Ken u zelf (4 - slot)

1984-03-30
  • Jaargang 28
  • nummer 13
Uit het voorgaande is gebleken dat bij het mensbeeld van de bijbel één ding centraal staat: de mens kent zichzelf pas in relatie tot de Ander.
Dat betekent: hij kan zichzelf niet kennen behalve in de spiegel van het gelaat van de Ander. Wonderlijk is dat: wij hebben een spiegel nodig om dat wat ons het meest nabij is - ons gezicht - te kunnen zien. Wij krijgen het nooit rechtstreeks in het vizier. Precies zó hebben wij een spiegel, de spiegel van de Ander nodig om ons-zelf als persoon te leren kennen, om te weten wie wij zijn, om onze ware identiteit te vinden. Willen wij vanuit deze bijbelse visie een typering van de mens geven, dan is dat zoiets als: de mens is een relationeel wezen, maar liever houden wij ons ook in de terminologie aan de bijbelse taal: de mens is voor en tot verbond geschapen: is pas zichzelf in het verbond.

Op zoek
Volgens mij is hier ook een brug te slaan met niet-christenen bijv daar waar men van de mens zegt, dat het zijn wezen is te streven naar iets buiten hem. Hier is men niet ver van de bijbelse waarheid.
De mens reikt altijd uit boven zichzelf, tastend naar iets wat hij wel lijkt verloren te hebben. De Griekse traditie zegt ons: Wij zijn op zoek naar het "wezen" van de mens, waar wij al voortlevend naar tasten, de bijbel zegt: neen, het is de Ander (God) en de ander (Abel) die wij zijn kwijtgeraakt en toen wisten wij ook niet meer wie wij zelf waren (Gen. 4 : 12 "zwerver en vluchteling"), Pas in de " verzoende relatie met hen, waarin wij ons "zelf" niet langer zoeken in onszelf, maar het juist verliezen, vinden wij ons zelf weer terug. (vgl. Matth. 16 : 25).
Hier ligt dan ook de betekenis van het kruis van Christus voor alle antropologie.
Hij brengt ons terug naar God en naar de medemens!

Bijbels mensbeeld
Van hieruit laten zich enkele hoofdlijnen schetsen van een bijbels mensbeeld.
Wanneer het wezen van de mens wezen van die mens: schepsel, zonde Ander, dan is de mens in zijn kern religieus. (a); dan bepaalt de aard van die relatie het wezen van die mens: schepsel, zondaar of verloste, (vijand of broeder) (b); dan bepaalt de aard van die relatie of de mens vrij is of gedetermineerd - in die relatie is hij pas vrij om zichself te worden (c); Uit de aard van deze relatie volgt tenslotte, last but not least, de uniekheid van ieder mens (d).
De mens is voor God niet allereerst exemplaar van een soort, maar een uniek jij. Hij roept ons bij name (Joh. 10 : 37) en belooft zelfs een uniekheid die duizeling-wekkend is "een witte steen, met een naam er op, die niemand weet, dan die hem ontvangt (Openb. 2 : 17).

Het eind van de rit
Bij dit laatste punt (d) nu zou ik tenslotte nog speciaal willen stilstaan.
De bijbel belooft ons dat wij ons ware zelf pas zullen ontvangen aan het eind van de rit. Zoals nu zelfaanvaarding van het grootste belang is in de jeugd, en zelfontplooiing in de volwassenheid, zo is deze belofte van de voltooiing van ons mens-zijn als wij thuiskomen bij God van het grootste belang in de ouderdom. jezelf ontdekken is in zekere zin altijd al een vrucht van de liefdesrelatie.
Wij kunnen lang filosoferen over het zelf van de mens. De bijbel zegt ons dat het ons als vrucht van de liefdesrelatie gegeven wordt. Vooral in onze tijd worstelen veel mensen met die vragen. Wat is nu mijn eigenlijke zelf? Waar ligt mijn kern? Mijn uniekheid? Er kunnen zelfs momenten zijn waarop wij ons afvragen of wij wel zó'n zelf, zó'n unieke kern hebben.

Is de mens een ui?
Ik denk nu aan het bekende woord van Fromm die zei: sommige mensen vrezen dat het er met hen net zo voorstaat als met een ui. Als je een ui uitkleedt en hem een voor een van zijn rokken ontdoet, dan vind je in het centrum geen pit en geen kern, maar gewoon niets - een gat. Zou dàt onze toekomst zijn bij het ouder worden?
Zou dat onze laatste zelf-ontdekking zijn als wij ontmanteld worden en als tenslotte de laatste rok van ons wordt afgenomen: een gat, een leegte, een niets? Of mogen wij met een andere hoop tegemoet zien?
Zo kunnen wij lang filosoferen over het "zelf" van de mens en bange vragen stellen of er achter alle pleisterlagen wel zo iets als een zelf te voorschijn komt. . . maar de bijbel zegt: dat zelf zit er niet in als een onveranderd plaatje, een ding dat onder alle pleisterlagen te voorschijn zal komen; neen het is een vrucht, die groeit. De vrucht van een bevrijdende liefdesrelatie.

Thuis komen
Een mens is pas zichzelf in de aanwezigheid van iemand die hem echt en heel persoonlijk liefheeft. Daar komt ons "zelf" spontaan naar voren zoals het is. Je zou het zelfs de bijbelse definitie van ons zelf kunnen noemen.
Ons zelf dat is die persoonlijkheid die eruit komt als we in de aanwezigheid zijn van iemand die ons volmaakt en helemaal liefheeft.
Zeker: wij ondervinden van die liefdevolle aanwezigheid al iets vanaf onze vroegste jeugd - maar ze is daar altijd vóór-Iopig en gebrekkig - door de zonde gebroken.
In ons latere leven is het alleen die liefdevolle presentie die ons de weerstanden doet overwinnen tegen de groei van onze persoonlijkheid in in een steeds grotere wijdheid. Maar onze ouderdom wordt beheerst door de diepe verwachting dat nu de verschijning op handen is van die Ene, Die ons thuis zal halen en ons zal zeggen: zie hier ben Ik - en die ons in de weerschijn van Zijn gelaat zal laten zien wie wij eigenlijk waren.

Zonder sluier
De bekende Engelse auteur C. S. Lewis heeft een roman geschreven waarin hij deze finale beschrijft. De titel luidt: Het wordend aangezicht (Till we have faces).
De hoofdpersoon in deze roman is de prinses Orual. Zij was altijd gesluierd.
Want toen zij jong was had zij in de spiegel van haar vaders ogen altijd alleen maar de boodschap afgelezen: jij bent lelijk. Dat had haar tot het vreemde besluit geleid zichzelf voortaan re sluieren. Ja, sterker nog: het had haar tot de diepste twijfel gevoerd of zij zelf wel een gelaat had.
Als Koningin gaat zij steeds meer lijken op Un Ungit, moeder aarde, de godin zonder gezicht. Maar dan beo schrijft Lewis in dit boek ook die Ander, de God mèt een gezicht.
Slechts eenmaal was Hij aan haar zuster verschenen.
Aan het einde van het boek ondergaat zij een soort sterven - voordat zij sterft: plotseling beseft zij hoe egocentrisch zij altijd geweest is - onder àl haar zogenaamde opoffering. Dan is het uur rijp voor de laatste ontmoeting.
Zij treedt binnen in een zaal waar zij zichzelf ineens ziet staan naast haar altijd benijde zuster - aan de oever van een grote vijver. Dan gebeurt het wonder.
Als de Koning verschijnt ziet zij zichzelf weerspiegeld in het water - ineens zonder sluier en wat het water dan weerkaatst brengt haar tot de grootste verwondering. Ze ziet "een gelaat schoner dan men zich kon voorstellen" (blz. 391).

Toekomst-muziek
Dat is in de bijbel nog toekomstverwachting.
Wij blijven op aarde tot de Heer terugkomt - leven "in geloof en niet in aanschouwen" (2 Kor. 5 : 7).
Nu zien wij nog indirect en fragmentarisch, wat wij dan zullen zien van aangezicht tot aangezicht (1 Kor. 13 : 12). Pas dan zullen wij onze ware identiteit ontvangen.
Oog in oog met Hem Die ons heeft liefgehad tot het einde.
Die ontsluiting is toekomstmuziek.
Voor allen die in Christus zijn en Zijn verschijning hebben liefgehad mag dat een vreugdevolle verwachting zijn.
In Joh. 10 lezen wij dat in die ontmoeting ieder mens uniek zal blijken te zijn. De goede Herder kent de Zijnen bij name (vs. 3).
Hoe dat zal zijn wordt aan het slot van de bijbel uitgedrukt in een belofte, die wij lezen in Openbaring 2 : 17. Daar belooft Jezus Christus aan allen die volharden "een witte steen en op die steen een nieuwe naam geschreven, die niemand weet, dan die hem ontvangt".

Witte steen
Er is veel over te doen geweest wat Jezus nu wel bedoeld heeft met deze witte steen.
In de eerste plaats lijkt het mij toe dat wij hierin moeten terugdenken aan de woestijntijd van Israël. Daar zinspeelt deze brief herhaaldelijk op (zie vs. 14, Bileam en Balak en vs. 17a: het manna).
In die woestijntijd had Israël de opdracht gekregen om voor de Hoge priester een borstschild te maken waarop hij 12 edelstenen moest bevestigen, voor iedere stam een steen.
Zo droeg de Hogepriester in het Oude Verbond de stammen van Israël op het hart, als hij dienst deed. Hij deed dat nog in zeker opzicht collectief.
Jezus Christus, de Hogepriester van het Nieuwe Verbond, draagt de Zijnen naam bij naam, persoon voor persoon, op het hart. Bij Hem krijgt ieder een steen. Tegenover Augustus verschijnt hier Jezus als een Imperator (vs. 12) die de Zijnen niet anoniem inschakelt voor Zijn plannen, als naamloze pionnen op zijn schaakbord, neen Hij voert hen op Zijn weg ieder naar zijn of haar unieke bestemming.
Daarvoor moet eerst veel worden afgewassen en schoongemaakt. Dat zit in de tweede plaats opgesloten in de witte kleur van de steen.

Vrijspraak
Voor het verstaan van deze kleur moeten wij de uitleg zoeken in de Romeinse rechtspraktijk van die tijd.
Als 100 ten dood veroordeelden gratie vroegen aan de keizer dan kon het gebeuren dat deze er in zijn grilligheid aan 10 de vrijspraak gaf. Wie het waren kon hem niet schelen. Dan ging er een zak rond met 90 zwarte stenen en 10 witte. Wie de witte steen greep wist: ik heb vrijspraak en daarom het leven!
Zo is wit de kleur van de vrijspraak uit genade.
Niemand komt tot zijn ware mens-zijn of hij moet eerst die vrijspraak om niet - die rechtvaardiging van de goddeloze - door het geloof in Christus alleen - zijn doorgegaan.

Geen etiket
Tenslotte, in de derde plaats, staat er "een naam op die steen: die niemand weet dan die hem ontvangt".
Op de stenen op het borstschild van de priester stonden ook "namen", de namen van de 12 zonen van Jacob.
In Israël is een naam nooit zomaar een etiket - integendeel: het drukte, als het een goede naam was, iemands wezen uit. Zo verandert de Here Jacobs naam. Hij wordt van "Jacob" = hielelichter tot "Israël" = strijder met God. Zijn persoon verandert en dus zijn naam. (Gen. 32: 28; vgl. Ruth 1 : 20, Matth. 1 : 21, 16: 13 etc.).
Als in Israël iemand Visser heette, wàs hij het ook. Zo drukte, als het goed was, een naam altijd iets uit van iemands ware persoonlijkheid. Hoe beter de naam werd gekozen, hoe dichter die naar de kern van die persoon trof.
Nu: in het verlengde daarvan ligt deze belofte uit het laatste bijbelboek.
Zo zullen wij allen een naam krijgen op die witte steen, die niemand zal weten dan die hem ontvangt: zo persoonlijk en intiem zal die naam ons eigen levensgeheim tot uitdrukking brengen. Ook onoverdraagbaar.
Op niemand anders van toepassing.
Ik denk dat de Here dan pas goed zal kunnen doen wat Hij naar het boek Genesis vertelt, gedaan heeft op iedere scheppingsdag: dan zal Hij, als ieder groot kunstschilder na het aanbrengen van die naam een stap terugdoen en zeggen: ja, precies zó is het goed. Zó had Ik jou nu altijd bedoeld!

Een NIEUWE naam!
"Wanneer hier sprake is van een nieuwe naam, betekent het niet zomaar een andere naam. Er is ook niet het woord voor nieuw gekozen, dat doorgaans jong betekent, nieuw naar de tijd: neos, doch kamos, meestal: nieuw in de zin van nieuw volgens eigen aard, verscheiden van het gewone, vernieuwd. Het duidt niet een revolutie aan, doch een reformatie, een verbetering. "Nieuw" heeft hier in overeenstemming met Jesaja 62 : 2 de betekenis van "behorend tot de heilstijd" .
De nieuwe naam past in de reeks: het nieuwe lied, het nieuwe Jeruzalem, nieuwe hemel. en nieuw land, nieuw drinken van de wijn, nieuw verbond, nieuwe mens, nieuw "gebod en nieuwe leer: de glans van de messiaanse voleinding, die alles opheft en herschept. .. " (Openb. van Joh. II dr C. van der Waal, blz. 100).

Veelkleurigheid
Die glans van de Messiaanse voleinding, die het gelaat van de aarde veranderen zal, zal ook ons gelaat veranderen.
Beter, Zijn gelaat zal ook ons gelaat doen oplichten zoals het eigenlijk is.
Zoals het witte licht alle kleuren van de regenboog in zich draagt, maar die toch in een eindeloos veelvoud van kleuren uiteen doet breken, zo zal het witte licht van Gods unieke en eeuwigrijke persoonlijkheid uiteen blijken te breken in een eindeloze geschakeerdheid van unieke mensen, die ieder iets van God in zich dragen en die nu dankzij het werk van Jezus Christus, de Messias, dat beeld Gods eindelijk zullen dragen en vertonen en bovenal vieren!
Dat is het uitzicht dat wij mogen hebben als wij als christenen op zoek zijn naar de relatie met ons-zelf.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief