Simson, richter bij de gratie Gods
1984-03-23
Af en toe gaan je haren recht overeind staan, wanneer je het richteren boek leest. Dan word je aangegrepen door verontwaardiging, maar ook door verslagenheid.- Jaargang 28
- nummer 12
Verontwaardiging, dat het onbesneden heidendom zó sterk blijkt te zijn, dat het Israëls bestaan doet trillen op haar grondvesten.
En dan bedoel ik niet alleen Israël als natie, maar vooral Israël als volk van het verbond, als het bruggehoofd van Gods Koninkrijk in deze wereld.
De zonde is een macht, die voortdurend het bestaan bedreigt. De duivel gaat nog steeds rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden.
En alleen wie gelooft, behoeft voor hem niet bang te zijn.
Maar soms kun je daar wel eens boos over worden, verontwaardigd over zijn, dat de macht van de boze dat mooie werk van God te niet lijkt de doen.
Behalve verontwaardiging voel je ook verslagenheid. Dat Israël zich zo te grazen laat nemen door dit onbesneden filistijnendom. En nu ook weer deze richter van Godswege, Simson.
Hij valt de onbesnedenen als een rijpe appel in de schoot.
Onbegrijpelijk, maar het gebeurt ondertussen wel. Waar het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid niet geacht worden, daar vallen de slachtoffers.
Dat zie je overal om je heen.
Simson is twintig jaar richter geweest over Israël. Twee keer wordt daarvan melding gemaakt. Hoofdstuk 15 : 20 en 16: 31. Twintig jaar, waar we eigenlijk niet veel van weten, want de twee gebeurtenissen die ons beschreven worden vallen aan het begin en aan het eind van Simsons richterschap. Aan het begin staat het huwelijk van Simson met wat daaruit voortvloeide en het einde van Simsons leven staat in het teken van zijn ontmoeting met weer een filistijnse vrouw Delila. Zijn dit nu twee gebeurtenissen geweest, die typerend mogen heten voor Simsons richterschap?
Het lijkt er op. Wat er allemaal van Simson verteld kan worden als richter komt waarschijnlijk niet uit het niveau van deze twee verhalen, En dat is toch wel heel erg.
Eén bijzonderheid, buiten deze twee om, is nog vermeldenswaard gebleken, en dat is het optreden van Simson in Gaza (Richt. 16 : 1-3). Het huzarenstukje met de deuren van de stadspoort.
Simson neemt de deuren op z'n nek, sjouwt er kilometers mee en legt ze ter bezichtiging op een berg tegenover Hebron. Bepaald geen kinderwerk.
Opvallend is, dat in dit verhaal de naam van God niet genoemd wordt, en ook niet dat de Geest van God Simson aangrijpt. We krijgen eigenlijk veel meer de indruk, dat Simson in z'n eentje een soort schrikbewind voerde onder de filistijnen. Hij loopt de filistijnse steden en dorpen in en uit zonder dat iemand hem een strobreed in de weg legt. En uit het vervolg van hoofdstuk 16 blijkt wel dat de filistijnen inderdaad bang zijn geworden voor Simson.
Nog een opvallend gegeven is dat Simson de filistijnen vernedert door hun vrouwen te nemen. Zijn huwelijk met de vrouw in Timna, het bezoek aan de hoer in Gaza en dan tenslotte Delila in Soreh. Knarsetandend moeten de filistijnen toekijken hoe Simson hun vrouwen neemt. Zo vernederen in elke oorlog de overwinnaars hun verslagen tegenstanders.
Tussen haakjes, dit beeld is nu juist typerend voor heel de richterenperiode.
De verloedering in een maatschappij uit zich heel nadrukkelijk door middel van de sexualiteit. Het teerste dat er is in een menselijke relatie wordt levensgroot op het filmdoek geprojekeerd, zodat iedereen er mateloos in kan zwelgen. De ongezonde aandacht voor porno op de video is daarvan een zeer veeg teken.
Wie zich er voor geneert om naar een pornobioscoop te gaan, die haalt nu met behulp van de video diezelfde bioscoop in huis.
Nergens als in het richterenboek vinden we in de Bijbel zoveel voorbeelden van sexuele uitspattingen. De hoofdstukken die na Simson volgen onderstrepen dat nog eens nadrukkelijk.
De verloedering is dan pure perversie geworden.
Er is een opvallende parallel tussen hoofdstuk 14 en hoofdstuk 16. Ik bedoel het raadsel, dat in beide hoofdstukken een belangrijke rol speelt. In beide gevallen is het de oorzaak van Simsons val. We weten ondertussen wel dat het richterschap van Simson niet werd gekenmerkt door het Woord. En juist daarmee ben je als mens pas opgewassen tegen het geweld van Gods vijanden en ben je een echte steun voor je volk. Dat ontbreekt Simson ten enenmale. Simson sluit weddenschappen af d.m.v. raadsel-spreuken, maar daarmee maakt hij zichzelf ook onnoemelijk kwetsbaar en het luidt tenslotte het einde in van zijn richterschap. Kansberekening is een slechte methode om te overleven, daar is meer voor nodig. Dan kun je het stevige fundament van het Woord niet missen.
Het einde van Simson is eigenlijk erg tragisch. Geketend en met dode ogen draait hij in de gevangenis de molen.
Op het grote feest van Dagon is hij het mikpunt van de fitistijnse spot.
Al hun opgekropte frustratie laten ze neerkomen op het hoofd van de overwonnen richter.
En dan blijkt nog één keer dat Simson een richter van Godswege was.
God neemt het niet, dat de filistijnen sollen met zijn verlosser.
Ook al is Simson een richter geweest, die faalde toen het er op aan kwam, God laat zijn richter niet vallen.
En daarom heeft Simson ook een plaats gekregen in de rij van geloofsgetuigen in Hebr. 11.
Eén ding is ons wel duidelijk geworden bij het lezen in deze hoofdstukken van het richterenboek: de verlossing moet wel helemaal van Gods kant komen.
Willen wij delen in Gods beloften, dan is dat niet omdat wij zulke sterke en krachtige figuren zijn, zulke beste verlossers, maar dan is dat, omdat wij van Godswege een sterke Verlosser gekregen hebben: zijn Zoon, onze Heer, Jezus Christus.