Kerklied en gemeente (3)
1984-03-10
Overzien we de tweede helft van de 19e eeuw dan kunnen we zeggen, dat de kerkzang over haar dieptepunt begin heen te raken.- Jaargang 28
- nummer 10
Uit deze eeuw stammen de volgende engelse kerkliederen : Van John Keble gez. 243 "Toen eenmaal God terneder kwam" en gez. 380 "Ontwaak, 0 mens, de dag breekt aan".
Van John Henry Newman gez.461 ,,0 hoogt' en diepte, looft nu God."
Van Reginald Heber gez. 457 "Heilig, heilig, heilig! Heer God almachtig."
Van Henry Francis Lyte gez. 460 "Loof de Koning, heel mijn wezen."
We vinden onder de engelse liederen veel getijdeliederen. d.w.z. morgen-, middag- of avondliederen.
De melodieën zijn afkomstig uit psalmverzamelingen uit de 16e en 17e eeuw of uit volksliederen, of nieuw gecomponeerd. De melodieën liggen goed in 't gehoor, zijn gevoelig en hebben een eigen klankkarakter.
Er zijn tegen het einde van de 19e eeuw veranderingen merkbaar in kringen van onderwijs en kerk. Er begint een bijzondere belangstelling voor zingen en voor het lied te ontstaan.
Zo kwam men tot het oprichten van muziek- en zangscholen.
Er verschenen wetenschappelijke bijdragen over het kerklied. Daardoor is meer inzicht verkregen in oude notatie's, in het tempo dat niet voor elk lied hetzelfde is.
We moeten daarbij letten op de tijd van ontstaan.
De herlevingverschijnselen van het kerklied dienen we echter niet los te zien van de herleving in de liturgie waar ik in mijn vorige artikel al over schreef. Het kerklied is nl. een stukje eredienst en heeft die eredienst nodig om te kunnen funktioneren.
De roep om een waardig gezangboek wordt in deze tijd meer en meer gehoord.
20e eeuw
In het begin van de 20e eeuw is er een commissie gevormd die in 1928 het werk begonnen is voor het nieuwe gezangboek, dat 10 jaar later verscheen als de Hervormde Bundel van 1938.
De inhoud kunnen we als volgt samenvatten: I Liederen die passen in het kerkelijk jaar II Algemene liederen III Liederen t.b.v. doop en avondmaal IV Liederen bij bijzondere gelegenheden.
Het gezangboek is een eerste resultaat van de herleving die zich voltrekt rondom het kerklied. Dit mag blijken uit het feit dat de bundel een weerspiegeling geeft van de Kerk van alle tijden en plaatsen. Er zijn nl. liederen uit verschillende perioden en landen in opgenomen.
Voor het Nederlandse kerklied is een bijzondere plaats ingeruimd. De bundel bevat oude liederen uit de middeleeuwen en de reformatietijd. Jammergenoeg ging de notatie van deze melodieën nog te veel uit van de praktijk van de gemeentezang, waar van ritmisch zingen niet veel te recht kwam. We hebben in deze bundel dus vaak met een "aangepaste" versie te maken.
Dit gezangboek bevat liederen uit de 19de eeuw van Bastiaans en De Pauw dit: redelijk goed zijn en ook al enkele melodieën uit de 20e eeuw van o.a. Adriaan Engels en Adriaan Schuurman (de nrs. 126, 133, 182, 250 en 291).
Gezien het jaartal is deze bundel een goed gezangboek geweest. Toch zijn er ook enkele negatieve punten te noemen.
Ten eerste: de psalmmelodie is wel in ere hersteld, maar de indeling in maatsoorten suggereren ten onrechte maataccenten. die in de 16e eeuw niet bestonden.
Ten tweede: de piëtistische toon overweegt nog te sterk, terwijl het aandeel van de reformatietijd nog te ge· ring is.
Een herstel van het klassieke kerklied uit deze tijd vinden we in het verloop van de 20e eeuw - en wel in Duitsland in de verschijning van het Evangelische Kirehengesangbuch (E.K.G.), in 1950. Een bundel die voor een groot deel op het E.K.G. berust is het Gezangboek der Evangelische Lutherse kerk van 1955.
Psalmberijming
We moeten wat de uitgave van de nieuwe psalmberijming betreft bij de voorgeschiedenis daarvan beginnen In 1943 benoemde de Synode van de Ned. Herv. Kerk een commissie tot onderzoek naar de wenselijkheid en mogelijkheid van een nieuwe psalmberijming".
Deze commissie kwam tot (3) de slotsom dat een nieuwe berijming wenselijk en mogelijk is, maar er zijn daarvoor echter dichters nodig. Nadat tot 1950 enkele commissies voorbereidend werk hadden verricht, begonnen de dichters Heeroma en Nijhoff met hun berijmingen.
Jongere dichters werden op aandrang van Nijhoff bij het werk betrokken.
Het waren: Barnard, Wit, Schulte Nordholt, Den Besten, Kamphuis en Van der Molen.
De Ver.ivoor Chr. Nat. Schoolonderwijs wil één berijming voor Herv. en Geref. kerk. Het resultaat is het bijeenroepen van een interkerkelijke vergadering in 1953. Men besluit tot instelling van de Interkerkelijke Werkcommissie voor de Psalmberijming.
Na twee jaar is men het eens over een tiental proeven. De dichters gaan niet uit van restauratie-berijming 1773.
Dat is ondoenlijk: omdat deze te veel overtollig "vulsel" bevat. Het gebeurt bij hoge uitzondering. In de commissie is een juist evenwicht gevonden tussen persoonlijke vondst en gemeenschappelijke concentratie. Kleinere kerken wezen gezamenlijke afgevaardigden aan om met de commissie mee te werken. De Chr. Geref. Kerken zonden in 1953 waarnemers.
In 1956 werden 75 proeven uitgegeven en in 1958 al 110. In datzelfde jaar werd de Interkerkelijke Stichting voor de Psalmberijming opgericht, gezien de financiële verantwoordelijkheid met rechtspersoonlijkheid. De Werkcommissie werd daaraan als subcommissie toegevoegd.
Sommige berijmingen zijn van één auteur. Andere zijn geboren uit samenwerking.
Aan psalm 119 hebben b.v. vijf dichters gewerkt.
In de jaren tot 1967 werden vele ingrijpende wijzigingen aangebracht door de kritiek vanuit de kerken.
De dichters groeiden steeds meer in hun dichtkunst en kwamen uiteindelijk met een verantwoorde berijming uit de bus.
Inmiddels waren de Chr. Geref. Kerken in 1965 toegetreden tot de stichting.
De twee waarnemers uit 1953 werden als leden van de werkcommissie benoemd. Sedert oktober 1965 werden de vergaderingen ook bïjgewoond door twee waarnemers van de Geref. Kerken (vrijgemaakt).
De aanvaarding van de Nieuwe Psalmberijming in 1967 vond zowel in de Geref. als in de Herv. Kerk met vrijwel algemene stemmen plaats.
Gezangen
Ook wat de gezangen betreft, heeft men in de kerken niet stilgezeten. In december 1952 werd nl. de Herv. commissie voor gezangen geïnstalleerd.
De opdracht vanwege de Synode luidde, de bundel-1938 aan een nader onderzoek te onderwerpen en na te gaan of deze gehandhaafd of vervangen diende te worden. Prof. dr E. L. Smelik werd voorzitter.
In 1954 werd bovengenoemde opdracht op commissieverzoek verruimd wat neerkwam op een revisie van de bundel-1938, terwijl oude en nieuwe liedteksten zouden worden aangereikt. Dit ging natuurlijk niet zonder dichters en componisten.
Hetzelfde dichtgenootschap dat zich met het berijmen van de psalmen bezighield, bemoeide zich vanaf 1956 met het nieuwe gezangboek.
Bij het berijmen van psalmen was men gebonden aan tekst, melodie, maat, ritme, rijm, getrouwheid en aanspreekbaarheid.
Gezangen vereisen zelfstandiger werk, men moet zelf initiatieven nemen en vondsten doen.
Vorm, muziek en inhoud is belangrijk.
De dichters gingen uit van stijl en waardigheid van het kerklied. Het mag niet te individualistische zijn en moet in de taal van Gods Volk staan.
De dichters bleven trouw aan de traditie.
Zij vervolgden het werk van David en deelden diens inzicht. Zij wilden de "oude" David in de psalmen en de "nieuwe" David in de gezangen eren.
Het zou geen gezangboek worden zonder Ambrosius, Luther en Wesley.
Zij zochten ook naar nieuwe stemmen, eigentijdse verhalende liederen die snel en verrassend zijn in beeldspraak.
Zo kregen traditie en vernieuwing hun plaats in het boek.
De gemeente moet zich herkennen zowel oud als jvng. Dit alles is de filosofie die achter de liedteksten schuilgaat.
De componisten hielden zich aanvankelijk bezig met de kwestie rondom de melodieën. Welke kunnen gehandhaafd blijven, welke moeten worden opgespoord, welke teksten hebben nieuwe melodieën nodig?
Hoe moet de muzikale notatie er uit zien? Oude melodieën van vóór 1650 werden zonder maatstrepen genoteerd.
Duitse liederen werden op oorsprong getoetst.
Van sommige liederen werden de versieringen eruit gehaald, b.v. gez. 154, 411. De eenvoud van woord en toon keert terug.
Het niet-ritmisch zingen wordt doorbroken in b.v. Ein feste Burg (gez. 401). Er is nu een jeugdige, frisse en gespierde melodie ontstaan, vol elan.
,119 gezangen'
In 1959 komt er samenwerking op gang met het Deputaatschap voor de herziening en uitbreiding van de bundel "Enige Gezangen" van de Geref.
Kerken. Vanaf 1953 werkten deze deputaten op eigen initiatief. Nu wilden ze komen tot gelijkluidendheid van tekst en melodie ten aanzien van die gezangen die beide kerken gemeenschappelijk zouden bezitten.
Er was een groeiend verlangen in deGeref. Kerken het Nieuwtestamentische lied in de samenkomsten te kunnen zingen.
In 1961 konden de deputaten de bundel-119 gezangen aanbieden aan de Synode van Apeldoorn, die het gezangboekje aanvaardde en vrijgaf voor gebruik in de eredienst. Van veel bekende liederen vindt men in dit bundeltje een nieuwe vertaling of bewerking.
'102 gezangen'
In1964 heeft de Herv. commissie een proefbundel ter kennisname gereed.
Deze werd gepubliceerd onder de titel ,,102 gezangen". Er wordt zodoende een indruk gegeven van wat in het nieuwe gezangboek komen gaat. We vinden er liederen in van alle tijden.
Ze zijn nieuw in de zin van nieuwe vertaling of schepping. Opmerkelijk is dat in de 102 gezangen maar liefst 20 schriftgezangen voor komen.
In een vroeger stadium was door de commissie al contact gelegd met Remonstranten, Doopsgezinden, Ned.
Protestantenbond en Evangelische Broedergemeente die belangstelling aan de dag legden voor het werk van de Herv. commissie.
Liedboek
In 1965 kon reeds een selektie van 713 liederen aan de Herv. Synode en aan de andere participerende kerken worden aangeboden.
Het had een gunstige ontvangst maar men wilde het Liedboek minder omvangrijk zien.
Hierna ontstaat een nieuw en levendig contact met het Deputaatschap inzake de ontwikkeling van het kerklied binnen de Geref. Kerken, alsook met de Evang. Luth. Kerk. Het werk werd meer interkerkelijk. Er werden vanuit deze kerken waardevolle aanvullingen gegeven. Ook was er in '68 en '69 contact met de commissie voor de liturgische muziek van de Oud-Kath. Kerk, en voor berijmde schriftgedeelten van de Chr. Geref. Kerken. Nu werd de Interkerkelijke Commissie voor de Gezangen gevormd, waarin de eerdergenoemde kerken (behalve de Oud-Kath. Kerk en de Chr. Geref. Kerken) zitting hadden.
De zaak van het Liedboek werd in enkele jaren tot een afronding gemaakt.
Men kwam tot een concept van 491 liederen, waaronder er vele waren, die eerder niet tot het concept hadden behoord.
Door de deelnemende kerken werd in 1970 de goedkeuring van het eindresultaat gehecht. Tot 1973 is men bezig geweest met de naamgeving en de regeling van de uitgave van psalmen en gezangen in één boek.
(wordt vervolgd)