Zending in Zuid-Afrika

1985-03-08
  • Jaargang 29
  • nummer 10
De zendelingen, die in Natal werken, begrepen vooral te moeten zorgen, dat hun werk daar een vervolg zou kunnen hebben. De Zulu's zouden door eigen mensen moeten worden onderwezen in het Koninkrijk der hemelen.

Wel beheersten onze broeders na enige tijd de Zulu-taal in die mate dat ze met de bevolking konden spreken, ook dat preken, catechetisch onderwijs en huisbezoeken zij het de eerste jaren met veel inspanning - hen redelijk afging, maar de evangelieboodschap brengen in hun eigen taal" was dat ook mogelijk? De afstand overbruggen tussen een westerse wereld en die van de Zulu, van de blanke tot de zwarte mens, het peilen van de harten over en weer, het blijft dikwijls !hij een pogen, het slaagt nimmer rot en met Zulu geschiedenis, het stamverband met de tradities, het heldendom, kunnen ze die, westerlingen als ze zijn en blijven, peilen en in alle situaties, die op hun weg komen, Gods Woord spreken? En wat zou er moeten gebeuren, als de blanken eens belet worden in KwaZulu werkzaam te zijn, iets dat heus niet tot de onmogelijkheden behoort?
De boodschap van bevrijding kan voor de Zulu dringender, klemmender zijn naarmate er meer weet 'is van zijn gebonden zijn. Wij beseffen dat zelf toch ook in onze samenleving. Wat is voor velen in onze maatschappij het Woord Gods? Zij zijn daaraan totaal vervreemd, zó ver afgedwaald van de HERE, dat ze Hem niet eens meer kennen. Hoe zouden ze dan in Hem geloven en Zijn spreken verstaan? Dit nu geldt mogelijk in veel sterkere mate in de omstandigheden op het zendingsveld.
Vandaar dat. elke zendeling blij is als hij iemand ontdekt die, tot de HERE gekomen, gaven en lust blijkt te hebben hem te helpen: 'een evangelist, een aspirant-evangelist. Hij zal dan trachten zo iemand verder te onderwijzen, toe te rusten voor zijn taak. Nog één stap verder en je hebt een opleiding. In de praktijk. Nu, die is er dan ook. In de Kamper-sector van het zendingsveld zowel als in het Vrijheidsdeel worden broeders onderwezen. En op hun beurt zijn zij de helpers van de zendelingen, door hen wegen te wijzen voor hun werk, ze aan 'toegang te helpen tot de harten van de bevolking. Zij zijn het ook die de zendelingen bijstaan in het “in de eigen taal" brengen van de verlossingsboodschap. Maar dat onderwijs is nog niet een systematisch opgezette opleiding. Daarvoor ontbreken tot nu toe de krachten en er is ook de vraag waar zo'n opleiding binnen de gemeenten toe leidt. Doel is immers die gemeenten te voorzien van "eigen" voorgangers, volksgenoten. Mensen, die Woord en sacrament kunnen bedienen. Maar dat brengt hen in aanraking met de eisen, die het zwarte kerkverband stelt. Die broeders worden namelijk tot nu toe- ondanks gaven en kennis - niet erkend door het Zwarte kerkverband. Kerkordelijke bepalingen verhinderen dat ie de beoogde plaats in de gemeenten innemen.

De Kamper-zendelingen hebben dat ervaren. Ze hadden broedervoorgangers tot "herder" aangesteld. Deze bedienden Woord en sacrament in de zendingsgemeenten.
Maar ter classisvergadering werden deze broeders als "ouderling" aangemerkt. In de loop van de 25 jaar zending in Natal is er driemaal gepoogd tot een door het kerkverband erkende (eigen) opleiding te 'komen. De zendelingen, eerst die van Kampen, daarna tezamen met die uit Vrijheid, sloten daarbij aan aan een uitspraak van de Bantu-kerken uit 1961: '"elk' Bantu volk het reg op sy eie predikante-opleiding". Tevergeefs echter, want in 1963 besloot de sinode-Middellande het verzoek om tot een eigen opleiding te komen, af te wijzen omdat "de opleiding voor Dienaar des Woords niet een zaak is van de plaatselijke kerk, doch van het kerkverband", Zelfs de bestaande vorming door de zendelingen ter hand genomen (Kampen) kon maar moeilijk geaccepteerd worden, want

"Die oprigting van 'n eie skool
vir Zulus in Natal op die oonblik,
sender inisiatief van die
Kerk onder die Zulus self
weerspreek hierdie beleid en
daarom is dit ons oortuiging
dat die. ooreenkoms tussen
Kampen en ons gebreek word
deur die opleiding wat tans op
Richmond geskied",

en het heeft heel wat hoofdbrekens gekost om dit been weer in het lid te krijgen. Het onderling vertrouwen bleek geschokt te zijn, maar het is hersteld. Een tweede poging dateert van 1973. Een nieuw voorstel verkrijgt de steun van de (zwarte) classis Itheku (waartoe de zendingskerken zelf behoren). Doch opnieuw vangen de voorstellers bot. Als er opgeleid moet worden dan naar Hammanskraal, althans naar een niveau gelijk aan dat van de HTS. Dan volgt een derde poging in 1981. Een memorandum m.b.t. de opleidingsproblematiek komt 'op de (zwarte) synode in behandeling. Daarin staat duidelijk dat de situatie van het moment in Natal met een eenvoudiger opleiding dan Hammanskraal biedt, gediend is en dat de kandidaten voor de opleiding niet voor een periode van 7 jaar aan het werk op het zendingsveld onttrokken kunnen 'worden. Voorts ook dat weggaan om zo lang te studeren aan de HTS vervreemding van de eigen werkomgeving met zich brengt. Een schets van een eigen opleiding (door de zendelingen) geeft voorts aan wat ze bedoelen en hoe dit te verwezenlijken. Dan aanvaardt de sinode-Middellande dit stuk en benoemt vier deputaten "vir samewerking met die mense in Natal' met die saak te help, en dit weer voor die Sin ode te bring". Blijdschap en dankbaarheid op 'het zendingsterrein en bij de zendende kerken in Nederland. Evenwel, dat overleg met deputaten loopt vast. Zij komen met voorwaarden,die (globaal) er op neerkomen dat er toch een echte theologische opleiding tot stand moet komen, in feite een zoals de HTS. En dat was nu net niet bedoeld. Het overleg lijkt daarmee vastgelopen te zijn.

Wat nu?
In de scriptie heeft mw. Breman de geschiedenis van de opleiding breed geschetst, gedocumenteerd en ook enigszins beoordeeld. We hebben dat in vogelvlucht trachten te schilderen, Tot welke conclusie komt ze nu? De volgende
1. De zaak van de predikantenopleiding is een complexe. Twee werelden ontmoeten elkaar, die van de zwarte en die van de blanke christen, elkmet een geschiedenis. En ieder wil het eigene, in de loop van de jaren verkregen, vasthouden. Bovendien staan verschillende Z.A.-blanken anders t.o.v. de gewenste opleiding dan onze zendelingen. De opleiding te Hammanskraal, op academisch niveau, achten de zwarte broeders noodzakelijk voor de a.s. predikanten. De zendelingen daarentegen menen dat die opleiding – in de gegeven omstandigheden – te hoog is gegrepen, zeker voor de dienst onder de plattelandsbevolking van Natal en in vervolg op het zendingswerk.
2. Een opleiding ter plaatse, gekoppeld aan praktisch werkzaam zijn, ligt voor de hand en is de meest doelmatige.
3. De zendingsdienst kan de broeders evangelisten niet 7 jaar missen (studieduur HTS), terwijl dan het gevaar dreigt dat ze aan hun stamverband ontworteld zijn.
4. De politieke ontwikkelingen maken de noodzaak van een “eenvoudige” opleiding klemmend.
5. Er behoort een algemene theologische opleiding te zijn en niet een voor enkel Bantu-volk (i.c. de Zulu’s).
6. Zo’n opleiding mag dan los van de HTS staan, ze behoort in eigen (zwart) beheer te zijn (overigens geen enkel bezwaar voor de zendelingen).
7. Het niveau dat de zendelingen voorstaan, is te laag; dat moet wetenschappelijk zijn, met Engels als voertaal (vanwege oriëntatie op Westerse theologie). Zoals gezegd, met deze standpunten is verder overleg uitgesloten; de zaak komt in de loop van 1985 opnieuw ter synode-Middellande. Alsdan zal blijken of het beleid van de in 1983 benoemde deputaten instemming verkrijgt van het kerkverband en wat er aan mogelijkheden overblijft. Mw. Breman zelf heefthoop, dat als de zaken door alle betrokkenen in een meerdaagse conferentie nog eens zouden worden besproken, de wagen weer in het spoor zou kunnen kiemen. Dat lijkt me te optimistisch gedacht. Uitkomst? De HERE geve die.

Tenslotte
Na de toch wel uitvoerige weergave van het werk van mw. Breman enkele kritische opmerkingen:
1. De schrijfster is er in geslaagd een complexe zaak echt "uit de doeken" te doen en voor zover dit van hieruit te beoordelen is, evenwichtig en zó dat we als leden van de thuiskerken een goed inzicht hebben verkregen in de situatie.

2. Een belangrijk aspect van het niet verstaan van de zwarte kerken en de zendelingen lijkt me gelegen te zijn in het aan westerse situaties gekoppeld zijn van die zwarte kerken met hun belijdenis en kerkenordening. De waarde van deze stukken is in onze westerse gereformeerde wereld buiten kijf. Het zijn stukken, in de strijd tegen Rome en de Dopersen tot stand gekomen. Maar wat moet Bantu er mee? (als geheel n.l., ik sluit bepaalde stukken ervan als ook in Zuid-Afrika van betekenis, niet uit). Hun belijden zou zich bijv. speciaal moeten richten tegen invloed/verering van vooroudergeesten en tegen de leer van de vele sekten. Zij hebben een heel andere geschiedenis, als volk, als personen, dan wij. Dat aspect heeft te weinig aandacht ontvangen.
3. De argumentatie van de opleidingsplannen(gerichtheid/niveau) richt zich bijzonder op wat je zou kunnen noemen wetenschappelijkheid en kerkordelijkheid e.d. De nood van de gemeenten is vanuit de Dopperkerken (zwart en blank) niet klemmend naar voren gebracht en je mist daarom argumentatie vanuit de Heilige Schrift wel sterk. De Here Christus regeert Zijn volk door Zijn Woord en Zijn Geest. Dat heeft voor ons overleg betekenis.
4. In de inleiding van de scriptie komt de vraag aan de orde naar de verhouding van moederkerken tot de door het zendingswerk ontstane jonge kerken. De oudere kerken zouden een stapje terug moeten doen om de jongere “voldoende ruimte te geven het beleid zelf te bepalen”. Nu ligt dat wel moeilijk. Wie zijn hier de moederkerken"? De GKSA? De Nederlands Gereformeerde kerken? Het lijkt me dat hier geen echte moederkerken bij betrokken zijn. Wel de zwarte Dopperkerken. maar die zijn dan "broer en zus".Ook denk dat de schrijfster bedoelt: laat de synode-Middellande toch zèlf uitmaken welke opleiding ze wil voorhen die staan naar het ambt van Dienaar van het Woord.
Maar houdt ze er dan rekening mee, dat de zwarte kerken (drie synodes) in feite kopieën zijn van de blanke en nog weinig "eigen aard" kunnen vertonen, zodat ze het "in eigen taal" onvoldoende zullen kunnen verwezenlijken? En dit alles beïnvloed door de politieke situatie in Zuid-Afrika. Had dit niet sterker naar voren moeten komen?

5. Terloops lezen we de wens van de schrijfster voor “een centraal zendingshuis', "waar zowel de in zending geïnteresseerde kerken als gemeenteleden informatie kunnen ontvangen over allerlei zaken, verband houdend met de zending". Toch weer een centraal punt, centralisatie van het werk, even verder: leiding vanuit dat punt? Met dat al: het is een boeiend werkstuk geworden en ik weet dat velen er grote waardering voor hebben; het is verkrijgbaar voor de prijs van f 24,50 bij de V.U.-uitgeverij te Amsterdam of via de boekhandel.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief