Ken U zelf (3 - II)

1984-03-23
  • Jaargang 28
  • nummer 12
In het vorige artikel ging het over de groei van onze persoonlijkheid.
De gedachtegang was als volgt: in de moderne persoonlijkheidstrainingen gaat het om zelfverwerkelijking, die zich erop richt eruit te halen wat nu voor mij uniek is. Het gevaar bestaat dat dit niet GROEIEN is maar KRIMPEN.
De groei van de persoonlijkheid naar bijbels model wijst een omgekeerde richting van vereenzelviging met steeds wijdere en diepere verbanden in een besef van verantwoordelijkheid.
Waar zijn wij op uit: inschrompelen tot een eenzame uniekheid, of groeien in een steeds wijder besef van verbondenheid.
Romeinen 7 wijst ons de laatste weg.

Weerstand
In Romeinen 7 wordt de weg tot groei niet alleen gewezen, maar ook geopend.
Het laatste artikel eindigde met een schets van de weerstand die er in ons leeft tegen deze groei. Die weerstand is onze onwil, sterker nog onze onmacht om het gewicht van mijn hele identiteit op mij te nemen. Wij kunnen onze maximum identiteit niet aan.
De schuld is te zwaar (Gen. 4 : 13).
Intussen, die weerstand wordt iedere dag opnieuw in mij bewerkt. Want iedere dag opnieuw krijg ik vuile handen, kom ik in aanraking met mensen en met een samenleving waarbinnen ik tegen dat wat ik wens in, faal in het vervullen van het liefdegebod.
Iedere keer opnieuw doe ik dingen, die niet tot mijn eigenlijke 'ik' behoren. Dat blokkeert mijn groei.
Hoe meer ik mij ontplooi, hoe meer ik faal. Zo is de gedachtegang van Paulus in Rom. 7 ná vers 14.

De uitweg
Dan zien zij wel iets heel bijzonders gebeuren. Op het moment dat Paulus beschrijft hoe heftig die twee "ikken" in hem om de voorrang strijden en hoe de negatieve identiteit, als hij aan zichzelf wordt overgelaten, de overhand krijgt, dan plotseling staat in hem de roep op naar God en naar verlossing: "Ik ellendig mens, wie zal mij bevrijden uit deze aardse wurggreep?"
Dan pas ontdekt Paulus de betekenis van Christus voor de groei van zijn persoonlijkheid. Hij antwoordt zichzelf: "Gode zij dank, door Jezus Christus onze Heer".
Daarvoor is Jezus Christus gekomen dat Hij ons uit deze inkrimpende beweging verlost. De stagnatie in de groei van onze persoonlijkheid wordt doorbroken doordat Jezus Christus ons in staat stelt om ons negatieve "ik" onder ogen te zien en niet langer te ontvluchten.
Pas vanuit de vergeving wordt het mij mogelijk mijzelf te vereenzelvigen met mijn schuld. Dat is de wending in de relatie tot mijzelf die ik aan Jezus Christus te danken heb en die Paulus aan het slot van Romeinen 7 onder woorden brengt.

Want hoe eindigt de apostel dit autobiografische hoofdstuk? Met een conclusie waarin hij zegt: "Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de wet, maar met mijn vlees dienstbaar aan de wet der zonde".
De eerder in tweeën gespleten Paulus neemt hier in een hogere greep beiden onder zijn verantwoordelijkheid - zowel zijn positieve "ik", dat zich verheugde over het liefde-gebod, als zijn negatieve "ik", dat zich onderworpen zag aan de wet der zonde, beiden zijn een deel van Paulus zelf.

Eenheid i.p.v. gespletenheid
Het ik-zelf van vs. 26 omvat zowel Paulus' negatieve als zijn positieve identiteit. Hij is gegroeid: ineens is zijn identiteit uitgegroeid tot een zelf-besef waarin hij durft te zeggen: ja, de Paulus die Jezus vervolgd heeft, die ben ik ook, de Paulus die lid is van een Farizese sekte ben ik ook, die Paulus die lid is van een in Adam gevallen mensheid, ben ik ook.
Zijn identiteit is gegroeid.
Dat kan alleen als wij de relatie met ons-zelf mogen baseren in de relatie die God met ons heeft in Jezus Christus.
Alleen aan de voet van het kruis kunnen wij het zeggen: dat andere, dàt ben ik.
Alleen dáár waar Christus ons met God verzoend heeft komt de ruimte vrij om te zeggen: - in het geval van de lustmoordenaar - "ja hier ben ik” - ik erken dat ik dat andere, dat verschrikkelijke óók gedaan heb. Ik ben die éne mens die lijdt aan mijn falen, maar ook tegelijk dienstbaar ben aan de zonde".

Maximum identiteit
Intussen: die beweging in de ontplooiing van onze persoonlijkheid die dan begint, stopt niet bij de kleine cirkel van onze individuele daden. Ze groeit daaruit. In Christus komt er ruimte vrij om te erkennen: ik ben lid van dit volk, dat zulke wreedheid aan hun huurvolk bewezen heeft, ik behoor bij deze familie - met een bevlekt verleden, ik weet mij verbonden met dit ras, ook in wat het aan dat andere ras bedreven heeft. Dat noemde ik de groei van een minimum naar een maximum-identiteit.

Geen vlucht
Het is duidelijk: dat betekent geen vlucht meer wèg uit de kerk en samenleving, maar juist een leven in diepe verbondenheid mèt kerk en samenleving.
Want dat andere, dat ben ik.
Deze laatste zin is eigenlijk de vertaling van de Indische spreuk: "tat twam asi", (vgl. H. Thiellicke a.w. pag. 135). In India heeft die spreuk een pantheïstische zin. Toch zouden wij deze zin best kunnen dopen en hem, ontdaan van zijn pantheïsme tot lijfspreuk kunnen maken van deze door Christus mogelijk gemaakte groei van onze persoonlijkheid.


Tat twam asi
Dwars tegen het narcisme in, dat zich teleurgesteld terugtrekt uit de maatschappij (en/of de kerk) moest die spreuk onze lijfspreuk worden. Want het is een feit dar de structuren van de maatschappij en van de kerk een makro-kosmische afspiegeling zijn van wat er mikro-kosmisch in ons eigen hart zich afspeelt.
De hiërarchie in de kerk is een nauwkeurige uitstraling van de neiging tot hiërarchie in ieder mensenhart en de liberale maatschappij met zijn "recht van de sterkste", evenzeer als de socialistische met zijn jaloerse "al het jouwe is mijne", zijn wanstaltige vergroeiing in het groot van wat er aan kwaad leeft in mijn hart in het klein.

Afweermechanismen
Maar als dat zó is, dan begrijpen wij waarom allerlei afweer-mechanismen de vereenzelviging met die kerk en die samenleving en dàt ras of volk in de weg staan.
Het is veel gemakkelijker om met bijv. Bismarck de staatspolitiek van de zondagse kerkgang te scheiden en ons terug te trekken op onze minimum-identiteit. Het is te pijnlijk om ons te vereenzelvigen met collectieve schuld en met zelfs de wandaden van onze voorouders. Het kàn ook eigenlijk alleen aan de voet van het kruis.
Staan wij daar, dan is dat de enige weg die wij in de groei van onze persoonlijkheid mogen en moeten gaan.
Van een minimum náár een maximum.
Vàn die ene mens hier die dit éne zo goed kan en op dat andere zich beroemt, naar die totale mens die de last draagt van een gebroken huwelijk, een hebzuchtig volk, een uitbuitend ras of een inkomensgroep, die niets van zijn rechten prijsgeeft.

Pijn
Dat alles, dat ben ik. Ik? Ja - dat ben ik ook, zeg ik tenslotte, alleen omdat ik de pijn daarvan biddend kan kwijtraken en omdat ik weet dat aan de voet van het kruis ook nieuw leven opbloeit: de opgestane Heer houdt de visie levend op een samenleving die niet de afspiegeling is van onze negatieve identiteit, maar juist van mijn nieuwe "ik", een samenleving die ook in haar structuren de gestalte zal dragen van Christus, onze Heer, de nieuwe mens. De opdracht die vanuit déze persoonlijkheids groei onontwijkbaar is, is het oprichten van tekenen van die nieuwe wereld in onze gebroken wereld in de kracht van de Geest.

Angst
Kortom: wij mensen uit de 20e eeuw hebben angst, wij koesteren afweer en verdringingsmechanismen, die ons ervan weerhouden om ons-zelf te zijn en om ons-zelf in die maximale identiteit te herkennen, die wij hebben en zijn in een wijd spectrum van bewuste en onbewuste relaties.
Aan ons-zelf overgelaten is het wellicht onze grootste angst dat wij gedetermineerd zijn dat al deze relaties ons bepalen in plaats van wij hen.
Wij voelen ons een speelbal van ouders, aanleg, maatschappij of ras en uit die angst trekken wij ons terug op een heel schrale identiteit - ik ben, ja wie ben ik eigenlijk - ik ben alleen dat wat ik aankan en aardig goed doe, scheikunde of sport - vader van mijn kinderen of zoals ik mij hier en nu voel - de rest is mij een raadsel...
Door de kennis van Jezus Christus worden mijn angsten en onwil en verdringingen verbroken. De geschied= nis die God met mij heeft en de relatie door Christus met Hem breekt mijn horizont open, geeft mij de mogelijkheid om gemeenzame schuld oprecht te erkennen, maakt mij vrij in al mijn relaties, neemt de angst weg gedetermineerd te zijn, er is een ongekende toekomst voor mij, maar het maakt mij ook verantwoordelijk: als ik al deze dingen ben en heel de wereld is immers van mij, dan moet ik er in al deze relaties iets van laten zien, dat ik van Christus ben en Christus van God is.

Genezing
Wie ben ik? "Ken u zelve" begon ik dit artikel. Wie ben ik? Ben ik die aardige jongen zoals mijn studiegenoten me kennen, of die mevrouw, die zoveel doet voor India, of die moeder die gek is op haar kinderen, of dat meisje dat zo goed viool kan spelen?
Wie ben ik? Vul maar in.
Ik ben dàt ja, maar ik ben nog veel méér: ongetrouwd, getrouwd, zwart of blank, duitser of engelsman - zakenman of leraar, enz. enz.
Maar wat ten grondslag aan àl deze functies en relaties ligt: in dat alles ben ik door God gemaakt, van God vervreemd, door God gezocht, in dat alles ben ik door Hem vastgehouden en in dit alles en ondanks alles door Hem bemind. Dat weet ik door Jezus Christus die onze ziel geneest (Ps. 103).
Zonder die schat zou ik altijd vluchten in een minimum-identiteit. Mèt die schat kan ik de weg van het christendom gaan: die noodzakelijke groei naar een maximum-identiteit.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief