Ken U zelf

1984-03-10
  • Jaargang 28
  • nummer 10
Het zit in de structuur van de mens ingeschapen dat wij voor de relatie met ons-zelf geheel afhankelijk zijn van de ander.
Wij leren ons-zelf pas kennen uit de ogen van onze medemens.

Het eerste wat een jonggeboren baby ziet is het gelaat van de moeder, die zich over hem of haar heenbuigt - en dat gelaat straalt maar één boodschap uit: "je mag er wezen", "ik ben blij dat jij er bent" en "ik ben blij over jou, zoals je bent".
Het kind wordt zo al in het vroegste stadium een heel belangrijk stuk zelfbesef gegeven: het voelt zich geborgen en gekoesterd en krijgt een fundamenteel zelf-besef mee, n.l. ik mag er zijn, mijn bestaan is zinvol.
De ouders die deze "boodschap" aan het kind overseinen, doen dit - of zij het beseffen of niet - in opdracht van God.
Het is ook ten diepste alleen in Zijn gezag mogelijk om dit besef aan onze kinderen te geven. Want zonder Hem is er niets wat hen werkelijk basis geeft voor zo'n levensomvattend bericht in een zó bedreigde wereld.
Maar wáár zij het -doen, doen zij het in opdracht van de Schepper, "omdat het Hem behaagd heeft ons door hun hand te regeren ... " (Heid. Cat. zondag 39).

"Het menselijk gelaat"
(Levinas) Ook in ons later leven komen wij pas tot ware zelfkennis via onze medemens.
Het gelaat van de ander is voor ons als een spiegel waarin wij ons-zelf herkennen ... ! Maar wat op babyleeftijd bijna altijd positief uitwerkt dat blijkt in een later stadium van ons opgroeien twee-ledig te zijn. Ik lees uit de spiegel van de ogen van de ander niet altijd goed nieuws af. De ogen van mijn medemens kunnen mij raken, kwetsen, wonden, de grond in boren en door de grond doen zakken ... !
Ik zie in die ogen vaak hoe akelig of vervelend, hoe bedreigend of hoe gemeen zij mij vinden. Daarnaast lees ik ook in de ogen van mijn medemens hei andere af: hoe mooi - of hoe knap - of hoe intelligent - of hoe aardig zij mij vinden. Soms zijn het dezelfde ogen die ons beide doen zien.
Voor ons zelf-besef - en onze zelfkennis zijn wij zó in ons 2e levensstadium - de lagere school - bijna uitsluitend aangewezen op de ogen van onze medemensen: ouders, broers en zusters, klasgenoten - en meesters (enzovoort).
Want zo gaat het: wij gaan ons-zelf zien via de ogen van anderen en ook als de spiegel van de ander wèg is dan blijft nog dit zelfbeeld mij bij.

Puberteit
In de puberteit komt daar een derde dimensie bij - het leven gaat verder open - en in mijn zelfkennis gaat nu de wereld in het groot een rol meespelen.
Ik zie mij in mijn omgang met de medemensen en de wereld in het groot voor een diepere uitdaging gesteld.
Wie ben ik - oog in oog met deze wereld vol dreiging en massaliteit - en weer doemt een nieuw gezicht op - nu het Gelaat van de Schepper van alle dingen - in Wiens Woord wij pas ten laatste horen wie wij zijn ...
Pas in de puberteit komen zó voor het eerst die grote vragen op mij af: hoe ik mijzelf in al die mij aangereikte zelfbeelden moet terugvinden. Wie ben ik nu echt?
Wie had gelijk van de velen die mij (meestal voor mij-zelf onbewust) signalen uitzonden, hoe ik er in hun ogen uitzag?
In die bezinning nu speelt het geloof in God een beslissende rol mee. Aan welke kant staat Hij? Wat denkt Hij over ons?
Aan de kant van hen, die ons negatieve signalen hebben doen toekomen - of aan de kant van de anderen, die ons een diep besef van eigen goedheid geven.
Met andere woorden: er doemt een nieuw gezicht op, nu het gelaat van de Schepper van alle dingen. Uit Zijn mond en ogen, uit Zijn Woord horen wij pas ten laatste wie wij zijn ...
Wat weerspiegelt ons nu het gelaat van God?

Verloren en toch gevonden
1. In de tweede brief van Paulus aan de Corinthiërs zegt deze: de God, die gesproken heeft: "licht schijne uit het duister", heeft het doen schijnen in onze harten, om ons te verlichten met de kennis van de heerlijkheid van God in het aangezicht van Christus" (4 : 6).
Hier zegt Paulus dat wij de heerlijkheid van God, de Schepper, hebben mogen zien oplichten in het aangezicht van Christus. Christus is het gelaat van de Schepper. De kennis van Hem brengt licht in onze harten.
Met name op dit belangrijke punt van onze zelf-kennis. Het is immers pas goed in het gelaat van Jezus Christus dat wij ons-zelf leren kennen. Oog in oog met Hem leren wij ons-zelf kennen niet als Of goed - Of slechtmaar beiden: als goed, voorzover wij schepselen van God zijn maar als slecht, voorzover wij kinderen van Adam zijn - en broers van Kaïn.
Altijd weer heeft Jezus dat aan de mensen laten voelen: dat oer-besef van: je mag er zijn! (Lucas 19 : 5) en tegelijk toch ook die kritische afstand, zelfs tegenover zijn liefste discipelen (Matth. 16 : 23).
In het verhaal van de ontmoeting tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw zien wij dat beide ten voeten uit. Enerzijds: je bent me alles waard en anderzijds: je staat schuldig aan het gebod van God en je hebt zondig gefaald (Joh. 4).

Het Kruis
Het kruis van Christus laat ons zien hoe diep onze schuld is - wij herkennen ons in het gezicht van deze Abel als Kaïn en tegelijk zegt deze zelfde Gekruisigde: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.
Ik weet wel: Hij zei dit tegen de moordenaar aan Zijn rechterhand.
Maar het is tegelijk een belofte voor ieder die dit offer van Jezus voor zich aanneemt. Die belofte luidt het komt ondanks jouw zondig falen toch goed!
Zo verschijnt aan ons in dit gelaat van Jezus Christus het aangezicht van God - in een doordringende scherpe kritiek - en tegelijk in een mij totaal aanvaardende liefde.
Op grond van deze ontmoeting moet ik wat betreft mijn zelfkennis het volgende leren: a. het is op grond van de bijbel verboden mijzelf te haten; b. er is in de bijbel geen gebod om mijzelf lief te hebben; c. de relatie tot God is voor mij de basis mijzelf te aanvaarden.

Zelfhaat?
a. Vele christenen hebben van huis uit de gedachte meegekregen dat de bijbel ons leert ons-zelf te haten.
Vaak wordt in dit verband het bijbelwoord geciteerd: als iemand achter Mij wil komen en niet haat zijn eigen leven (psychè), die is Mijner niet waard. (Lucas 14: 26, vgl. Matth. 16 : 24). Staat het daar niet met even zoveel woorden dat wij onszelf moeten haten?
Op grond van dit woord zijn velen in een ziekelijke relatie tot zichzelf vervallen.
Je kan het afmeten aan de manier waarop wij een compliment ontvangen. Zijn wij er blij om - als erkenning van een gave die ons geschonken is - of raken wij in verlegenheid en weren wij het af? Het màg in onze ogen eigenlijk niet dat wij er leuk uitzien of iets goeds presteren.
Een christen behoort immers gering van zichzelf te denken. Dus antwoorden wij: het was niets of reageren kriegel. Ik denk dat psychiaters gelijk hebben die er op wijzen dat wij op die lijn maar één stapje verder hoeven te gaan of wij vallen in de psychische ziekte, die met een moeilijk woord masochisme wordt genoemd.

Masochisme
Een sadist schept er behagen in de ander pijn te doen.
Een masochist is iemand die er behagen in schept zichzelf te kwellen en te pijnigen. Ik heb wel eens iemand ontmoet, die op de bovenkant van haar hand littekens droeg van brandende sigaretten-peukjes, die ze daarop uitdrukte.
Er zijn mensen, die alles wat zij doen en in zichzelf voelen opkomen afschuwelijk vinden. Vaak komt dat omdat zij van jongsaf aan door hun medemensen de grond ingeboord en geminacht zijn. Zou God aan de kant staan van deze medemensen?
Om een woord van Abraham te citeren: het zij verre dat de Schepper van hemel en aarde aldus zou handelen!
Integendeel: het omgekeerde is waar: Christus heeft juist aan dezen zich met al Zijn liefde toegewend, zoals uit de ontmoeting met Zacheüs uit Lucas 19 duidelijk blijkt!
Wat moeten wij dan aan met dat woord uit Lucas 14 : 26, dat wij ons eigen leven moeten haten? Welnu, dat betekent voor iemand met een negatieve instelling tegenover zichzelf juist dat hij die instelling moet leren haten.

Zelf-verloochening
Soms betekent het een daad van grote zelfverloochening als wij ons-zelf nu eens een keer niet verloochenen. Voor veel christenen betekent het woord dat zij hun psyche moeten leren haten juist dit, dat zij zichzelf uit de hand van God als een oneindig waardevol en met gaven toegerust mens moeten leren aanvaarden. Achter Christus aangaan betekent voor velen juist: leren op Zijn gezag vrede te vinden met ons-zelf, zelf-respect opbrengen, tijd nemen voor ons-zelf, blij zijn over wat wij kunnen. Want wij zijn in Zijn ogen niet niets, maar unieke mensen met een unieke toekomst. Koningskinderen.

Geen gebod
b. Hier stuiten wij tegelijk op iets merkwaardigs. Hoezeer het bovenstaande namelijk ook waar is, toch vinden wij in de bijbel nergens met evenzoveel woorden de aansporing om onszelf lief te hebben. Waarom niet?
Waarom lezen wij wèl: dat wij de ander moeten liefhebben omdat Christus voor hem gestorven is (1 Kor. 8: 11, Rom. 15 : 7), maar niet dat wij op deze basis ook onszelf moeten leren liefhebben?
Deze zelfliefde wordt in de bijbel zorgvuldig afgeschermd tegen die andere vorm van zelfliefde. die in ieder "gezond" mens spontaan opborrelt.
De eerst-genoemde is vrucht van de ontmoeting met God - soms ook een daad van bewuste gehoorzaamheid, terwijl die andere spontane zelfliefde door de bijbel zeer argwanend en kritisch begeleid wordt. Soms wordt ze zelfs radicaal afgewezen als wortel van alle kwaad.
Zo beschrijft Paulus in 2 Timotheüs 3 : 2 de van God afvallige mens van de eindtijd als een mens die opvalt door zijn eigenliefde "Autofilioi" noemt hij hen: mensen die zichzelf alleen maar liefhebben, vgl. 2 Petrus 2 : 14. Ook dat men wij pas goed in het aangezicht van Christus: hoe verschrikkelijk verziekt wij zijn en tot welke wandaden in staat als wij leven uit die ongebroken ik-zucht. Er is daarom bijbels gezien best plaats voor zelf-haat. Als Paulus in zijn blief aan de Romeinen uitroept: Ik ellendig mens, (7 : 23) mag ook dàt best gehoord worden.
Juist vandaag, als wij overspoeld worden met litteratuur van het soort van: de kunst om jezelf lief te hebben.

Egoïsme
Als psychiaters in de lijn van het onder punt a genoemde hun cliënten leren zichzelf lief te hebben, moeten zij wel weten op grond waarvan zij dit aan hun medemensen mogen voorhouden.
Doen zij het zonder basis dan spelen zij het decadente karakter van onze tijd in de hand. Dan vallen de mensen van het ene uiterste van zelfhaat in het andere: zelf -liefde - in de door de bijbel afgewezen egocentrische vorm.

Dat is dan ook de reden waarom er in de bijbel nergens met evenzoveel woorden een gebod tot zelfliefde voorkomt.
Zelfs het gebod: "Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf" is niet een gebod dat ons beveelt om ons-zelf lief te hebben. Dan had er moeten staan: gij zult uw naaste en u-zelf op gelijke wijze liefhebben. Dat staat er niet; er staat: gij zult uw naaste liefhebben ...
en om te weten hoever je daarin moet gaan, zegt de Schrift: ga daarin maar net zover als je je-zelf liefhebt. Datwil zeggen dat de zelf-liefde wordt voorondersteld en als natuurlijk voorbeeld wordt gebruikt. De Here Jezus deed dat vaker. Zo lezen wij in de bergrede: "Alles wat gij wilt dat de mensen u doen, doet gij hen evenzo!" (Matth. 7: 12). Wij weten spontaan en direkt hoe wij zelf behandeld willen worden. Daar hebben wij niet veel moeite mee. Die spontane en direkte en natuurlijke kennis moeten wij nu als standaard gebruiken voor onze omgang met de naaste: zó moeten wij nu hem behandelen.

Zelf aanvaarding
c. Tenslotte: in beide bovenstaande overwegingen ligt de basis van de woordkeus van de stelling die ik in de inleiding van dit artikel neerschreef.
Noch zelf-liefde, noch zelf-haat behoren tot de ware omgang van de mens met zichzelf. Wie God leert kennen in het aangezicht van Christus leert zelf-aanvaarding.
Door Hem leren wij ons-zelf verafschuwen en toch niet verwerpen en door Hem leren wij ons-zelf vreugdevol te genieten en toch niet in ons-zelf op te gaan.
Er is in de relatie met Christus geen ruimte voor minderwaardigheidsgevoelens, want ieder mens is in Zijn ogen kostbaar en niemand zonder een geheim.
EI is in de relatie met Christus ook geen ruimte voor meerderwaardigheidsgevoelens, want er is niets in ons of wij hebben het ontvangen - wij zijn van een Ander.
Schuldbesef en een verbroken geest èn toch gelijk ook een diep besef van eigenwaarde gaan in deze zelf-aanvaarding hand in hand. Dat kan omdat wij er een basis voor hebben. Ook voor dat besef van eigen-waarde. Het mag er zijn.
Psychologen zeggen ons vandaag: het moet er zijn. Anders zink je in een dodelijke spiraal steeds dieper weg.
Wij vallen hen bij. Maar laten wij het geen zelf-liefde noemen. Dat is te veel eer. Noem het zelf-aanvaarding.
De vraag aan de psychologen is nu: hebt u er een basis voor? Kunt u de krachten die u losmaakt als u de mens stimuleert tot zelf-realisatie en zelfactualisme in de hand houden en op zijp juiste bescheiden plaats laten staan (n.l. onder het dak van een leven in zelfovergave aan God en de naaste?) Kunt u dat zonder de bijbel en de leer van de mens als naar Gods beeld geschapen en zonder de kennis van Jezus Christus, die de ware mens is?

Hand in eigen boezem
Maar die vragen aan de psycholoog moeten ons er niet van weerhouden om ook de hand in eigen puriteinse boezem te steken en ons af te vragen of de nadruk op zelf-verloochening èn het kruis - en de noodzaak ons eigen leven te haten niet soms zo uit zijn evenwicht is geraakt dat het jongeren ieder gezond besef van eigen waarde als mensen naar Gods beeld geschapen ontnomen heeft. Dat is Gods bedoeling niet geweest. Misschien mogen wij Gods bedoeling wel zo onder woorden brengen dat Hij niets liever wil dan alle mensen brengen tot het ware besef van hun hoge waarde, als gevallen Koningskinderen, waarbij beide woorden gelijke nadruk hebben: gevallen ja, maar ook: Koningskind.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief