Terloops
1984-03-16
In 1982 overleed dr C. Rijnsdorp. Hij was 88 jaar en dus één van een bijna voorbije generatie. Wat me bij het lezen van z'n boeken altijd is opgevallen is zijn kennis van zaken en zijn frisheid in denken. Hij was een man die op een goede manier vasthield aan het oude, maar tevens blij was met het goede in het nieuwe. Daarom blijft zijn werk het waard om ook door jongeren te worden gelezen.- Jaargang 28
- nummer 11
Rijnsdorp hield jaren een dagboek bij.
Zijn laatste gedachten zijn na zijn overlijden verschenen en het leek me goed een aantal opmerkingen hier zonder commentaar door te geven.
Het zijn gedachten van een man die wist dat hij ouder werd en eens zou sterven. Hij kende ook de gebreken van de ouderdom en schreef daar rustig over.
23 mei 1978: Iedere morgen bij het wakker worden dezelfde vervelende tegenstrijdigheid: te moe om op te staan en te onrustig om te blijven liggen.
26 mei 1978: In mijn vorige dagboek hield ik me nogal eens met de dood bezig. Maar die (eigen) dood lag nog in het verschiet. Nu is het aanstaanden sterven concreet, biologisch en administratief.
16 juni 1978: Bij elke notitie in dit dagboek moet ik denken: Deze aantekening zal wel de laatste zijn; hierna weet ik niets meer, of ik zal in herhaling vallen?
9 juli 1978: Ik heb geen eigen wil meer. Ik voel mij maar het veiligste mij ingevoegd te weten in het weefsel van Gods wil. Noem het wil, noem het toelating: hoe kunnen wij het juiste woord vinden als het over God gaat?
Theologieën kunnen hierop ontsporen.
23 juli 1978: De zonde is na Auschwitz op aarde volwassen geworden.
2 november 1978: Ik haat sectarisme, partijdigheid en het denken in partij-categorieën.
21 november 1978: Als de Heer eenmaal zijn hand op je gelegd heeft, kom je er niet meer onder uit.
27 april 1979: Enkele oude aantekeningen ontdekt. Januari 1974. Ik heb weleens de indruk, dat een volgende generatie voor de onze geen goed woord zal overhebben.
De beste humanist mist een dimensie, die de slechtste christen wèl heeft.
Wat je schrijft en spreekt lijkt niets, maar als het er niet zou zijn of geweest zijn, zou er toch iets ontbreken.
11 juli 1979: Wacht niet te lang met een troostbezoekje aan deze weduwnaar, wil je niet tot de ontdekking komen dat hij zichzelf al getroost heeft.
4 februari 1980: Op mijn leeftijd bezie je de dood niet meer vanuit het leven, maar het leven vanuit de dood.
Je leven overdoen? De gedachte alleen al maakt me moe.
Ik ben dankbaar dat mijn ervaringswereld zich nu ook uitstrekt tot de hoge ouderdom.
6 mei 1981: Elk gelezen boek is hoogstens een volzin uit het totale boek van het leven.
Ik ben nu wel duidelijk op de stervenslijn aangekomen.
26 augustus 1981: De dood wet (scherpt) de zeis. Ik hoor het.
1 september 1981: In de schaduw van de voortschrijdende aftakeling is een merkwaardig lichtgroen gewas zichtbaar geworden: tevredenheid.
Jaarwisseling 1981/82: Wie werkzaam in het leven staat, moet wel aan de dood denken, maar handelen van het leven uit. Aan het einde evenwel bepaalt de dood het gezichtspunt. Dit brengt om te beginnen een sterk relativeringsproces op gang. Het leven heeft zijn betekenis niet verloren, maar het vertoont zich plotseling onder één enkel aspect: dat der betrekkelijkheid. Leven lang of kort, bekend zijn of vergeten, veel of weinig pijn te hebben geleden, het wordt alles doorzichtig als gevarieerd levensslot. En dan de grote verrassing: het loslaten van de activiteit leidt niet in een vacuüm! Als de mens niet meer kan medewerken, neemt God het initiatief over. Dan wordt het ineens heel duidelijk, hoe de Geest alle positief menselijk streven draagt en mogelijk maakt. Veel sterker nog: iets ongekends breekt zich baan, een uiterste ervaring; Gods werking wordt zichtbaar als essentieel en alles omvattend. Krachten van de toekomende eeuw worden oppermachtig in een vrij en stralend spelen met vuur en geluid. Gestalten verschijnen aan mijn bed; mijn bewustzijn lijkt zich te verdubbelen, alles ervaar ik als reeds gebeurd.