Persschouw

1984-03-10
  • Jaargang 28
  • nummer 10
Niet zolang na de Vrijmaking moest ik het avondmaal bedienen in een kleine gemeente. Het formulier was gelezen en de diakenen namen het linnen doek van de avondmaalstafel op. Wat zag ik daar? Naast het brood een karaf met enkele glazen en verder een fles wijn met de kurk er nog stevig op.
Een ouderling kwam uit de bank, haalde zijn zakmes te voorschijn, trok een kurkentrekker eruit, draaide deze diep in de kurk en - floep - deze knalde van de fles. Onder doodse stilte liet hij de wijn in de karaf klokken en het avondmaal kon beginnen.
Ik was wel wat verbouwereerd. Ik vond het maar een stijlloos gedoe. En waarom? Wijn komt hier nu eenmaal uit een fles, ook avondmaalswijn.
Maar deze handeling, voor het oog van de hele gemeente, en de volgegoten karaf met de glazen, ze vertoonden m.i. een gebrek aan stijl.
Soms hoor ik de klacht dat de avondmaalsviering in onze kerken zo plechtig en ernstig in z'n werk gaat. Waarom niet wat vrolijker en blijder? Het is toch een feest? En op een feest moet er toch vreugde en vrolijkheid zijn? Ik las ergens dat een predikant bij het heffen van de beker met wijn tot de gemeente zei: Daar moet op gedronken worden! In een jolige sfeer moet toch de vreugde van de 'grote bevrijding' gevierd worden.
Maar een dergelijke joligheid past niet bij de 'dood des Heren' die wij mogen verkóndigen. Gebrek aan stijl is dan toch iets, waarin de diepgang wordt gemist van het geloof waarbij 'ieder zijn zonden en vervloeking' overdenkt. Het zich voor God verootmoedigen, waar ons avondmaalsformulier van spreekt, is wel wat anders dan een jolige 'viering'.
We komen op allerlei terrein vandaag gebrek aan stijl tegen. Vormen en manieren tellen bij velen niet. En toch hóren deze bij een leven, zoals God dat wil. Van een promotie tot een begrafenis.
Professoren die plechtig schrijdend in- en uitgaan ter ere van een promovendus.
Begrafenis-dienaren die in kleding en gedrag de overledene de 'laatste eer' bewijzen. Zouden wij het anders willen? In een spijkerbroek iemand de 'hoogste eer' verlenen of dumpen in een graf, als 'laatste eer'?
Zeden en gewoonten zijn niet van nul en generlei waarde. We mogen als kerk niet 'uit de wereld' gaan.
Zouden wij dan bij het verkondigen van de dood van onze majesteitelijke Heer niet in kleding en gedrag Zijn majesteit vertonen?
De diepe vreugde over de vergeving van al onze zonden, doet ons niet 'hossen over de kerkvloer' , maar schept een eigen, christelijke stijl.

W. G. de Vries

We knipten dit stuk uit het weekblad "De Reformatie". Men mag gerust weten, dat het ons uit het hart gegrepen is.
We tasten ook in onze kringen een verdwijning van de stijl rondom Woord- en Sakramentsdienst. Het moet volgens sommigen allemaal zo gewoontjes toegaan. Je schrikt wel eens als je ziet hoe op verschillende plaatsen ambtsdragers de konsistoriekamer binnenwandelen. Je vraagt je soms af of ze zó van het werk komen of vergeten zijn zich te verkleden toen ze van de camping kwamen. Elke vorm van deftigheid is tegenwoordig bij velen taboe. Maar intussen dreigt men het geheel te nivelleren tot het platvloerse. Terwijl er een breed veld ligt tussen het pontifikale en het maar aanrommelen op z'n janboerefluitjes.
Mèt het stijlvolle element verdwijnt er méér uit de kerk! Het is eigenlijk niet nader te omschrijven. Maar ik vrees, dat 't ligt op het nivo van de inkrimping van de eerbied voor de heilige dingen. We zijn ermee vertrouwd en eraan gewend geraakt! Het kan wel eens zijn, dat onze kleding in dat opzicht juist iets verraadt van onze innerlijke houding.
Het bovengenoemde neemt echter niet weg, dat het feestelijke element van de kerkdienst veel te weinig aksent krijgt. Het is toch een vreugdevol bedrijf de HERE en elkaar te mogen ontmoeten in de samenkomsten van de gemeente?! De tegenstelling is: ernst-luim en niet: ernst-vreugde. In Psalm 2 komen wij de oproep tegen: "Dient den HERE met vreze en verheugt u met beving". (vs. 11). Daaraan hebben we onze handen vol!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief