Mondigheid van de gemeente (2)

1984-03-10
  • Jaargang 28
  • nummer 10
In de gemeenten van het N.T. ging het wel wat anders toe dan in die van heden. Natuurlijk hoeven we dat niet precies na te doen. Maar we kunnen er wel wat uit leren. Namelijk dat een zwijgende gemeente geen levende gemeente is.

In een vorig artikel wees ik er op, dat er schuld ligt bij leiders en rabbi's en synoden, die meestal door professoren en "grote mannen" worden geregeerd.
Maar de schuld van de zwijgende meerderheid moeten we ook niet wegvlakken. Ze láát zich wel graag regeren. "Ze heeft het gaarne zo", staat ergens in de Bijbel. Maar daarom is het niet goed. Verleden maand wees ik op Rom. 12, waar staat dat de gemeente een lichaam is, een geheel met veel leden. Werkzame leden. Nu wil ik wijzen op 1 Kor.
Daar schrijft Paulus dat zoals het lichaam veel leden heeft, zo ook de gemeente van Christus. Door één Geest zijn we gedoopt tot één geheel.
Joden, Grieken, slaven, vrijen enz.
En zoals er aan het lichaam verschillende leden zijn als oor en oog, hand en voet, zo ook staat het met de gemeente.
Met een lévende gemeente.
Het oor moet zich niet verbeelden heel het lichaam te zijn en zo ook met de andere organen. Ze moeten elkaar niet benijden, maar met elkaar samenwerken.
Elkaar dienen. Iemand met veel gaven heeft een grotere taak dan wie weinig gaven heeft. Wie zeer begaafd is heeft groter verantwoording en van hem of haar zal meer gevraagd worden. Ook in de dag der dagen.
Dan kan iemand, minder begaafd, wel eens meer loon ontvangen dan de rijk begaafde. Omdat hij z'n gave beter heeft gebruikt.

Zo waren er apostelen, profeten, leraars en voorts allerlei krachten van genezing of van hulpbieding, van besturen of van tongentaal. Sommige waren voor die tijd, zoals het apostelschap.
Met de dood van de laatste apostel is dat voorbij. Dat is ook wel het geval dunkt mij met het spreken in tongen. Daar had Paulus tenminste niets mee op. Hij sprak liever 5 woorden, die begrijpelijk waren, dan duizend, die voor de meesten onbegrijpelijk waren. De grootste van de gaven was de liefde, die àllen moest beheersen.
Lees en herlees maar 1 Kor. 13. Het hooglied der liefde. In 1 Kor. 14 bespreekt Paulus dan het spreken in tongen. Ik weet niet precies wat dat was of is. Paulus wil in elk geval niet dat het publiek gebeurt. Maar dan zegt hij verder in 1 Kor. 14: 26: Ieder van de gemeenteleden heeft iets. Ook in de gemeente-samenkomst. De een heeft een psalm, die hij waarschijnlijk aan de brs. en zrs. opgeeft. De ander zegt iets leerzaams. Of hij heeft een praktische verklaring. Die zullen wel profeten genoemd zijn. "Die hun mond openen", betekent het woord profeet. Natuurlijk kon dat tot een zekere wanorde leiden. Daar moeten ze tegen waken. Laat alles stijlvol en ordelijk toegaan. Als hij zegt dat vrouwen moeten zwijgen in de gemeente dan geldt dat naar mijn overtuiging voor die tijd. Toen was in heel de samenleving de vrouw op de achtergrond.
Zoals Sara in de tent was. En zoals in de oosterse wereld de vrouw nog een zeer ondergeschikte plaats heeft.
Op de wereld van die dagen zou het 'n zeer vreemde indruk hebben gemaakt, als vrouwen van christenen publiek zouden spreken. In de tent of in het gezin zullen ze haar mond wel niet hebben gehouden, denk ik. Als men zegt: Maar zijn dan alle voorschriften voor die tijd niet geldig voor alle tijden, dan wil ik een paar andere vragen stellen: Moeten we dan de slavernij maar niet weer invoeren? Slaven waren er toen toch ook? Moeten onze vrouwen en meisjes dan ook maar weer met een hoofddoek of een hoed naar de kerk? En moeten de vrouwen haar man ook maar weer "Heer" noemen?
Dat deed Sara toch ook en dat was toch een vrome vrouw? Voorts zou ik willen wijzen op de profetessen die er waren. En de diakonessen. Laten we daarover maar eens nadenken.
Nu ben ik zeker niet van mening, dat we die eerste christenen moeten nadoen.
De Pinkstergroepen met tongentaal en gebedsgenezing als een druk-op-de-knop prijs ik niet. Maar wat meer betrokkenheid van de gemeente, van de brs, en zrs., zou toch wel dienstig zijn. Dat kan natuurlijk niet in een gemeente van duizenden zielen en samenkomsten van enige honderden mensen. Dat zou een bende worden.
Maar dat getuigt tegen die grote menigte. Er zou geprobeerd moeten worden (zoals in sommige kerken wel gebeurt) met kleine groepen samen te komen om preken te toetsen, onder een man of vrouw die de gave heeft om leiding te geven. Dat mag dunkt mij best een dominee zijn, maar nodig is dat niet. Sommige kerken zitten met een grote kerk, die zich niet leent voor een gemeente-vergadering. Maar er zouden "straatbijeenkomsten" moeten zijn of wijkvergaderingen. Waar men er aan gewend kan raken vrijmoedig te spreken, om vragen te stellen of opbouwende kritiek te hebben. En met elkaar te overleggen wat de goede wil van God is. Dat hebben we afgeleerd.

In het buitenland maakte ik mee, dat een lid van de gemeente voorging in het gebed. In een gewone samenkomst van de gemeente. Een andere keer was er een zendelinge, die sprak over haar werk, Ik kan me voorstellen, dat ook eens een br. of zr. zijn of haar mening gaf over een probleem, waarmee velen of weinigen zitten. Het spreekt vanzelf dat velen dit vreemd zouden vinden. De meeste leden der gemeente willen liever maar bij het oude blijven.
Maar al het oud is niet goed. Natuurlijk al het nieuwe ook niet. Er is duidelijk in de gemeenten een tegenstelling tussen oud en jong. De ouden zullen moeten luisteren naar de jongen én omgekeerd. Er is in het laatste vers van het O.T. (Mal. 4 : 6) sprake van een profeet "die het hart der vaderen zal terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen".
Als de vaderen zich laten beheersen door de liefde en zo ook de jongeren dan laten ze elkaar niet los.
Maar leren van elkaar en samen van het Evangelie en van wat de Here Jezus bevolen heeft. In één gemeente zal het gelukken, in een andere wellicht niet. Wat hindert dat? Er is grote verscheidenheid in schepping en herschepping.
Eénvormigheid is de vloek van het moderne leven, is een bekend woord van een groot man. Zou dat ook niet kunnen gelden van de gemeenten?
Naar mijn mening wel. lk acht het een goede spreuk, die luidt "Eénheid in het noodzakelijke, vrijheid in het niet noodzakelijke en de liefde in alles". Was dat meer betracht er zouden minder scheuringen zijn!

In verband hiermee wil ik ook nog iets zeggen over de Kerkorde. Die door de landelijke vergadering van de Ned. Geref. Kerken de naam heeft gekregen van: "Akkoord van kerkelijk samenleven".
Professoren in het kerkrecht menen, dat een kerkorde en vooral een klassiek-geref. kerkorde in overeenstemming is met het N.T. Voornamelijk wordt dan één tekst genoemd: "Laat alles betamelijk en in goede orde geschieden".
Ik zou opmerken, dat dit gezegd wordt van een plaatselijke ge meerite. Daaruit een kerkorde te distilleren met tientallen artikelen lijkt me een sterk stuk.
Of er dan geen orde in een kerkverband moet zijn? Zeker wel. Maar daarmee moet één ding vaststaan: de zelfstandigheid van een plaatselijke kerk. Er staat gelukkig in elk geval een goed woord in een vooropgaande verklaring: "De kerken spreken uit, dat het al of niet aanvaarden van een kerkelijk akkoord geen oorzaak van breuk of verwijdering mag zijn tussen gemeenten die één zijn in geloof en belijden". Als dat maar bedacht en gehandhaafd wordt, kan een K.O. niet veel kwaad. Maar veel goed? Dat Vleet ik nog zo niet. Ter verdediging wordt vaak gezegd: In alle verbanden moet orde en gezag zijn. In een gezin het gezag der ouders, in een onderneming van een directeur, in de staat van de overheid. Maar vergeet men bij deze vergelijking dan niet, dat de gemeente een énig, uniek, zeer bizonder verband is? Waar Christus het onzichtbare Hoofd in de hemel is. En dat alleen Zijn Woord gezag heeft?
En dat in de gemeente de Liefde moet heersen? En zo die ontbreekt, dat er dan geen helpen aan is. Men mag nog zo'n fraaie K.O. opstellen. Stellig moeten er wat afspraken zijn. Over emeritering bijv. en de verhouding tot de overheid. En over de Opleiding?
Wat mij betreft, ik ben voor vrijheid van opleiding. Een domineesfabriek bestaat niet. Maar dit terzijde. In de K.O. bestaat gelukkig geen voorschrift in deze zaak.

Maar ik zou aan een mondige gemeente de vraag willen stellen: wie kent de K.O.? Ik durf beweren: niet één op de honderd! Naar m'n ervaring.
Niet dat ik het erg vind. Maar handhaving van de K.O. gaat vrijwel buiten de gemeente om. Verder nog dit: Moet wat duidelijk is uit de Schrift, nog eens gezegd worden in een K.O.? Als men niet wil luisteren naar een voorschrift van de Here Jezus dan gehoorzaamt men zeker niet aan een voorschrift van de K.O. Moeten de diensten van predikant, ouderling en diaken omschreven worden?
Moet een artikel gewijd worden aan het geregeld samenkomen van de kerkeraad en dat notulen moeten gehouden worden. Moet voorgeschreven worden, dat bij doopsbediening en viering van het Avondmaal formulieren gebruikt zullen worden? Moeten de drie formulieren ondertekend worden, terwijl behalve van de catechismus, vrijwel niemand, weet wat er in staat? Ik zou willen pleiten voor zelfstandigheid van de plaatselijke kerk.
Als daar twist of scheuring is, dan kan geen macht ter wereld en geen zogenaamd meerdere vergadering daar verandering in brengen. En ik zou er voor willen pleiten, dat dominee's en kerkeraden de mondige gemeente meer betrokken bij beslissingen van belang. En tenslotte, dat de brs. en zrs. samen een gemeente vormend, zich de mondigheid niet laten ontnemen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief