Kerstpreek

1985-12-20
  • Jaargang 29
  • nummer 49
Leo I (de Grote) was paus van 440 tot 461. Tijdens zijn pontificaat vond de theologisch-historisen en kerkeliik-politiek belangrijke strijd over het juiste begrip van de beide naturen van Christus plaats. Deze strijd werd op het Concilie van Chalcedon in 451 beëdigd. Geheel in de geest van het concilie is de volgende preek over de geboorte van Jezus en zijn aardse leven.

Laat ons juichen, want heden is ons de Heiland geboren! Er mag immers geen droefheid ontstaan waar het leven zelf ter wereld komt, dat de vrees voor de dood wegneemt en ons door de belofte van eeuwig leven met vreugde vervult. Niemand wordt van de deelneming aan dit jubelfeest uitgesloten, allen hebben, dezelfde reden om in feestelijke stemming te zijn. Want omdat onze Heer die de zonde en de dood vernietigd heeft, niemand vindt die zonder schuld is, komt Hij om ons allen te bevrijden.
Laat de heilige juichen omdat hij de zegepalm bijna verworven heeft. Laat de zondaar juichen omdat vergeving - voor hem in het verschiet ligt. Laat de heiden nieuwe moed vatten omdat het leven hem wacht! Want toen de tijd aanbrak die door de ondoorgrondelijke diepte van het goddelijk raadsbesluit was vastgesteld, nam de Zoon van God de natuur van het mensengeslacht aan dat weer met zijn Schepper moest worden verzoend, opdat de duivel die de dood in de wereld bracht, juist door de menselijke natuur die hij overwonnen had, weer overwonnen zou worden. Deze strijd die voor ons werd geleverd, werd volgens het' verheven en bewonderenswaardige principe van de gelijkheid gevoerd, doordat de almachtige Heer de woedende vijand niet in zijn majesteit maar in onze laagheid tegemoet treedt. Hij stelt tegenover hem hetzelfde lichaam en dezelfde natuur die zoals de onze wel sterfelijk maar vrij van zonde is. Op zijn geboorte is niet van toepassing wat over de geboorte van alle geschreven staat: 'Kan een mens ooit rein, het kind van een vrouw ooit rechtvaardig zijn?' - (Job 15, 14). Op deze geboorte, die haars gelijke niet heeft, rust geen enkele smet. Van de begeerte van het vlees en van enige schuld door de wet van de zonde is hier helemaal geen sprake.
Een koninklijke maagd uit de stam van David werd uitverkoren om de heilige vrucht in zich op te nemen en de Zoon van God en van de mensen eerst" in de geest en dan in haar schoot te ontvangen.
Zo is dus Gods Woord, God, de Zoon van God, die in het begin bij God was; door wie alles geschapen is en zonder wie niets geschapen werd, mens geworden om de mensen van de eeuwige dood te verlossen, Daarbij is Hij zonder afbreuk aan zijn majesteit, te doen zó tot het aannemen van onze laagheid afgedaald dat- Hij de echte gedaante van een slaaf verbond met die waarin Hij aan God de Vader gelijk is. Hij bleef wat hij was, en nam aan wat Hij niet was. Hij is zo neergedaald dat hij beide naturen zo met elkaar verenigd dat de verheffing van de lage natuur, deze natuur, niet (in de goddelijke) deed opgaan en dat ook het aannemen van de lage natuur geen afbreukaan de hogere deed. Doordat dus de eigen aard van beide naturen bewaard blijft en zich tot een en dezelfde persoon verenigt, bekleedt de majesteit zich, met laagheid, de sterkte met zwakheid, de eeuwigheid met sterfelijkheid. En om de schuld van onze staat van zonde weg te nemen heeft de onkwetsbare natuur zich verenigd met de natuur die tot lijden in staat is, en zo zijn ware God en echte mens tot de eenheid van de Heer verbonden.

Daardoor moest - zoals dit met onze verlossing strookte - een en dezelfde middelaar tussen God en mensen' (1 Tim. 2, 5) enerzijds kunnen sterven en anderzijds kunnen verrijzen. Redelijkerwijs berokkende de geboorte van het heil aan de maagdelijke reinheid geen enkele schade, want het verschijnen van de waarheid was een bescherming van de kuisheid. Een geboorte was door (onze Heiland) in zijn mensheid aan ons gelijk en in zijn godheid boven ons verheven moest zijn, betaamde Christus Gods kracht en wijsheid (1 Kor. 1,24). Als Hij geen ware God zou zijn, zou Hij geen verlossing brengen. Als Hij geen echt mens zou zijn, zou Hij ons geen voorbeeld geven. Daarom wordt ook door de jubelende engelen bij de geboorte van Christus gezongen: 'Eer aan God in den hoge. Daarom wordt ook vrees beloofd 'aan de mensen op aarde in wie Hij welbehagen heeft (Lc. 2, 14). Ziet toch hoe het hemelse Jeruzalem uit alle volken der aarde gesticht wordt.
Hoezeer moet' de menselijke laagheid zich over dit onbeschrijflijke werk van goddelijke liefde <verhogen als de heilige engelen daarover al in zulk een jubel uitbreken!
Laat ons dus God de Vader door zijn Zoon in de Heilige Geest, danken! Hij heeft zich immers om wille van zijn overvloed en barmhartigheid waarmee hij ons liefhad, over ons ontfermd, en hoewel wij dood waren door onze zonden heeft Hij ons met Christus ten leven gewekt (Ef. 2, 5), opdat wij in Hem een nieuw schepsel zouden worden. Laten wij de oude mens met alles wat hij doet, afleggen en aan de werken van het vlees verzaken; nadat wij aan de menswording van Christus deelachtig werden. Christen, besef je waardigheid! Verval door ontaarde zeden niet in de oude laagheid, nadat, ge aan de goddelijke natuur deelachtig zijn geworden! Bedenk van welk hoofd, van welk lichaam ge een ledemaat zijt! Roep u voor de geest dat gij' aan de macht, van de duisternis ontrukt en in het lichtend Rijk Gods zijt overgegaan! Door het sacrament van de doop werd gij een tempel van de Heilige Geest. Verdrijf door slechte daden een zo hoge gast niet uit uw hart! Onderwerp u niet opnieuw aan de slavernij van de satan! Het bloed van Christus is immers uw koopprijs. Hij die u in barmhartigheid verlost heeft en met de Vader en de Heilige Geest in eeuwigheid heerst, zal u in waarheid oordelen.

Een kerstpreek van 15 eeuwen geleden. anders van toon en taalgebruik, maar in de lijn van het belijden van de Kerk. Sterk blijkt in dit stuk de Geest van het Concilie van Chalcedon, in 451. In de toekomst hoop ik; mede aan de hand van deze preek, daarover nog meer te schrijven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief