Antwoord aan dr. D. Holwerda (3)
1984-04-20
De lezer mag een beetje opgelucht ademhalen, want we zijn nu de grammatikale, taalkundige kwesties wel grotendeels gepasseerd.- Jaargang 28
- nummer 16
Zulke zaken zijn altijd wat moeilijk te volgen, want je weet niet precies waar de clou van de redenering zit. Daarom heb ik, om het toch wat dichter bij te brengen, maar veel woordjes schuin laten drukken om tenminste een spoor aan te wijzen waarlangs de draad van het betoog liep. Maar nu zijn we weer terug op het terrein waar de geoefende bijbellezer ook zelf z'n vragen stelt en de gegeven antwoorden wikt en weegt.
Ons derde punt zou gaan over de vraag of ik wel reoht gedaan heb aan de aanhaling uit de profeten in de verzen 26b en 27 van Romeinen 11.
Ik had in het slotartikel van mijn eerdere reeks Jesaja 59 : 20, 21 en Jeremia 31 : 33, 34 genoemd als teksten die door Paulus worden geciteerd, maar nu brengt dr H. als bezwaar tegen mij in dat ik het vrij letterlijk aangehaalde Jesaja 27 : 9c over het hoofd heb gezien. Deze Schriftplaats die allang door uitgevers en verklaarders van de griekse tekst als citaat was onderkend, zou ik ten behoeve van de aanhaling uit Jeremia 31 hebben 'gewipt', zo verwijt hij mij. Dat zou ik gedaan hebben om zo te kunnen opereren met de tekst Jeremia 50 : 20, waarin sprake is van de belofte aan de 'rest', welk gegeven ik in een onkritisch enthousiasme aan het hele profeten-
citaat zou hebben opgedrongen.
Nu, laten we maar eens gauw gaan zien wat ik hier ter verdediging tegenin te brengen heb.
Geen bijkomstige kritiek
De lezer zal verstaan dat dit punt mij wel wat hoog zit. De kritiek van dr H. immers raakt niet maar een bijkomstigheid van wat ik te berde heb gebracht, maar treft het hart van mijn hele verhaal. Immers, over de opzet van de reeks drukte ik mij - de lezer zal zich dat nog wel herinneren - als volgt uit: "Ik wil het hebben over dat bekende zinnetje uit Romeinen 11 : 26: " ... en aldus zal geheel Israël behouden worden". Maar ik wil het dit keer zo doen dat ik dit Schriftwoord houd tegen het licht van de oudtestamentische profetie". Wat de bekende tekst uit Romeinen zèlf betreft sprak ik zelfs uit dat mijn behandeling ervan te kort was om volledig te zijn. De nadruk viel dus op de oudtestamentische achtergrond van Paulus' woord over Israëls toekomst. En deze achtergrond acht ik samengevat, om niet te zeggen: samengebald, in de kleine collage van profetische aanhalingen in Romeinen 11 : 26b, 27. Wanneer ik nu in de uitleg van die tekst zou gefaald hebben, zou dat in mijn ogen betekenen dat mijn gehele opzet mislukt is. Hoeveel waardevols er dan eventueel van mijn arbeid nog zou overblijven.
(Van de waarderende woorden die dr H. dáárover schreef, heb ik met dankbaarheid kennis genomen.)
Nu tot de zaak zelf komend stel ik voor dat we eerst een kijkje gaan nemen in Jesaja 59, want uit die plaats heeft de apostel het meest geput. We lezen de verzen 20 en 21 in hun geheel: "Maar als Verlosser komt Hij voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren, luidt het woord des HEREN. En wat Mij aangaat, dit is mijn verbond met hen, zegt de HERE: mijn Geest die op u is, en mijn woorden die Ik in uw mond gelegd heb, zullen niet wijken uit uw mond noch uit de mond van uw kroost, noch uit de mond van het kroost van uw kroost, zegt de HERE, van nu aan tot in eeuwigheid". Het is duidelijk dat in deze passage twee godsspraken achter elkaar staan. Het verband tussen beiden is zoals vaker niet zo gemakkelijk doorzichtig te maken, maar zoveel is zeker dat het over twee verschillende zaken gaat. In het eerste woord wordt de komst van de Here God als Verlosser aangekondigd, in het tweede woord gaat het over de belofte van de Geest der profetie. Op dat tweede woord ga ik even door. De Here God, zo zegt v. 21, gaat het verbond dat Hij met zijn volk heeft, op een heel bepaalde manier waarmaken: Hij zal zorgen dat de geslachten door steeds de Geest der profetie en het woord der profetie onder Israël zullen wonen. Natuurlijk zal dat Israël verplichten om even steeds zijn houding tegenover die Geest en tegenover dat woord te bepalen. In dit laatste kon wel eens de verbindende schakel met v. 20 gelegen zijn: Zoals de komst van de Here God als Verlosser in Jakob scheiding te weeg zal brengen tussen degenen die zich van overtreding bekeren en degenen die dat niet doen, zo zal ook de boodschap der profeten schiftend werkzaam zijn in de boezem van het volk. Ik zeg, zo zóu het verband tussen de twee godsspraken kunnen liggen.
Het afgeknotte citaat
Maar waarom deze uitwijding? Want Paulus werkt toch helemaal niet met dir tweede Godswoord uit Jesaja 59 in zijn aanhaling? Dat is bijna waar.
Eigenaardig genoeg ontleent hij er alleen maar het eerste zinnetje aan: "En wal Mij aangaat, dit is mijn verbond met hen ... ", en dat zinsdeel laat hij dan terugslaan op de aanhaling uit v. 20. Het is zonneklaar dat dit een diepe ingreep in de tekst van Jesaja is en dat met name het woord 'verbond' door deze manoevre een betekenisverandering ondergaat. Het is nu in Romeinen 11 : 27 niet meer het verbond zoals dat door de Here God heel speciaal konkreet gemaakt zou worden in de gave van de profetie, maar het krijgt een ruimere betekenis die afgestemd is op wat in Romeinen 11 : 26b aangehaald staat: "Komen zal uit Sion de Verlosser / afwenden zal Hij goddeloosheden van Jakob". Dat wil dus zeggen dat het verbond nu in deze constellatie de kleur gaat aannemen van het nieuwe verbond, zoals dat in Jeremia 31 : 31-34 is aangekondigd en dat zoals iedereen weet in hoofdzaak bestaat uit de belofte van de vergeving der zonden. Als ten overvloede maakt de apostel dat in v. 27b dan ook nog duidelijk door de toevoeging: " ... wanneer Ik hun zonden wegneem".
Deze woorden komen inderdaad uit Jesaja 27 : 9, zoals dr H. zegt en de tekstuitgaven ook laten zien. Samen met Jesaja 59 : 21a echter vormen ze nu een duidelijke toespeling op Jeremia 31 : 33, 34.
Is het verwijt nu terecht dat ik het citaat uit Jesaja 27 : 9 ten behoeve van de verwijzing naar Jeremia 31 heb laten schieten? Inderdaad heb ik Jesaja 27 in mijn artikel niet genoemd, maar toch niet uit slordigheid of vooringenomenheid. Ik vond het belang ervan niet groot genoeg voor mijn doel. Ik zie het zo dat die plaats Paulus aan een paar woorden, aan een bekende frase geholpen heeft, zoals dat vaker in een collage van oudtestamentische teksten het geval is.
Zie bijvoorbeeld in Jeremia 3 : 16 het zinsdeel 'zij zal niemand in de zin komen' (gezegd van de voorgoed verdwenen ark des verbonds), dat in 1 Korinthiërs 2 : 9 heeft mogen 'meedoen' bij het samenstellen van de bekende zin: "Wat geen oog heeft gezien, wat geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgeklommen ... enz." De gedachte echter die in het geheel van Jeremia 3 : 16 ligt uitgedrukt (over het afgedaan zijn van de ark), speelt in dat citaat bij de Korinthiërs hoegenaamd geen rol. En dat moet evenzeer gezegd worden van Jesaja 27 : 9 ten opzichte van Romeinen 11 : 27h. Ik meen zelfs, gezien de uitleg die dr H. van Jesaja 27 : 9 geeft, dat wij het hierover samen snel eens kunnen worden. Dr H. signaleert namelijk terecht dat het accent van Jesaja 27 : 9 een ander is dan dat van Romeinen 11 : 26b, 27: in Romeinen valt de aandacht helemaal op wat de Here God doet, bij Jesaja gaart:het om de inbreng van het volk in (zèlfs!) het verzoeningsgebeuren. Maar hoe dat verder ook zij, het aan Jesaja 27 : 9 ontleende zinsdeeltje is ook eigenlijk te klein dan dat het de hele gedachteninhoud van dat bijbelvers, laat staan van het tekstverband daaromheen, zou meebrengen. Het krijgt bij Paulus pas betekenis door de verbinding die het aangaat met het afgeknotte citaat uit Jesaja 59: 21a en die betekenis is daar, zoals we gezien hebben, zeer zinnig.
Uit Sion
Intussen zullen de lezers wel met verbazing kennis genomen hebben van de bijna ondoorgrondelijke wijze waarop het Nieuwe Testament het Oude kan citeren. Ik had het daar in mijn artikelen al over en ook dr H. gaat er Kort op in. Hierboven heb ik de typering gebruikt van een collage van profetische woorden, en inderdaad lijken Schriftaanhalingen in het Nieuwe Testament daar wel eens wat op. Hier in Romeinen 11: 26, 27 is de bekende tekst uit Jesaja 59 : 20 tot uitgangspunt genomen, maar door wijziging en door toevoeging van gedachtengoed en fraseologie uit andere delen van de Schrift is dat profetenwoord niet weinig verrijkt. Of dart nu toegeschreven moet worden aan het feit dat de apostel uit het geheugen citeerde (zoals dr H. oppert), waag ik te betwijfelen. Ik denk dat er juist een zeer intense geestesarbeid aan ten grondslag gelegen heeft, van de apostel en mogelijk ook al van anderen vóór hem. Paulus (of: men) wilde in een bekende tekstvorm zoveel mogelijk bijbelse inhoud meenemen. Voor dat doel 'verbouwde' hij (men) de tekst een beetje. De kunst zal daarbij geweest zijn om door zo weinig mogelijk ingrepen een zo groot mogelijk resultaat te krijgen.
Eerder, in mijn voorgaande artikelenserie, heb ik me al bezig gehouden met de wijziging die Jesaja 59: 20 in Romeinen 11 : 26b ondergaan heeft, deels al in de griekse vertaling van het Oude Testament (de LXX) en deels door Paulus. Op rekening van de laat ste moet het geschreven worden dat 'voor Sion' uit de hebreeuwse tekst geworden is tot 'uit Sion': "De Verlosser zal uit Sion komen ... ", Romeinen 11 : 26. Dit is een heel belangrijke verandering. Terecht merkt dr H. hierover op: "Waarschijnlijk spelen Paulus teksten door het hoofd waar de Heere wordt voorgesteld als 'opererend vanuit Sion': zie met name Psalm 11 : 7 (= 53: 7); en verder Psalm 20: 3, 110: 2, 50: 2; Joël 3: 16; Amos 1 : 2". De Here God 'opererend vanuit Sion' - het is een boeiend gegeven.
Als je de opgegeven teksten bekijkt, blijkt dat 'Sion' niets minder dan het centrum van het heelal is, vanwaaruit God aan zijn schepping werkt. Alles wordt van daaruit in de crisis gebracht: het huis van David (Psalm 20), het verbondsvolk (Psalm 14 en 50), de mensheid (Psalm 14 en 110), het land (Amos 1), de aarde, ja de hele schepping (Joël 3). Sion is daarnaast óók het centrum vanwaaruit de zegen (Psalm 134 : 3) en het heilswoord (Jesaja 2 : 3) over de wereld gaan. Wanneer nu de apostel dit 'uit Sion' een plaats geeft in zijn aanhaling moet het om iets zeer gewichtigs gaan.
Dit is niet zomaar een variant op 'voor Sion', zoals de oorspronkelijke tekst heeft. Het is meer. De tekst bij Jesaja is op zichzelf al kritisch genoeg: "Maar als Verlosser komt Hij voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren ... ". Sion is hier genomen voor het volk Israël, maar dan zoals zich dat (blijkens de toevoeging) geestelijk tot de Here God toekeert.
Dat kritische element echter wordt door Paulus nu nog versterkt en aangescherpt, doordat hij het verlossend komen van God als 'vanuit Sion' aankondigt. Sion namelijk is hier niet langer het volk van God (de ,dochter Sions'), maar de plaats waar de Here God krachtens het geheim van de verzoening woont onder zijn volk. We mogen denken aan de Christus, in wie God 'onder ons woont' (Johannes 1: 14). Het is dus van Christus uit dat Gods heilswerk onder Jakob geschiedt: het verlossen en het afwenden van goddeloosheden. Jakob zal dáártegenover zijn houding moeten bepalen, wil hij delen in dat heilswerk.
Hoe kwam ik bij Jeremia 50 terecht?
Dr H. bekapitteelt mij over het feit dat ik een konklusie trok uit het ontbreken van het bepalende lidwoord vóór 'goddeloosheden' in v. 26. Wat hij daarover uit de griekse grammatika opmerkt was mij inderdaad ontgaan.
Toch blijf ik het opmerkelijk vinden dat het bepalende lidwoord wèl ontbreekt vóór 'goddeloosheden' in v. 26 en niet - zo kort daarna - vóór 'zonden' in v. 27 (alleen in het grieks te zien). Laat ik me dan maar corrigeren en voorzichtig zeggen dat dit gegeven meer strookt met mijn uitleg dan het omgekeerde. Want in v. 27 is het ook volgens mij helemaal terecht dat Paulus generaliserend schrijft: "En dit is van mijn kant het verbond voor hen wanneer ik de zonden van hen wegneem"
Daar is het bepalende lidwoord geheel op z'n plaats. Maar, dat verbond dat volgens Jeremia 31 de belofte behelst van de vergeving der zonden, gaat nu naar Paulus' voorstelling zó in vervulling en de Here God komt het van zijn kant zó na dat Hij vanuit Sion goddeloosheden van Jakob afwendt. Niet alle goddeloosheden van geheel Jakob, maar alleen die van degenen die zich in Jakob van overtreding bekeren, - om de oorspronkelijke tekst nog een keer aan het woord te laten. Aldus komt het heil van het verbond dat inderdaad het gehele verbondsvolk op het oog heeft (het 'wegnemen van de zonden van hen'), v. 27, slechts ten goede aan de 'rest'. Zo kom ik terecht bij Jeremia 50 : 20 waar zoiets inderdaad staat: "In die dagen en te dien tijde, luidt het woord des HEREN, zal de ongerechtigheid van Israël gezocht worden, maar zij is er niet, en (zullen) de zonden van Juda (nagespeurd worden), maar zij zijn niet te vinden, want Ik zal vergeving schenken aan wie Ik doe overblijven". Men mag van mijnentwegen Romeinen 11: 26b, 27 dan ook als volgt omschrijven: "En dit is van mijn kant het verbond (u weet wel: dat van de wegneming der zonden) voor hen, dat namelijk de Verlosser uit Sion komt en uit kracht van dat kritische heil goddeloosheden van Jakob afwendt". 'Dit is van mijn kant het verbond voor hen' - zo ben Ik met hen getrouwd. Inderdaad heeft de Here God altijd al zijn verbond gehouden door het schenken van één kritisch heil. Of het nu verlossing-door-verzoening is (Romeinen 11: 26b) of de gave van de profetie (Jesaja 59 : 21) of 'de steen die door de bouwlieden verworpen is' (Psalm 118 : 22), of nog iets anders - steeds moet Gods volk zijn geestelijke houding daartegenover bepalen.
Dr H. schreef: "Door Paulus' citaat uit Jesaja 27 te vervangen door Jeremia 31, ziet hij (dat ben ik, dj.) kans te opereren met Jeremia 50. En van daaruit is de exegese van Romeinen 11 : 25, 26 voor hem al beslist nog voordat hij aan de werkelijke analyse van de tekst-in-kwestie zelfs maar begonnen is" (dr R's vierde artikel). De lezer moet nu zelf maar oordelen of deze kritiek terecht is.
Handhaving
Ik blijf dus bij mijn opvatting dat de profeten-collage in Romeinen 11 : 26b, 27 een oudtestamentische ondersteuning biedt voor het geheimenis dat Paulus in Romeinen 11 : 25 en 2631 onder woorden heeft gebracht: dat namelijk het gehele Israël dat behouden wordt gedurende de gehele tijd van het nieuwe verbond een samengesteld karakter draagt van enerzijds de 'rest' of het geestelijke zaad van Jakob en anderzijds de volheid der heidenen en dat het derhalve om een Israël gaat dat niet in het bloed van Abraham
maar in dat van Jezus Christus (de Verlosser uit Sion) zijn grondslag en bindmiddel heeft. Men kan de gehele aanhaling goed vergelijken met het andere Sion-citaat in Romeinen 9: 33.
Ook daar is Sion plaats van kritisch heil voor de gemeente die wordt samengesteld uit Joden en niet-joden.