Kunst vanuit een christelijk perspectief

1984-04-06
  • Jaargang 28
  • nummer 14

Lucas 11 : 33·36

Niemand steekt een lamp aan en zet die in den kelder of onder de korenmaat, maar op den standaard, opdat wie binnentreden het licht zien.
De lamp van het lichaam is uw oog.
Indien dan uw oog zuiver is, is ook uw gehele lichaam verlicht, maar, wanneer het slecht is, is ook uw lichaam duister.
Zie dan toe, dat wat licht in u is niet duisternis zij. Indien dan uw lichaam geheelverlicht is en geen deel duister is, zal het geheel verlicht zijn, evenals wanneer de lamp u met haar schijnsel verlicht.

Het is mijn bedoeling om een aantal weerstanden die veelal binnen christelijke kring tegen kunst (en soms cultuur in het algemeen) bestaan aan de orde, en aan de kaak te stellen. Ik wil proberen om het onchristelijke van deze hardnekkige weerstanden te laten zien en ook een poging wagen om tot een soort doorbraak te komen althans een aanzet geven van waaruit wellicht een nieuwe doordenking van veel bestaande vooroordelen jegens de kunst mogelijk zou kunnen worden.
Ik hoop dat dat zal lukken, maar ik vrees het ergste.
Het bekijken van kunst vanuit een christelijk perspectief is een zaak die niet alleen een denk-houding betreft, maar ook een kijk-houding.
Fundamenteler dan het misschien wat negatief overkomen van wegnemen voor vooroordelen, is dan het tweede gedeelte van mijn poging: namelijk het onbevooroordeeld kijken, het open en ontvankelijk zien van de dingen zoals zij zich voordoen te stimuleren.
Ik hoop dat ook dát lukt, en wat dat betreft heb ik goede hoop. Hoop die gebaseerd is op een thans vijfjarige onderwijskundige ervaring met studenten van 20-25-jarige leeftijd.
Het is eigenlijk heel triest om te moeten toegeven - vooral aan diegenen die misschien belang hebben bij en geïnteresseerd zijn in een goed orthodox christelijk en principiëel verhaal - dat ik iets dergelijks eenvoudig niet, of liever niet méér relevant vind. Triest omdat ik daarmee de indruk wek dat principes, of een christelijke grondhouding er niet toe doen. Dat doen zij namelijk wél, en dat is ook mijn mening. Maar het gelovig aanvaarden van het christelijke dogma en het ontvankelijk zijn voor kunst zijn - althans voorzover ik dat kan constateren binnen de Christelijke Academie voor Beeldende Kunsonderwijs te Kampen - twee volstrekt verschillende zaken.
Natuurlijk gaat dat allereerst over de vraag of kunst tot het christelijke leven behoort of niet. Christelijk Gereformeerden en ook Oud-Gereformeerden en de Gereformeerde Bond vinden eigenlijk van niet.

In het geding is daarbij de cultuurtaak van de christen in de wereld.
Er zijn christenen die positief tegenover de cultuurtaak staan, er zijn er die er sceptisch tegenover staan, en er zijn er die er zeer negatief tegenover staan. Er zijn bovendien nog christenen die de cultuur als zodanig - de wereldse cultuur - verwaarlozen, maar zich positief inzetten voor een specifiek christelijke cultuur (Calvin Seerveld) of een christelijke sub-cultuur, zoals wijlen prof. Rookmaaker dit zou noemen. Andere christenen vinden zoiets een onzinnige en achterhaalde zaak, verwerpen ook instituten als de Evangelische Hogeschool en de Evangelische Omroep op grond van de indoctrinatie en eenzijdigheid die hiervan uitgaat, laat staan de wervende kracht die dergelijke instellingen zouden kunnen hebben.
Wéér andere christenen doen net alsof er geen reformatie plaatsheeft gevonden en spreken eenvoudig over christelijke kunst, met voorbijzien van de beeldenstorm en de secularisatie in de 16e en 17e eeuw.
Ik wil maar zeggen: het is simplistisch om eenvoudigweg te veronderstellen dat er één christelijke manier van kijken naar kunst zou bestaan, en dat ik die nu juist in dit artikel zou gaan behandelen. Er zijn duizend en één manieren om naar kunst te kijken, en de christelijke manieren van kijken maken daarop (helaas) geen uitzondering. Al naar gelang iemand voor zichzelf een bepaalde taak op aarde ziet (bijvoorbeeld sociaal-
maatschappelijk werk, of werk in de ontwikkelingslanden) zal zijn kijk op kunst, en zijn waardering van de kunst anders zijn dan degene die zich in de eerste plaats geestelijk bezighoudt met Gods geboden en de komst van het Koninkrijk, met de wederkomst van Christus, het laatste oordeel en de uiteindelijke verlossing en verzoening.

Mijn eerste stelling zou dan ook luiden:

Er is niet een, maar er zijn meerdere christelijke perspectieven van waaruit men de kunst kan bezien.

Het tweede dat ik vooraf aan de orde zou willen stellen betreft het moralisme van waaruit (naar mijn idee veel te veel) christenen zich een oordeel over kunst aanmatigen. Enerzijds constateer ik een ongelooflijke onkunde wat betreft de kunst en de geschiedenis van de kunst, ofwel een volstrekt amateuristische belangstelling voor de kunst - anderzijds constateer ik een moralistische oordeel-houding om maar te zwijgen over de als onchristelijk of anti-christelijk gedoodverfde moderne kunst, en wel categorisch over de gehele linie.
Blijkbaar hebben veel christenen toch van nature, of onbewust een bepaald beeld van wat naar hun overtuiging kunst zou moeten zijn, of hoe kunst eruit zou moeten zien. Afwijken van de realistische weergave, van de fotografische herkenbaarheid behoort binnen deze optiek tot zonde, tot afvalligheid, tot verderfelijke verleiding en revolutie tegen Gods scheppingsordonnantiën.
Maar ook in de verkettering van de moderne kunst zijn nuanceringen aan te brengen. Het maakt nogal verschil of Rien Poortvliet - bekend christenkunstenaar, geprotegeerd door de EO, in zijn categorische uitspraken over de abstracte schilderkunst aan het woord is, of de criticus wijlen Cornelis Rijnsdorp, die in zijn Literair dagboek het volgende opmerkt (14 oktober 1940, pag. 45) "Ik kom maar niet los van de gevallen bladeren, die ik op straat zie. Door het droge, zonnige weer zijn het bijna stuk voor stuk coloristische meesterstukken. Wat een mens niet kan maken strooit God achteloos in de herfst voor je voeten. Bij honderden. In de meest "levend" geheten, menselijke kunst zit een element van dood: de figuren op een schilderij bewegen niet en zijn stom; het licht schijnt niet, de bomen bewegen niet en de bloemen geuren niet.
Maar ook: het dook en de verf zijn aan bederf, aan vernietiging onderhevig.
In de natuur overweegt het levende, zelfs in het stervende of zogenaamd "dode". De Parklaan met zijn grote tegels, overstrooid met iepeblaren en blad van wilde wingerd, is goed beschouwd een zeer milde bespotting van alle menselijke kunst."
Rijnsdorp is in zijn spreken zeer mild en behoedzaam. Hij verkettert niet en alvorens een oordeel uit te spreken neemt hij alles en iedereen volstrekt serieus. Ook de moderne kunst mag wat hem betreft eerst zeggen wat er te zeggen valt, mag (en moet) éérst aangehoord en goed bekeken worden.
Met Rijnsdorp is de christelijke wereld een zeer kundig en zeer christelijk criticus ontvallen. Juist omdat hij niet moralistisch en bevooroordeeld schreef en oordeelde.

Mijn tweede stelling zou luiden:

Veel christelijk oordeel overkunst ontstaat uit een moralistische (bevooroordeelde) vertekening van de werkelijkheid.

Ik constateer op grond van dingen die ik in kranten en tijdschriften van christenen lees en bespeur, dat christenen geen kunst zien.
Zij zien geen kunst omdat zij dat niet kunnen zien, niet mogen zien of niet willen zien. Alles is mogelijk, en komt bovendien vaak nog gecombineerd voor. Maar als christenen geen kunst zien, dan zien ze wat anders.
Iets dat zij goedkeuren of afwijzen misschien op grond van een herkenning - maar meestal niet op grond van een aangeboren of ontwikkeld en aangeleerd kunstbesef. Want dat is er niet.
Het kunstbesef is bij christenen nooit ontwikkeld geweest, eeuwenlang niet.
Zeker niet bij het protestantse volksdeel van onze natie.
Er heerst 'n algemene cultuurloosheid - en ik denk dat het goed is, en ook voor een discussie in Opbouw zinvol is - om deze stand van zaken vooraf vast te stellen, vóórdat wij ertoe kunnen overgaan om erover na de denken hoe christenen, christelijke studenten cultuurbewust kunnen worden gemaakt, en óf dit überhaupt mogelijk is.
Ik zal vervolgens een aantal concrete voorbeelden geven van gevallen waarin christenen inderdaad geen kunst zien, maar iets anders.
Er bestaat een AKKV, een christelijke kunstenaarsvereniging die vroeger katholiek was en tegenwoordig algemeen christelijk. Veel leden van deze vereniging zijn dus opgegroeid in een katholieke, kerkelijke traditie. Als christen-kunstenaars streven zij naar kunst die eeuwige christelijke symbolen op een algemeen verstaanbare, eventueel eigentijds aangepaste wijze vertolkt en uitbeeldt. En zij verwachten dit ook van de Christelijke Academie in Kampen. Wanneer het christelijke binnen de Academie géén weerklank zou vinden, wanneer er dus überhaupt geen kerkelijke, liturgische of zgn. "sacrale" kunst aan de Academie zou worden onderwezen en gemaakt, dan zou men volgens het AKKV zich maar eens moeten bezinnen op wat men eigenlijk aan het doen is. Kunstonderzoek en experiment zijn in dit perspectief slechts dan toegestaan als oefenterrein om later, gerijpt, in de christelijke traditie verder te werken, hetzij buiten maar natuurlijk het liefst binnen een kerkelijk verband, en met de Kerk als potentiële opdrachtgever, Christelijke kunst is dus het hoogstmogelijke.
Kunst van christenen - dat is de kunst waarop niet per definitie christelijke symbolen afgebeeld zijn - kan er desnoods ook nog mee door, maar kunst om de kunst, I'art pour l'art, kunst zómaar, zonder diepere inhoud, zonder bedoeling ... nee, daarmee verloochent men als christen toch zijn eigenlijke roeping. Die kunst bestaat dus eigen:lijk niet, die ziet men niet, want hij past niet binnen de christelijke horizon, het christelijke gezichtsveld.

Een tweede voorbeeld. Er zijn evangelische christenen die kunst in feite uitsluitend zien als een middel om te getuigen, te evangeliseren, te catechetiseren of te beleren. Soms zelfs dát niet eens.
Kunst uitsluitend als aanleiding tot een gesprek. Een gesprek over het geloof, over de verlossing in Christus uiteraard. Ik zeg dit niet spottend. Ik bedoel het zeer ernstig. Waar het om gaat is, dat de kunst als een functie wordt gezien zonder eigen betekenis.
Kunst is dan het middel tot een doel, namelijk het bekeren van mensen en uitsluitend dat doel telt. De wezenlijke opdracht voor ieder gelovig mens is immers om Christus' getuige op aarde te zijn, waar dan ook en hoe dan ook. Ook deze christenen zien geen kunst. Hun levensdoel heeft zich versmald, tot een vergeestelijkte en beperkte opvatting van de navolging van Christus. Men zou het een "naturalistische"
ja, een "materialistische" nabootsing kunnen noemen, hoewel men het juist zeer geestelijk bedoelt!
Bij deze christenen is vaak ieder levensgenot verdwenen, want opgeofferd aan het heilig levensdoel. Ook de kunst komt niet aan bod, want hoort er niet (wezenlijk) bij. Kunst als kunst is irrelevant, doet niet terzake.
Terzake is alleen of iemand tot bekering komt. Ook voor dit soort christenen (noem het een dwarslaag in de christenheid volgens Liebje Hoekendijk) bestaat er dus eigenlijk geen kunst.

Een derde voorbeeld. Er zijn christenen die geen kunst zien omdat kunst eenvoudigweg niet tot hun christelijk levenspatroon, en binnen hun christelijke horizon past. Kunst wordt door heil per definitie geweerd als behorende tot het terrein van de wereld waarmee men zich niet mag inlaten, omdat men er anders wellicht mee besmet kan (zal) worden.
Cultuur wordt in het algemeen door deze christenen gemeden, ook de wetenschap en met name de psychologie wordt wantrouwend bejegend, maar in het bijzonder onthoudt men zich van film, televisie, toneel, dans, beeldende kunst en spel. Alleen de woordkunst als christelijke (dominees)poëzie en zangkunst als bijbelse psalmzang zijn toegestaan. Binnen dit perspectief heeft de beeldende kunst zelfs geen functie. Kunst kan alleen verleiden, bederven, van de Here God afvallig maken en vervreemden. Deze christenen zien geen kunst omdat zij geen kunst mógen zien.

Een vierde voorbeeld. Er zijn christenen die weliswaar kijken naar, en letten op kunst, maar uitsluitend letten op de boodschap, op de inhoud, op het onderwerp of het thema. Zij zoeken in de kunst een geestelijke meerwaarde die het (materiële) werk op een hoger plan brengt en het tot een hogere zijnsorde transcendeert.
Alleen het daarachterliggende en verscholen verhaal, het geestelijk uitgangspunt telt. De kunst is in dit geval
slechts de illustratie van de idee, heeft als functie de verbeelding der idee en de beeldende middelen, ofwel het. artistieke vakmanschap is slechts het voertuig om deze idee te visualiseren en om te realiseren. Deze manier van kijken kan zóver gaan dat bijvoorbeeld een uitgesproken slechte materiaalbehandeling eenvoudig niet wordt opgemerkt, verblind als men is voor uitsluitend de idee. Het artistiek gebruik van vorm, kleur, ritme en compositie doet als zodanig dus ook weer niet terzake, en wordt zeker als zodanig niet onderkend laat staan gewaardeerd.
Immers, niet de artistieke middelen zijn belangrijk, maar datgene wat ermee gedaan of gezegd is. Ook hier wordt de kunst niet als kunst gezien of ervaren.

Wéér een andere vorm van geconditioneerd kijken naar kunst - het vijfde voorbeeld - is het gebruiken van kunstwerken als aanleiding tot meditatie of gebed. Sommige ikonen of altaarstukken hebben in de kerk vroeger, en soms ook vandaag de dag nog, zo gefunctioneerd. Het gaat dan eigenlijk alleen om de vroomheid die bij de beschouwer door het kunstwerk wordt opgeroepen, wordt opgewekt.
Ook hier is dus alleen het geestelijke gehalte van het kunstwerk van werkelijke waarde, het onstoffelijke, goddelijke, eeuwige. De kunst is hier geen afbeelding, maar teken.
Het staat voor een goddelijke werkelijkheid, en datgene wat is afgebeeld wordt ook wel het "prototype" genoemd. De kunst wordt hierbij niet als kunst gezien, maar als een herinnering aan de eeuwige heilsfeiten, die men zich alleen geestelijk kan toeeigenen.
Als kunst een teken is, een symbool of een "chifre" zoals de filosoof Karl Jaspers zegt, ontwijkt men weliswaar het dilemma van vorm tegenover materie, maar ook dán wordt de kunst nog niet als kunst gezien.

Tenslote een zesde voorbeeld.
Er zijn christenen die wél naar kunst kijken, maar alleen naar kunst die afleesbaar, begrijpelijk en herkenbaar is. Kunst die aansluit bij het zogenaamde "realisme" van de Gouden Eeuw, bij Rembrandt, bij het adagium "vakmanschap is meesterschap", bij het nauwkeurig fijnschilderen in de trant van Jan van Eyck en Vermeer.
Dát is pas echte kunst meent men. In ieder geval is de zichtbare werkelijkheid de norm voor deze kunst. De kunst bezingt de lof van de schepping.
Zij is vooral dienstbaar omdat zij het vertrouwde beeld van de werkelijkheid weergeeft. Dat dit soort kunst in het vaarwater komt van de fotografie acht men van geen enkel belang. Ook hier wordt de kunst niet als kunst gezien omdat zij slechts functioneertals debevestiging van een werkelijkheid waarin men niet meer leeft, een werkelijkheid waar men veeleer naar terugverlangt.
Wanneer men slechts een ogenblik stil staat bij de gedachte dat de schepping zucht in al zijn delen, en dat allerwegen een besef is ontstaan dat wij de schepping hebben aangerand en vernietigd, dan zal het duidelijk zijn dat het beeld van een harmonieuze, ongeschonden schepping een idealistisch beeld is van de werkelijkheid - ja, een geloofsuitspraak is die zeker zijn waarde en geldigheid heeft, maar soms averechts als absolutistische waarheid wordt misbruikt.

In alle voorbeelden die ik zojuist heb gebruikt wordt de kunst niet als kunst gezien, ervaren, ondergaan of gewaardeerd.
Ofwel men vindt dat de kunst alleen in de kerk een functie heeft, ofwel zij moet de aanleiding tot een geestelijk gesprek zijn, ofwel de kunst is per definitie ah werelds uit den boze, ofwel zij wordt slechts gebruikt als aanleiding voor meditatie en gebed, ofwel men ziet alleen de boodschap van de kunst met voorbijgaan aan de materiële behandeling van de beeldende componenten, ofwel alleen een bepaald soort "realistische" kunst is toegestaan.
De kunst als kunst, de kunst als mogelijkheid, als nieuwe confrontatie met de werkelijkheid, als verruiming van de eigen horizon, wordt niet overwogen. De kunst heeft men in feite verworpen. Men weet er geen ra ad mee, en beseft tegelijkertijd niet dat men iets essentiëels mist. Een belangrijk levensterrein wordt op deze wijze tot verboden terrein verklaard en men vergeet of verliest zijn eigen zintuiglijkheid.

Dat is dan tevens mijn derde stelling:

Een christen die zich waarachtig wil inlaten met de kunst zal vaak zintuiglijk opnieuw geboren moeten worden.

Eigenlijk is het diep tragisch dat veel christenen, uit welke motieven zij ook gedreven worden, het mooie, aesthetische van het leven en van de wereld hebben weggegooid. Zij zijn als het ware aan de kant van de weg gaan staan om vanaf de veilige stoeprand hun vastheid in de ware leer der godzaligheid te betuigen, om zich tevreden te stellen met een zware dogmatiek zonder vlees en bloed, zonder spontaneïteit en levenslust. Zij hebben hun leven daarbij verloren en zichzelf tot steriliteit gedoemd in de overtuiging dat zij in de wereld maar niet van de wereld om Christus wil het goede doen, wat dit ook moge betekenen.
Hoe men verder ook over zijn/haar eigen cultuurtaak moge denken, en welke rol men wat voor soort kunst ook maar daarin een rol moge toebedelen - het minste wat men óók en juist als christen te doen heeft is' het serieus nemen van uitingen van beeldende kunst. Men zal moeten proeven om te kunnen toetsen, en men zal vervolgens pas moeten toetsen om het goede te kunnen behouden. Wat ik veel christenen dus verwijt is, dat zij hebben verleerd of zijn vergeten te proeven.
Niet meer proeven - dat wil zeggen de tastzin, het gehoor en het gezichtsvermogen verloren hebben. Het betekent: geen zintuiglijk contact (meer) hebben met de kunst - en in bredere zin: met de ons omringende werkelijkheid.

Met de toesluiting van onze zintuigen gaat een verlies aan werkelijkheidservaring gepaard - en dan bedoel ik een existentiëel, lichamelijk voelbaar contact met de échte, volle werkelijkheid.
Helaas is dat niet een zonde van onze tegenwoordige tijd, maar stamt deze houding reeds uit de nadagen van de Reformatie in de Nederlanden, uit de dagen van het piëtisme en het latere methodisme. Ons huidige gereformeerde leven is daar echter nog volop mee besmet, en van doordrenkt.
Het is een onbijbelse en een onchristelijke houding. In Lucas 10 staat n.a.v. de gelijkenis met de barmhartige Samaritaan dat wij de Here God moeten liefhebben met geheel ons hart, met geheel onze ziel, met geheel onze kracht en met geheel ons verstand. (vers 27) Wanneer wij dit doen vervullen wij de wet, Maar wij doen het niet. Wij doen maar een gedeelte en laten het grootste deel van deze Bijbelse opdracht liggen.

In ons christelijke leven speelt vooral het rationele, verstandelijke een grote rol, en daarnaast datgene wat wij het "geestelijke" noemen, dat veelal echter weer een soort aftreksel is van dat verstandelijke.
Het is geen zonde van uitsluitend christenen, want het is een kenmerk van het huidige denkklimaat in het algemeen. In alle discussies over ingrijpende zaken die het menselijke leven in zijn kern raken, spelen grotendeels verstandelijke, logische, economische, berekenbare argumenten een rol. Niet de gevoelsmatige, fantasierijke, intuïtieve en ervarings-argumenten.
Niet de factoren die worden bepaald door onze waarneming, door ons aanvoelen van de dingen. Daar zijn we onzeker in. Die factoren vertrouwen wij niet helemaal, ja, we leggen ze een zwijgen op, terwijl het juist belangrijke ingrediënten zijn die ons mens-zijn en onze persoonlijkheid bepalen.
Wat is religie?Wat is dan waarachtige godsdienstigheid, échte vroomheid?
Niet wat wijzelf vinden en datgene wat nog eens bevestigd wordt in de catechismus-boekjes omdat wij, zonder daar erg in te hebben, in ons denken gehersenspoeld zijn door het geseculariseerde denkklimaat en voor "geestelijk" houden wat in wezen beneden-menselijk of gewoon burgerlijk is. Echte religie is: genade vinden in de ogen des Heren (Genesis 6: 8).
Waarom vond Noach genade in de ogen des Heren? Niet alleen omdat hij rechtvaardig was en onberispelijk, maar omdat hij wandelde met God.
Dat drukt een mentaliteit, een vertrouwens-relatie uit. God was Heer over zijn gehele leven, tot in alle details.
Niet uit een soort pietluttigheid, of uit angstvalligheid, maar omdat het de gewoonste zaak van de wereld was.
Omdat voor Noach de wereld en de gang van zaken in zijn leven buiten God om volstrekt onbestaanbaar was.
Dat was geen zaak van berekening, van verstandelijk management. Dat was ook gevoel, emotie, hartstocht, brandende liefde, waarneming, persoonlijkheid, beleving en ervaring, schoonheidsgevoel, warmte, openheid, en nog vele andere facetten die wij uit het oog hebben verloren. Wat wij tegenwoordig voor het christelijke leven aanzien is veelal een zouteloos aftreksel van een risicoloos, voorstelbaar en een saai leven. Bah!

Deze zintuiglijke armoede verschraalt ons leven en bepaalt grotendeels ook onze houding tegenover de kunst, om maar te zwijgen over onze afkeuring van de moderne kunst. Niet dat ik over de gehele linie een pleidooi zou willen voeren vóór die moderne kunst - want daarin is ook behalve een heleboel moois een heleboel lelijks en slechts te vinden - maar wat ik bedoel is het volgende: door het toepassen van schematische theoretische denkbeelden op de kunst, en het onderwerpen van de kunst aan morele (meestal moralistische) normen, komt men er niet meer toe om de kunst zintuiglijk waar te nemen, lijfelijk te ondergaan en er ook zo mogelijk van te genieten. De échte confrontatie ontbreekt dus - en dát noem ik onchristelijk.

Het wordt mijn vierde stelling.

Kunst is nietafhankelijk van normen of waardeoordelen, maar wij zijn afhankelijk van onze zintuigelijke ervaring en beleving.

Natuurlijk hebben normatieve criteria en kunsttheorieën hun relatieve waarde, maar om van kunst te genieten en om er "gewoon" (onbevooroordeeld en niet-theoretiserend, analytisch) naar te kijken, moeten onze zintuigen in alle opzichten worden geactiveerd.
Het zogenaamd "geen verstand hebben van (moderne) kunst" is onder christenen een vaak gehoord excuus en een al te doorzichtige uitvlucht die een gebrek aan werkelijke interesse voor de kunst moet camoufleren en ook een geconditioneerde waarneming, een vereenzijdigd kijken moet bedekken.
Als wij als christenen werkelijk religieus willen leven, waarachtige vrome christenen willen zijn, dan zullen wij moeten beginnen met de erkenning dat aan onze "compleetheid" nog veel ontbreekt en dat het erom gaat als volledige, ontwikkelde mensen zicht te krijgen op de volle werkelijkheid waarvan de kunst één aspect is. Het betekent niet dat nu iedereen, ook de minst begaafde of de volstrekt nietgetalenteerde, kunstenaar moet worden, maar wel dat een ieder óók met de ogen van een kunstenaar moet leren kijken om een andere, en rijkere werkelijkheid te leren zien. Kunstenaars zien niet méér van de werkelijkheid dan andere mensen. Zij zijn geen supermensen, maar anders gedisponeerde mensen. Zij zien de werkelijkheid op een andere manier. De potentiële mogelijkheden van de kunstenaar, die door middel van de kunst bepaalde facetten van de werkelijkheid kan belichten zouden niet langer door ons genegeerd mogen worden, Het is bij uitstek één van de mogelijkheden waarop wij het zicht op een rijkere werkelijkheid kunnen herkrijgen evenals dit mogelijk is door middel van de literatuur, de muziek, de dans, het toneel etc.
Wie eenmaal oog heeft gekregen voor de kunst zal vervolgens merken dat kunst geen geïsoleerde positie heeft binnen ons bestaan, maar dat heel onze leefomgeving, geheel onze cultuur méde door kunst bepaald is.
Als aanmoediging tot de geest die over christenen vaardig moge worden heb ik een gedicht uitgekozen van Ida Gerhardt, namelijk Dolen en dromen (1980) waarin zij op gevoelige wijze een wandeling beschrijft in de door haar geliefde stad Zutphen. Op deze tocht beschrijft zij hoe alles stem kreeg, hoe alles open ging.
Ida Gerhardt komt tijdens haar wandeling telkens een jongen tegen die haar opvalt en waar ze over nadenkt.
Zij betreedt dan het museum en ontmoet deze jongen opnieuw. Het gedicht luidt dan verder:

Als immer ga ik, ter initiatie,
rechts van de trap de kleine zijzaal in.
Hier is het, onveranderd. Ameland
van Dora Esser. Frank en ongetemd
verwijst het windomwaaid naar open zeeën
laat, als steeds, het antwoord aan mij over.

Ben "ik hier boven eigenlijk alleen?
Nog in gedachten loop ik regelrecht
naar de achterzaal. Ik schrik: is hij het nu,
of droom ik het zomaar? Hij is het wèl;
hij staat, beschroomd en ernstig, bij een wand
met aquarellen van de Walburgskerk.

Laat ik niet in de weg zijn. Het besef,
praegnant, van er-te-zijn kan in een kind
in gronden leven die geen dieplood haalt.
Maar hij bemerkt mij, en hij fronst en aarzelt.
Ik zie het: hij bedoelt mij, hoe dan ook, i
ets van zichzelf te zeggen. Als een teken

dat hij mij wel herkent van dat concert.
'Mijn vader', zegt hij, 'is een architekt.'
'Dat dacht ik wel', zeg ik. Na dit gesprek
keren wij met genegenheid, en steeds
er op bedacht elkander niet te storen,
terug naar wat er is tentoongesteld.

God zij met hem. - Ik heb mij niet vergist.
Hoe argeloos voert dit kind een opdracht met zich
die nog verzegeld is; die hij eerst later
met mannelijke ernst ontcijferen zal.
En dan herinnert hij, tezelfdertijd,
zich woord voor woord wat hier vandaag gezegd werd.

Er ziet in deze zaal een achtervenster
zijdelings op de Walburgstoren uit.
Ik houd mij bij de etsen. Hij gaat telkens,
altijd vermijdend mij het zicht te nemen,
van de aquarellen naar het raam en terug.
Hij vergelijkt. - Ik ga nog vóór hem weg.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief