Om het Geestelijk beleven van geloofsverschillen (3, slot)

1985-12-20
  • Jaargang 29
  • nummer 49
Stilstaande bij het beschamende feit dat het ons mensen moeilijk valt, het verschil met andersgelovenden geestelijk te beleven, heb ik mijzelf de vraag gesteld of de Schrift zelf ons over dat probleem iets zegt. Niet dus in die zin iets zegt dat zij ons, wanneer wij voor zulke verschillen geplaatst worden, in staat stelt te kiezen, Dat zij dat doet, zagen wij al. Nee, deze vraag: oordelen over en omgaan met andersgelovigen, die ons toch verwant zijn - doet de Bijbel ons dat ergens voor? Deze vraagstelling nu is mij niet geheel onvruchtbaar gebleken.

O, ik weet het al, hoor ik iemand zeggen, U doelt er nu natuurlijk op dat het conflict tussen synagoge en kerk in het Nieuwe Testament zelf ter sprake komt. Maar nee, dat had ik dit keer nu eens niet op het oog. Dat onderwerp immers krijgt vandaag zoveel aandacht ("Antisemitisme ja/nee in het Nieuwe Testament?") dat het een beetje dood gepraat lijkt te raken. Nee, ik denk nu aan wat het Nieuwe Testament zegt over de verhouding tussen Joden en Samarianen en over het voorspel van het conflict tussen die beiden in het Oude Testament. wanneer dat handelt over het schismatieke noordelijke. koninkrijk der tien stammen. Ik meen dan te kunnen aantonen dat de Schrift en ook onze Here Jezus zelf strijd hebben gevoerd tegen het antisamaritanisme van hun dagen, terwijl tegelijkertijd hun afwijzing van het samaritaanse geloof overduidelijk is. En daaruit valt lering te trekken.

Dit bijbelse voorbeeld heeft iets pikants, omdat daarin nu eens christendom maar het jodendom in de beklaagdenbank wordt gezet, dwars tegen de mode van onze dagen in. Ik moet zeggen, dat mij dit wel enige bevrediging schenkt, want ik wantrouw de christelijke, zelfbeschuldiging van deze tijd naar de kant van de Joden toe in hoge mate, omdat zij m.i. deel uitmaakt van de grote identiteitscrisis die de laatste tijd over ons allen is gekomen. Kijk, wanneer christenen persoonlijk zouden opstaan om hun schuld en tekort tegenover de Joden publiek te belijden, dan zou dat grote indruk op mij maken. Maar dat stenen gooien naar kerk en christendom op de toon van een ‘wij’ waar een ‘zij’ doorheen en bovenuit klinkt, vind ik irriterend goedkoop en vrijblijvend. Toch wil ik mijn beschuldiging aan het adres van het Jodendom van destijds, dat het zich aan antisamaritanisme is te buiten gegaan, weghouden uit de sfeer van de pikanterie. Ik wil niet schrijven in de geest van: laten wij nu eens lachen om de pot die zo nodig de ketel moet verwijten dat ie zwart ziet. Nee, gesteld dat ik erin zou slagen de beschuldiging van zo even waar te maken, dan wil ik dat resultaat onmiddellijk overgieten in de vorm van een argumentum ad hominem, dat wil zeggen: in een redenering die het hart van de mens in het algeméén zoekt, hij zij jood of niet-jood. In deze zin: zien wij nu niet duidelijk dat al die -ismes, anti-dit of anti-dat, ons allemáál bedreigen? In de mate namelijk waarin wij macht hebben over de ander, hetzij wij de meerderheid vormen hetzij door iets anders, in die mate staan wij bloot aan de verzoeking, vleselijk in plaats van Geestelijk te denken en te handelen. Antipapisme, antisemitisme; Antisamaritanisme; het zijn voorbeelden 'van onbesneden machtsdenken, het stellen van vlees tot je arm, zoals de profeet zo kernachtig zegt (Jer. 17-: 5). Als je tot dat inzicht gekomen bent, dan verbaas je je niet meer over antisemitisme in' de kerkgeschiedenis of over antisamaritanisme inde geschiedenis van het, joodse volk, maar dan gaat de verbazing zich verleggen naar de momenten dat het uitbleef.
Wie gaf daartoe de kracht, wie gaf daartoe de Geest, vraag je dan.

Maar. ik zou iets gaan aantonen. Ik neem mijn uitgangspunt in het Bijbelhoofdstuk 2 Koningen 17, waar het Oude Testament in een soort terugblik (immers na de val van Samaria in het jaar 722 v.Chr.) het uitvoerigst komt te spreken over het noordelijk koninkrijk. Dat gebeurt in de verzen 7-23. Ik wil over dit gedeelte vier opmerkingen maken.

1. Duidelijk brengt de Schrift de verwoesting van Samaria en de deportatie van de tien stammen in verband met de zonde en de afval van het noordelijk koninkrijk. “Dit nu is geschied, omdat de Israëlieten gezondigd hadden tegen de Here hun God…”, staat er in vs 7.
Wanneer later het Nieuwe Testament de val van Jeruzalem in het jaar 70 in verband brengt met de zonde der Joden (“…omdat gij de tijd niet hebt opgemerkt dat God naar u omzag“, Luk. 19: 41-44), doet het dus naar de Joden toe hetzelfde als wat eerder vanuit Juda naar de mensen van Samaria toe was gezegd. Of wij deze gevonden lijn nu ook mogen doortrekken naar het heden, in die zin dat wij een oorzakelijk verband kunnen stellen tussen het Joodse ongeloof en ‘Auschwitz’, durf ik niet te beslissen (welke heilskans heeft Israël dan juist in onze eeuw zo duidelijk verspeeld?), maar ik vind het wel bevreemdend dat zoveel christenen voor deze, gedachtegang zelf zo volstrekt ontoegankelijk zijn: een teken hoe weinig verbondsmatig er in de naoorlogse tijd gepreekt is.
Sloeg de Vrijmaking die zo opkwam voor' de verbondswraak.
dan toch ergens op?

2) Hoewel er in het noordelijk koninkrijk verscheidene profeten geweest zijn die met de Israëlieten daar gepolemiseerd hebben en hun de komende catastrofe als straf hebben aangekondigd, is het hier in 2 Koningen 17 toch een stem uit Juda die dit geluid komt versterken.
Van buitenaf dus. De gedachte dat de kritiek van het Nieuwe Testament op de Joden een internjoodse aangelegenheid zou zijn, waar niet-joden (maar Lukas dan?) zich maar beter buiten kunnen houden, vindt zelfs in het Oude Testament geen steun. De kritiek uit Juda zal immers door de mensen van Samaria bepaald niet als van binnenuit komend zijn ervaren.

3) Indrukwekkend is de 'solidariteit waarmee de profeet van 2 Koningen 17 de tien stammen hun schuld onder het oog brengt. "Ook Juda heeft de geboden van de HERE zijn God niet onderhouden, maar gewandeld naar de inzettingen die Israël had ingesteld" (vs 19). Ook Juda....Ook wij....

4) Uit het vorige punt vloeit de vraag voort waarin de profeet van 2 Koningen 17 dan eigenlijk zijn standpunt koos. In, Juda kennelijk niet. daarvoor is de zelfkritiek veel te diepgaand.
Niemand' immers zaagt uit zichzelf de tak door waarop hij zit.
Nee, het archimedisch punt is in dit hoofdstuk slechts aangeduid, en wel in, vs 21: het huis van David, beter nog: de belofte aan het huis van David. Vanuit 'David', men kan ook zeggen: .vanuit Sion (waar de Davids-belofte in bewaring was gegeven, Psalm 132 : 17), worden èn Israël en Juda beoordeeld. Zoals in het Nieuwe Testament vanuit Christus (in wie 'David' en Sion tezamen komen) èn aan de kerk èn aan de synagoge de maatstaf wordt aangelegd. Hij is immers het kritische, midden, eerst van Israël en ook van de gemeente. Ik kom tot de slotsom dat wij voor onze verhouding met andersgelovigen werkelijk iets kunnen leren van de wijze waarop de Schrift te werk gaat als zij oordeelt over het afwijkende broedervolk van het noordelijk tienstammenrijk. Er wordt dan duidelijk een Geestelijk oordeel geveld.

Maar zo zijn we nog niet bij de Samaritanen aangeland. Daarvoor moeten wij verder doorlezen in het onderhavige hoofdstuk. Want behalve dat daarin teruggekeken wordt, gaat de aandacht ook naar de toekomst.
Er wordt immers in de verzen 24-41 een kenschetsing geboden van het mengvolk der Samaritanen waarmee Israël voortaan als naaste buur te maken had. Wat zegt nu de Bijbel over hen? Een vaststelling die in dit gedeelte enige malen terugkeert is deze (letterlijk vertaald): "de HERE waren zij vrezende en hun goden waren zij dienende" (vss 33, 41).
Dat wil zeggen: zij hadden als mengvolk ook: godsdienstig iets tweeslachtigs. Hier gaat de parail el met het Joodse volk toch wel helemaal de mist in, zult u zeggen, want wat je van de Joodse godsdienst ook zeggen kunt, deze tweeslachtigheid. is er vreemd aan. Inderdaad.
Maar de tijd heeft niet stil gestaan, want in een latere periode merk je dat het rekening houden met de Here God het bij de Samaritanen toch gewonnen heeft van het dienen van de afgoden. Met een zeker uiterlijk recht konden zij na de ballingschap tot de teruggekeerde Joden zeggen: "Wij zoeken uw God evengoed als gij" (Ezra 4: 2). Een deskundige als Emil Schürer spreekt dan ook over' hun godsdienst als over een puur joods monotheïsme', dat belijdenis deed van de eenheid van God, het gezag van Mozes erkende, de besnijdenis, de sabbat en de feesten van de joodse kalender onderhield en de Pentateuch als Heilige Schrift had.
Hun grootste verschil met de Joden betrof de plaats van. Godsverering: de berg Gerizim in plaats van Jeruzalem, maar daar stond weer tegenover dat zij net als de Joden een Messiasverwachting hadden (Joh. 4: 25).
Om kort te gaan: zij stonden de Joden zeer naar en verschilden toch hemelsbreed van hen. Zoals dat ook het geval is tussen de synagoge en de kerk. Vandaar dat ik zo maar niet af te brengen ben van mijn vergelijking van de Joden met de Samaritanen. Die gaat wel degelijk op en wel in deze zin: de Joden hebben ten opzichte van, de Samaritanen voor dezelfde verzoeking gestaan als de christenen ten opzichte van de Joden, om namelijk hun machtspositie te misbruiken en de godsdienstige minderheid in hun midden' te verdrukken.

De Joden hadden van die verzoeking nog het meest last, toen zij zich onder de Makkabeeën politiek organiseerden en aldus, tot behoorlijk grote macht kwamen. Opnieuw ligt hier een parallel met het christendom onder het Constantijnse tijdperk. Het is bekend dat de Makkabeese vorst Johannes Hircanus (134-104 v. Chr.) in die joods-politieke bloeitijd niet alleen de stad Samaria maar ook de Samaritaanse tempel op de Gerizim met de grond gelijk heeft gemaakt. Die laatste is zelfs voor altijd verwoest blijven liggen. Zeker, de Samaritanen zelf waren ook niet zulke gemakkelijke heren, maar juist dat verwoesten van die tempel verraadt het antisamaritanisme aan Joodse zijde. En trouwens, waren de Joden die door de kerk bemoeilijkt zijn, altijd onschuldig lijdende schapen? Die indruk krijg je wel, als je de tegenwoordige literatuur daarover raadpleegt. Men plakt rustig de foto's van de concentratiekampen over de hele kerkgeschiedenis heen. Een verzwegen deel van de waarheid is evenwel dat er ook sprake is geweest van provocatie en van uitlatingen die getuigden van diepe verachting voor het evangelie. Daar kan niets aan christelijke zijde mee goed gepraat worden, maar laten wij oppassen voor mythevorming.

Antisamaritanisme dus bij het jodendom uit, vroeger tijd. Wij maken daar ook in het evangelie nog kennis mee. Ik denk hier aan het voorval waar Lukas (Luk. 9 : 51-56) ons bericht van doet, dat Jezus op zijn tocht naar Jeruzalem door een Samaritaans dorp vijandig wordt geweerd, waarop de discipelen Jakobus en Johannes reageren met: "Here, wilt Gij dat wij zeggen dat vuur van de hemel zal neerdalen om hen te verteren?" Het is niet moeilijk dit woord te associëren met brandende synagogen (die hadden de Samaritanen ook!) en erger. Omdat het discipelen van de Here Jezus zijn die dit zeggen, denk je hier inderdaad aan antisamaritanisme en antisemitisme tegelijk; het laatste schijnt om zo te zeggen door het eerste heen. Toch zijn Jakobus en Johannes hier nog duidelijk Joodse mensen, die op ongeestelijke wijze positie kiezen in het oude en hun zo vertrouwde conflict.
Wat is Jezus reactie hierop? "Doch Hij keerde zich om en bestrafte hen." De oude Statenvertaling laat hier nog een woord van de Meester op volgen: " ...en (Hij) zeide: Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt. Want ,de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden." Het zal tekstkritisch misschien wel terecht zijn dat deze woorden in latere vertalingen weggelaten zijn, maar wat zijn ze heerlijk! 'Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt' - daarmee typeert de Heiland elk antisme als ongeestelijk, dat wil zeggen: als niet voortkomend uit de Geest van de Vader en de Zoon. Is dit niet het diepste dat èn aan het Joodse antisamaritanisme èn aan het christelijke antisemitisme èn aan het protestantse antipapisme kan worden voorgehouden:
1) dat Jezus het, als ongeestelijk doorzien heeft en
2) dat Hij het daarom bestraft heeft? Voor Hem kan die anti-houding niet bestaan.

o zeker, de Here Jezus heeft het verschil tussen Joden en Samaritanen wel gezien. En behalve dat Hij het gezien heeft, heeft Hij in dat conflict ook gekozen. "Het heil is uit de Joden", zei Hij 'tegen de Samaritaanse vrouw (Joh. 4 : 22). En daarmee bevestigde Hij het getuigenis van 2 Koningen 17 en beaamde Hij de Geestelijke strijd van Ezra en Nehemia. Bij alle mildheid van het gesprek met de Samaritaanse - Hij kóós! Hij bracht de nederigheid op om te kiezen, in plaats van hovaardig dat conflict als kleinmenselijke beuzelarij ter zijde te schuiven. Stellig mag je de Here Jezus daarom zien als een bestrijder van het Samaritaanse geloof met z'n zelfgekozen eredienst op de, Gerizim (voortzetting van de oude zonde van Jerobeam, de zoon van Nebat!), maar Hij heeft niet aangezet tot het verwoesten van de Samaritaanse tempel noch ook tot het in brand steken van hun gebedshuizen, laat staan tot het vermoorden van de Samaritanen zelf.
Integendeel - de Heiland heeft bij onderscheiden gelegenheden de Samaritaanse mens als achtenswaard paar voren gehaald. Je kunt gerust zeggen dat Jezus, het klimaat van haat tussen Joden en Samaritanen proevend, als Jood met de Samaritanen in de weer is geweest en dat Hij ze telkens onder het joodse vooroordeel vandaan heeft gehaald.
En ook dit behelst een boodschap voor ons, want hoe menig Jood is in onze wereld niet een barmhartige Samaritaan? Ik kom tot de slotsom dat wij bij onze Heiland moeten zijn om van Hem te leren Geestelijk om te gaan met geloofsverschillen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief