Ouderling en kerkelijke tucht vandaag (3)

1985-12-20
  • Jaargang 29
  • nummer 49
3. Enkele hedendaagse problemen
Zonder in casuïstiek te willen vervallen wil ik proberen enkele problemen te bespreken waarmee ambtsdragers vandaag te maken krijgen en waarbij de vraag zich voordoet: hoe moeten we hiermee aan, kerkelijke tucht of niet? Vooraf een enkele opmerking. We beperken ons tot zaken die vooral het leven aangaan. Mocht iemand de indruk krijgen als zou er sprake zijn van aanpassen aan de situatie dan zij bij voorbaat mee~ gedeeld dat dit beslist niet de bedoeling is. Het gaat eerder. om het aanpakken van de problemen die zich kunnen voordoen. Maar bij dat aanpakken ontkomt niemand aan de noodzaak om met de situatie die zich voordoet rekening te houden.
Wat volgt poogt aanzetten te geven in de richting waarin een ambtsdrager zou kunnen werken voor het oplossen van problemen. Het is bedoeld als handreiking die uiteraard graag voor een betere wordt gegeven.

1. Toenemende onverschilligheid
Piet van der Ploegmerkt in zijn boek over jonge kerkverlaters, "het Lege Testament" pag. 147 op dat velen van hen opgroeiden en opgroeien in 'n geseculariseerde geref. wereld: aan de buitenkant te zien zag heter aardig uit: een naar de bedoeling "gereformeerde" opvoeding, regelmatig naar de kerk, regelmatig bidden en bijbellezen, ingeschreven in de.kerkelijke kaartenbakken, enz. Maar wat stelde dat "gereformeerd" voor? Vaak niet zoveel blijkbaar, alleen wat 'verpakking, een kwestie van uiterlijkheden. De afval van de jongeren wijt v. d. Ploeg aan de opvoeding, die niet erg gelovig, vroom zou zijn. Dit lijkt me erg eenzijdig. Meer factoren spelen een rol: verkeerde vrienden, verleiding, welvaart enz. Het eigenaardige doet zich voor dat God dikwijls door jongeren teveel beschouwd wordt als een "het", een onpersoonlijke god, te weinig als onze Hemelse Vader in Jezus Christus. Misschien is dit een gevolg aan het feit dat vroeger te dogmatisch over God en Zijn dienst werd gedacht en gesproken? Met zo'n godheid kun je geen relatie opbouwen, zo'n godheid is meer een ding dan een Hij. De gedachte van v. d. Ploeg, pag. 204, dat herderlijke zorg aan onverschillige kerkleden een vorm zou zijn van ongewenste intimiteit en dat die derhalve onzinnig en onzindelijk moet worden genoemd dienen we volledig te verwerpen. Zeker als ambtsdragers bezitten we namelijk verantwoordelijkheid voor de schapen en de lammeren van Gods kudde. We moeten er alles aan doen om hen in het goede spoor te krijgen met en voor hen worstelen, ook in het gebed of ze de weg weer willen zien en willen gaan. Van grote betekenis is voorts het geven van een goed voorbeeld.

2. Slordige kerkgang
Statistisch is bewezen (Hand. Pastoraat I) dat: “Niet kerkgang en het verlaten van het orthodoxe standpunt elkaar versterken; niet kerkgang is al een stap op weg naar onkerkelijkheid.” Zondag 38 van de Heid. Catechismus legt het 4e gebod van Gods wet ondermeer in deze zin uit, dat ik “naarstig tot de gemeente Gods kome”, d.w.z. de kerkdiensten meemaak. Daarvoor moet ik me beijveren. De zondag is de Dag des Heren: Gods Zoondag, zoendag, zondag om met de dichter Huygens te spreken. We krijgen, terwijl de mensen een kortere werkweek hebben dan vroeger en de zaterdag voor de meesten een vrije dag is, in toenemende mate te maken met de gewoonte van het één keer kerken per zondag. Moet, je nu tweemaal naar de kerk? hoor je vragen; waar staat dat in de bijbel? Voorts beschouwen velen de kerkdienst niet meer als een ontmoeting van God met Zijn volk en wordt de gemeente niet meer gezien als de gemeente Gods, het lichaam vim Christus. De opmerking: Ik heb geen behoefte om vaker dan eenmaal naar de kerk te gaan, kan beantwoord worden niet de mededeling: De andere gemeenteleden konden u wel eens nodig hebben om in deze tijd en in de wereld van vandaag staande te blijven. Hoe ontmoedigend werkt het wanneer maar. een paar gemeenteleden in de tweede kerkdienst aanwezig zijn. Natuurlijk kan aan de inhoud en de vorm van met name de tweede kerkdienst een en ander gewijzigd worden. Jongeren klagen wel: er is gebrek aan participatie en informatie waar wij wat aan hebben ontbreekt. De vraag waar we voor staan is: Moeten kerkleden die de tweede kerkdienst onnodig verzuimen worden afgehouden van het avondmaal? Onder de tucht worden geplaatst? Laten we voorzichtig zijn. Voor we maatregelen nemen dienen we heel goed te weten welke de reden is waarom men zo handelt. Onderwijzing lijkt me de eerst aangewezen weg.

3. Kerkje verwisselen
Wat eveneens, vandaag veelvuldig voorkomt is het zomaar overstappen op een andere "kerk". Dikwijls is dat een, evangelische of charismatische. Reden meestal: We hebben het bij u niet meer naar onze zin. In het verdere van het gesprek blijkt dat betrokkene al lang het voornemen I had weg te gaan zonde iemand van de gemeenteleden, laat staan de ambtsdragers, ervan in kennis te stellen. In feite is de beslissing reeds gevallen. Heel nadrukkelijk weet deze "kerkverlater" mee te delen dat we niet moeten menen als zou de Ned. Geref. kerk, de enige. ware kerk zijn. Achter deze gang van zaken zit weer het' zoeken van zichzelf. Dat blijkt zonneklaar uit de weigering zich in te zetten voor de verbetering van de kerk waarvan men nog lid is. De kerk van Christus wordt te veel beschouwd als genadewinkel, waar een mens naar zijn wens bediend moet worden. Voor de werkelijkheid dat God in Zijn genade ons aan elkaar. gegeven heeft en dat we die leiding van Hem niet zo zondermeer. negeren mogen, heeft de kerkverlater geen oog.
Je denkt wei eens bij zulke gevallen aan het woord van de Schrift: In het laatste der dagen zullen de mensen zichzelf leraars bijeen vergaderen naar hun eigen begeerlijkheid (2 Tim. 4: 3). Misschien is dit hier gaande? Uiteraard speelt het feit ons hier parten dat de ene kerk van Christus zo verschrikkelijk verdeeld is geraakt in de loop van de eeuwen. De verscheurdheid heeft ervoor gezorgd dat de ernst om elkaar vast te houden en te zoeken tot elke prijs, is teloor gegaan. We worden met de kerkelijke verdeeldheid gestraft. Gemeenteleden. Zijn daardoor het instituut van de kerk gaan verachten.
Zeker in gevallen waarin de mensen afhaken zonder, dat ze Ongelovig zijn geworden moeten. we mild optreden. Al kun je je ook persoonlijk gegriefd voelen probeer de wegen tot wie zó de gemeente Gods durft bejegenen, open te houden. Soms weten ze niet wat ze doen.

4.Zich laten overdopen
Aansluitend aan het vorige komt eveneens meer dan vroeger voor dat kerkleden die in hun prille jeugd de kinderdoop ontvingen, zich laten overdopen, zonder de Ned. Geref. kerk waarvan ze lid zijn te willen verlaten. Vaak zijn, deze mensen overtuigde christenen, vol ijver, die zich het evangelie niet schamen. We mogen hen nietdirect adviseren met de gemeente te breken, of het lidmaatschap op te zeggen. Zeker, wat ze doen is af te keuren, zelfs sektarisch te noemen. Maar kan men van zulke leden zeggen dat ze vijanden zijn van het kruis van Christus? Iets anders is natuurlijk wanneer ze hun mening ook binnen de gemeente propageren met de bedoeling die gemeente te verontrusten.
Dan moeten ze, dunkt me, vanwege de verwarring en verstrooiing die ze veroorzaken worden vermaand. Overigens zal een schriftuurlijke - dat is tegelijk warm en stralend - spreken over de heilige doop en de betekenis ervan voor allen tot zegen zijn.

5. Toegang tot het avondmaal van niet-Ned. Geref. christenen
Niet Ned. Geref. gelovigen vragen of ze met ons de dood des Heren mogen verkondigen als in de kerk de avondmaalstafel staat aangericht. Iemand roept lichtvaardig: . Open avondmaalstafel! Men zou met evenveel recht kunnen stellen: bewijs ervan hoe met name de gereformeerden in de loop van 150 jaar het avondmaalslaken hebben gescheurd.
O neen, hier wordt geen pleit gevoerd voor de een of andere oplossing in deze, maar slechts gesignaleerd dat kerken en kerkenraden vandaag voor de vraag worden geplaatst: Mogen ook wij met U avondmaal vieren? Je kunt natuurlijk botweg weigeren. Je zou aan de eigen verantwoordelijkheid overlatend, erop kunnen wijzen dat de gelegenheid tot toetreding geboden wordt wanneer de predikant, zoals wel gebeurt, bij de laatste niet geheel gevulde tafel zegt: “Zijn el nog broeders of zusters die met ons de dood des Heren wensen te verkondigen, dan is voor hen' aan deze tafel nog plaats!" We moeten het zwaartepunt intussen niet zoals de evangelischen en charismatici wel doen, alleen laten vallen op de strikt persoonlijke intieme verhouding die iemand met de Here heeft.
Dan vervallen we in dezelfde fout van subjectivisme als zij. Natuurlijk is het getuigenis: Ik geloot, van onschatbare waarde. Maar dat is het enige niet. Geloven doe je ook in gemeenschap met medechristenen. Dezelfde.
God die oproept tot geloof heeft, de opdracht gegeven de gemeente van de levende God te vormen, heeft. die gemeente gesticht. Wie avondmaalsgemeenschap wil met christenen in dezelfde plaats die moet komen, tot aansluiting aan die gemeenschap. Anders krijg je dat er wèl met elkaar avondmaal wordt gevierd terwijl de noodzaak om ontstane- of geslagen breuken te helen terzijde blijft. We kunnen, dunkt me, deze richting uitgaan: wie in dezelfde woonplaats woont waar de kerk is, die moet ook van die gemeente lid willen zijn alvorens avondmaal te kunnen vieren. Aan zo iemand poge de kerkenraad duidelijk te maken: Wij sluiten u niet uit, maar u blokkeert eigenlijk zèlf de weg naar deze avondmaalstafel doordat u, hier wonend, geen lid wenst te worden van .de gemeente Gods, waarvoor u door uw gang naar het avondmaal toch kiest.
Met christenen van elders, die niet Ned. Geref. zijn en avondmaal wensen mee te vieren zou kunnen worden afgegaan op het goede' getuigenis van familieleden die wèl lid van de gemeente zijn. Mijns inziens komt deze manier. van doen niet in strijd met de taak van de kerkenraad, de wacht te betrekken bij de tafel des Heren." De kerkenraad heeft de .opdracht te waken tegen ontheiliging van de tafel des Heren. Veelzeggend negatief gesteld.
Laten we nimmer vergeten dat het de tafel des Heren is, niet die van ons en ons "clubje".

6.Ongehuwd samenwonen
Deze manier van "leven" met elkaar kom je in toenemende mate tegen: We houden van elkaar en. daar heeft niemand verder wat mee te maken. In de meeste gevallen blijkt zulk samenwonen te worden opgevat als een proefhuwelijk: wie ertoe overgaat doet dat niet voor een paar dagen.
Tot mijn verrassing kwam ik in de serie: Anderhalve eeuw gereformeerden in stad en land, aflevering over Groningen het volgende tegen: In 1826 - dus vóór de Afscheiding - keerden de predikanten en de kerkenraad van Ulrum zich tegen de wilde huwelijken, blijkbaar met het geschrift: "Samenwoningen van ongetrouwde mensen van beider kunne". Mijns inziens deed men dat in die tijd veelal uit armoede. Omdat, zo lezen we verder, vermaningen weinig geholpen hadden werd in 1828 besloten: Kinderen die in onecht (dus uit ongehuwd samenwonende paren) geboren waren mogen niet met de echte dopelingen op dezelfde zondag gedoopt worden. Even verder heet het (ik neem aan dat dit slaat op ongehuwd samenwonen): Later werd de doopmaatregel opgeheven, kwam strenger vermaan maar werden geen verdere disciplinaire maatregelen genomen "in hope van meer licht en kragte in de Here". De socioloog prof. Van Hessen merkt op: Tot inde 18e eeuw is er aan seksuele relaties meer buiten dan binnen het huwelijk gerealiseerd. "Nieuwe vormen van samenleven hijgen zijns inziens tot op zekere hoogte het karakter van de bestendigheid van het huwelijk, zijn dus een soort imitatiehuwelijken. Het huwelijk, zo besluit hij, blijft HET oriëntatiepunt. Ondertussen: zitten kerkenraden met de vraag hoe hun houding dient te zijn. tegenover deze nieuwe vorm van menselijk samenleven. We zullen op grond van de bijbel de voorkeur moeten blijven geven aan 'een officieel gesloten huwelijk. dat afschaduwing mag zijn van Gods verbond met Zijn volk, Gód heeft gehuwden samengebracht. Het. huwelijk noemt Spr. 2 : 17 een "verbond VAN God", een goddelijk' verbond. Men zou tegenover ongehuwd samenwonenden aanvankelijk de volgende gedragsregels kunnen aanhouden:

a. de kerkenraad keurt deze manier van samenleven af, als in strijd met Gods bedoelen;

b. de kerkenraad blijft ongehuwd samenwonenden beschouwen als zijnde getrouwd. Ze mogen elkaar niet vrijblijvend behandelen noch zomaar in de steek laten. Dit staat' op dezelfde lijn als echtscheiding;

c. de kerkenraad dringe erop aan dat ongehuwd samenwonenden ten overstaan van overheid en familie in het huwelijk treden;

d. de kerkenraad moet ongehuwd, samenwonenden blijven vermanen, Ingeval een van hen of beiden belijdenis wenst (wensen) af te leggen van geloof dit niet toestaan en ingeval een van hen of beiden belijdende leden zijn, die (hen) niet disciplinair afhouden van het avondmaal (vanwege het feit dat betrokkenen zelf hun manier van leven niet zien als in strijd met Gods Woord èn vanwege ergernis die zulk samenwonen in de gemeente heeft verwekt). Tot tucht moet pas overgegaan worden hij duidelijke verachting van Gods evangelie;

e. de kerkenraad zal indien ongehuwd samenwonenden de wens te kerinen geven te trouwen hun huwelijk niet kerkelijk bevestigen aangezien het huwelijk eigenlijk reeds bestaat. Wel kan de kerkenraad toezeggen voorbede voor de pas gehuwden te doen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief