werkte mee. En zoals Maria voor haar rol In het heil haar 'fiat' moest geven, zo moet, op kleine schaal, maar toch even noodzakelijk, iedere gelovige zijn toestemming geven voor het werk van de Heilige Geest aan hem: Ook bij moet meewerken. Dat 'mij geschiede' van moeder Maria herhaalt zich dus in de geschiedenis sindsdien duizend-, tienduizend-, honderdduizend-, miljoenen-miljardenvoudig. De verering van Maria is op deze manier een omhoog heffen van, een nadruk leggen op de menselijke factor in het heil. Maria is medemiddelares, medeverlosseres; en in navolging van haar zijn wij dat ook.
Een verhumanisering van ons geloof, dát proeven wij hierin. Een eigenaardige accentverlegging, die geen recht doet aan het bijbelse getuigenis. Wie immers bijbels reageert op de geboorteaankondiging van de Here Christus, die zegt met gezang 87 van het Liedboek der Kerken: "Wij willen God de ere' geven en maken zijn genade groot...". Want wie voelt zich niet klein onder de genade die hier geschiedt?
Laat ik een poging doen u het vreemde accent dat Rome legt te laten voelen, Stel u voor: de koningin komt in onze stad. Haar auto houdt stil voor het koninklijk paleis op de Dam, het portier wordt geopend, hare majesteit stapt uit en' gaat naar binnen, toegejuicht door de menigte. Stel u mi verder voor dat de palfenier, die het autoportier ' voor hare majesteit opengehouden heeft, 's avonds thuiskomend tegen zijn vrouw zegt: als ik 't portier niet geopend had, dan was 't koninklijk bezoek vandaag niet doorgegaan - legt dan zo'n man niet een accent dat nergens op slaat? Goed, hij opende, maar 't was, toch de majesteit van hare majesteit die op die dag alle deuren deed opengaan? De man met Zijn verhaal trekt de dingen scheef. Zo doet ook de katholieke leer omtrent Maria. Zij vermenselijkt, wat in wezen goddelijk is.
Ik kan het niet laten bij deze gelegenheid, omdat ik immers ook het antipapisme met ’t antisemitisme vergeleek, een gelijksoortige kritiek op 't joodse geloof naar voren te brengen. Ik doe dat aan de hand van de geschiedenis van Genesis 22, Abrahams offer. Weet u hoe in het jodendom deze geschiedenis heet? 'De binding van Isaäk'. Ook daarin merken we die eigenaardige accentverlegging op. De nadruk komt in de joodse uitleg zeer sterk te liggen op Isaäks bereidwilligheid om zich te laten offeren.
En daarin staat Isaäk model voor heel het offerende Israël van later tijd. Al offerende toont dat Israël zijn bereidwilligheid om zich net als Isaäk aan de Here te geven. Heel Israëls offerdienst veraanschouwelijkt die bereidstelling van het volk, Terwijl in Genesis 22: 8 staat dat de Here zichzélf een lam ten offer zal voorzien,. Van Hém is het dat Israël offert, Het offer is eigenlijk zijn werk. Daarmee stemt ook overeen dat woord uit Lev. 17 :11: "Ik heb jullie het bloed op het altaar gegeven om over je zielen verzoening te doen". Het offer en de verzoening, - het zijn goddelijke zaken, ze komen niet voort uit onze menselijke bereidwilligheid. Hier wordt opnieuw vermenselijkt wat in feite goddelijk is.
Het 'fiat van Maria' bij de roomsen en de 'binding van Isaäk' bij de Joden, zij stemmen werkelijk overeen. In beide gevallen moeten. wij spreken van een verhumanisering van ons geloof op het meest aangelegen punt. ervan: 'Worden wij verlost, of verlossen wij onszelf? Worden wij verzoend of verzoenen wij onszelf met God? In beide gevallen ontaardt de religie tot een bastion van menselijke trots,
Wat stellen wij hier nu tegenover? Wat anders dan de theologie van het kruis? Wat anders dan de erkentenis van onze armoede en veroordelenswaardigheid? Wat anders dan ons onvermogen om ook maar één zucht aan onze zaligheid toe te doen, aan onze verlossing bij te dragen? David's en Luther's psalm: "Uit de diepte roep ik tot U." (Ps. 130), die stellen wij er tegenover. Uit. onze diepteroepen wij èn roemen wij in Gods genade alleen. '"Wij willen God de ere geven en maken zijn genade groot". Gods genade is echt Gods genade. Daar kunnen wij niet radicaal genoeg van denken. Daarom: Alleen als verwondering en ootmoedige dankbaarheid kan ons geloof standhouden tegenover de humaniserende tendensen van het katholieke (en joodse) geloof. Zo ook ontkomen wij aan het antipapisme (en aan het antisemitisme). Wij onderkennen die beide dan als ontaardingen van wat in werkelijkheid diepgeestelijke verschillen zijn.
Toch blijft ook dan nog het antipapisme een gevaar(zoals ook het antisemitisme). Daarom moeten wij onszelf voortdurend oefenen in het menselijk respect voor onze geloofstegenstanders. Wat ook niet moeilijk is, want wat is er in de R.K.-kerk veel wijsheid! Veel mensenkennis! Veel rijke traditie! En denk ook eens aan de gastvrijheid van onze zuiderburen. Van het jodendom vallen trouwens dergelijke dingen te zeggen. Wat een grote begaafdheden! En, behalve dat we ons oefenen in het menselijk respect, nemen we ons ook voor, voor 't eerst of bij vernieuwing, de voorbede te doen. Niet uit de hoogte, Integendeel, de anderen uitnemender achtend dan onszelf. Toch, voorbede, opdat ook zij de onversneden smaak van de goddelijke genade in Christus mogen proeven en de, onverschaalde wijn van het evangelie mogen drinken, Dat gebed kan niet zonder de christelijke hoop. God kan veranderen wat voor ons onveranderbaar schijnt. '"Want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk" (Rom. 11 :29). U weet denk ik dat deze aanhaling een bijbelwoord is en dat dit woord stamt uit de overbekende 'hoofdstukken 9-11 van veel van hun eigenheden behouden hebben, toch zijn die twee wereld e brief aan de Romeinen waar den naar elkaar toegeschoven. Zeker wanneer het gaat om de niet Paulus over Israël schrijft, En " materiële dingen is het oosten naar het westen gekomen. Ddit zegt hij in zijn conclusie: "de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk" , dat wil zeggen: er blijft voor Israël een open deur. Maar dat geldt niet alleen voor Israël. Dat gaat ook voor Rome op. U moet die bekende hoofdstukken aan de Romeinen ook eens lezen met Rome voor ogen! Dat mag toch? Waarom zouden de vijftien eeuwen vóór Christus (de kerk onder de naam Israël) voor God belangrijker zijn dan de vijftien eeuwen na Christus (de kerk onder de rook van Rome)? Voor beide, Israël en Rome, geldt daarom Gods onuitputtelijke geduld en voor beide zijn Gods genadegaven en roeping onberouwlijk.
Wel, dit zijn belangrijke gezichtspunten voor onze houding naar hen toe die tegenover, ons staan. Maar wat nog belangrijker is: leven wij zelf op het niveau van Luther's ontdekking? Zijn wij zelf klein onder Gods genade?
Zijn..wij zèlf dat persóónlijk, bijvoorbeeld als wij straks voor 't slapen gaan tot de Here komen?
Als wij niet heel diep van binnen, de ontdekking van 31 oktober vieren: Gods genade voor zondige mensen, dan zullen wij vroeg of laat antipapist, of antisemiet worden, dan zullen wij het verschil met andersdenkenden niet geestelijk kunnen beleven. Want wie gegrepen is door wat Luther weer, mocht zien, die zegt: wat onderscheidt ons? En wat hebben wij dat wij niet eerst hebben ontvangen? (1 Kor.4: 7). Antipapisme laten we over aan liberalen en socialisten. En antisemitisme aan afvallige christenen, die het slachtoffer zijn geworden, van een vervangende, funeste ideologie. Maar het een of het ander 't mag ons niet ontsieren. Doet het dat wel, dan tonen wij van 31 oktober niets begrepen te, hebben." Tot zover de toespraak.