Het Liedboek

1984-03-30
  • Jaargang 28
  • nummer 13

Lied 242
Ook bij dit Lied is het bezwaar, zoals zo juist naar voren gebracht (Lied 237 t/m 241), niet geheel verdwenen.
Wat dit betreft is er een duidelijk verschil tussen de strofen 1 en 7 enerzijds en de overige. Door kleine wijzigingen aan te brengen is dit te ondervangen, zoals b.v. strofe 2: De Geest der eeuwigheid De trooster aller tijden deelt thans Zijn zegen uit aan wie Zijn komst verbeiden.
De heldere fontein die uit Gods tempel welt wordt tot een brede stroom die met de eeuwen zwelt.
Wat de melodie aangaat: het lied is populair geworden door de prachtige melodie van J. S. Bach. De grote toon omvang maakt het lied echter meer geschikt voor koor- of solozang dan voor de gemeentezang. "De ervaring heeft overigens geleerd dat dit bij gemeentezang geen onoverkomelijke hinderpaal behoeft te zijn mits de (noodzakelijke!) begeleiding helpt om de zangers a.h.w. "in de pas" te houden". (Comp. p. 589).
Tekst: 2-3; melodie: 2 (alleen uit 't oogpunt van de melodie-omvang).

Lied 243
De tekst van dit Lied wijst op een duidelijk verschil dat hier gemaakt wordt tussen de afschrikwekkende berg Sinaï en de heerlijke berg Sion.
De wijze waarop dit hier gebeurt komt ons echter niet juist voor: het wordt tot een tegenstelling gemaaktdie er nl. in wezen niet is: "toom en gloed" (strofe 1) tegenover "liefelijk en zacht" (strofe 2) (zie Hebr. 12 : 18-25).
De mooie melodie gaat bij afwijzing van dit lied helaas verloren.
Tekst: 1; melodie: 3.

Lied 244
T.a.v. de inhoud van dit Lied moet worden opgemerkt "dat het, veel minder een bepaalde gedachten gang volgt dan wel over de pinkster-thematiek in het algemeen mediteert; overigens is het een duidelijke vermaning, een opwekking over-en-weer, waarmee het ene deel der gemeente het andere herinnert aan Jezus' woorden uit (vooral) Joh. 14 : 16-18 en 13 : 14".
(Comp, p. 591). De vraagtekens in strofe 1 - regel 5 - leveren geen fraaie tekst, de Jericho-gedachte (strofe 3) is niet bepaald doorzichtig en behoeft wel de toelichting van het compendium: "de muren (van Jericho) die tot nu toe de blijde boodschap van het tot-allen-doorgaande heil hebben gebarricadeerd, bezwijken onder het geluid van de bazuinen opdat Gods kinderen de wereld in kunnen gaan."
De melodie is die van het bekende gezang "Wachet auf ruft uns die Stimme" (ook Lied 262 en 267 hebben deze melodie).
Tekst: 2; melodie: 3.

Lied 245
"De drie strofen van dit Lied hebben botrekking op de tekenen die de uitstorting van de H. Geest begeleidden: een geluid als van een geweldige windvlaag, tongen als van vuur en het taalhoorwonder". In strofe 1 klinkt tevens iets door van 1 Kon. 19 waar beschreven wordt hoe God zich aan Elia openbaarde: een geweldige wind, aardbevingen en vuur gingen voor Hem uit, maar Hij kwam in het suizen van een zachte koelte.
Dienovereenkomstig is in de 3e strofe de afstand en de huivering verdwenen in het verwonderde besef de Heilige te horen". (Comp. p. 592). In deze weergave treedt de werking van de Geest duidelijk naar voren.
De melodie tracht "iets van de tegenstellingen: Gods majesteit en de menselijke kleinheid, Zijn heiligheid en onze onheiligheid, gedrevenheid en stilte, spreken en stom-zijn uit te drukken in metrische en ritmische variatie".
(Comp. p. 593). Met het oog hierop moet het tempo niet te snel zijn.
Tekst: 3; melodie: 3.

Lied 246
De tekst-constructie van dit Lied lijkt ons nogal gezocht en weinig overzichtelijk, zoals dit in de strofen 2 en 3 met name het geval is. De verstaanbaarheid lijdt hier in sterke mate onder.
De melodie is goed, hoewel de ritmische structuur het niet tot een van de gemakkelijkste liederen maakt.
Tekst: 1; melodie: 3.

lied 247
Dit Lied is oorspronkelijk als dooplied bedoeld, wat uit de aanhef van de tweede strofe dan ook duidelijk blijkt. Het bevat goede bijbelse gedachten: vgl. in strofe 2: "wie weet vanwaar Hij komt" maakt een duidelijke toespeling op Joh. 3 : 8 (gesprek met Nicodemus) en de 2e regel van het slotcouplet is sterk betrokken op Rom. 8 : 26 (de verzuchtingen), zoals ook het slot van strofe 3 te maken heeft met Jezus' belofte in Joh. 14 : 26 ("De H. Geest, Die zal u alles leren").
De prachtige melodie, hoewel onbekend, is niet moeilijk te leren.
Tekst: 3; melodie: 3.

Lied 248
De tekst van dit Lied munt niet uit door duidelijkheid, zowel wat de beeldspraak als de rechtstreekse aanduiding betreft. Vrijwel elke strofe vraagt een toelichting, wil het lied voor de gemeente inhoud hebben. De dichter geeft in het compendium weliswaar enige aanwijzingen, maar deze roepen op hun beurt weer andere vragen op. Zo wordt b.v. met betrekking tot strofe 1 opgemerkt: "Wie is degene die in ons huis alles ondersteboven gooit? Wie is hij? Dat is zeker niet de god van onze religie. Het is die vreemde, andere God van Abraham, die onze vormvastheid ontwricht en t.a.v. strofe 2 (om maar niet meer te noemen): "Hij (God als Schepper) is niet de god der natuur, want die maakt van de natuur zelf deel uit, die is een der onzen. Maar Hij is Schepper en scheppen is scheiden: crisis". (Comp. p. 597).
De melodie is niet erg aantrekkelijk.
Mogelijk heeft dit te maken met de opmerking van de componist dat het lier' "met krachtige spanning van de adem en met grote trefzekerheid moet worden gezongen!"
Tekst: 1; melodie: 2.

Lied 249
Al achten we de aanhef van dit Lied niet bijster gelukkig wat vorm en woordkeus betreft, naar zijn inhoud is het geheel toch wel aanvaardbaar.
"Het is een lied in drie coupletten zoals er wel preken bestaan in drie punten.
1. het gebed om de Geest; 2. het ontvangen van de Geest en 3. het getuigen door de Geest. Bij 'de vuurvogel van de vloed' (strofe 2) is gedacht aan Genesis 1 : 2, bij de duif boven de Jordaan aan Matth. 3 : 16".
(Camp. p. 599).
Voor het schrijven van dit lied had de dichter de bekende melodie van "Dankt, dankt nu allen God" in gedachten genomen voor een blij en uitbundig lied.
Tekst: 3; melodie: 3.

A. t.a.v. de tekst der liederen:

het cijfer 1 bij niet voluit Schriftuurlijke tekst, b.v. vanwege het humanistisch karakter of door een sterke piëtistische inslag;

het cijfer 2 bij een weliswaar Schriftuurlijke, maar niet direct begrijpelijke, en aanspreekbare tekst;

het cijfer 3 als de tekst volkomen Schriftuurlijk en zonder meer verstaanbaar is.

B. t.a.v. de melodie der liederen:

het cijfer 1 voor een niet-aanvaardbare melodine;

het cijfer 2 voor een onbekende melodie die na enige oefening, eventueel met behulp van een koor, door de gemeente wel te zingen is en voorts ook voor een melodie die niet bepaald tot "de beste" behoort;

het cijfer 3 voor "een goede" melodie, geschikt voor de gemeentezang.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief