De Psalmmelodieën

1984-04-20
  • Jaargang 28
  • nummer 16
Uit reacties van lezers is gebleken dat het artikel over het onderwerp “Kerklied en gemeente" met belangstelling gevolgd is. Vooral het onderdeel over de psalmen heeft enkele pennen in beweging gebracht.
Het meedenken van andere gemeenteleden doet hartverwarmend aan. In een tweetal brieven kwam de kwestie van de herkomst der melodieën en van de “verhogingen” naar voren. Een van de briefschrijvers vroeg mij hierop nog wat nader in te gaan. Ik ben dankbaar dat mij de ruimte daarvoor in Opbouw gegeven wordt.

Herkomst van de psalmmelodieën
In de eerste aflevering van Kerklied en gemeente heb ik de herkomst van de melodieën kort aangestipt. In het kader van dit artikel kan daar meer over uitgeweid worden, waarbij rekening gehouden wordt met de inhoud van de brieven.
De grote kenner van de psalmmelodieën uit onze tijd is ongetwijfeld dr Pierre Pidoux te Montreux. Zijn omvangrijke werk "Le Psautier Huguenot" in twee delen, vond internationaal erkenning. Hij rekent in deze boeken af met de theorie van O. Douen (neergelegd in diens standaardwerk "Le Psautier Huguenot" van 1878) als zouden de psalmwijzen naar bestaande en wereldse wijzen zijn gemaakt.
Pidoux gaat uit van de oorspronkelijkheid van de Geneefse psalmen, berijmd door slechts twee dichters, waardoor eenheid van stijl en methode bewaard gebleven is. De melodieën ervan zijn samengesteld door een beperkt aantal musici: Guillaume Franc, Loys Bourgeois en "Maitre Pierre" (er is nog niet vastgesteld wie hij geweest is, dus is het ook Pierre Daque niet). Pidoux wijst op de veelvormigheid van de strofen en de rijmschema's.
De verscheidenheid in afwisseling van lange en korte notenwaarden is groot.
De berijming van de bijbeltekst ging vooraf aan het op muziek zetten ervan.
Bij enkele psalmen is de invloed te ontdekken van de tekst op het vinden van de melodie.
Voorbeelden :
a. de melodieherhaling onderstreept twee gelijksoortige uitdrukkingen in ps. 55, 61 en 75.
b. in ps. 136 worden de woorden "Louez Dieu tout hautement" weergegeven door de eerste melodieregel met de stijgende beweging.

De componisten laten in hun werk zien dat zij niet slechts tonen op een rijtje zetten, maar dat zij werkelijk hebben nagedacht, passend gemaakt en geconstrueerd.
Is er dan nergens een overeenkomst te vinden tussen psalmmelodieën en latijnse hymnen, die door musicologen gesignaleerd is? Bourgeois geeft op dit punt zelf ingenomen. Twee of drie psalmen zijn door hem gemaakt in overeenstemming met sommige melodieën, die vroeger in de R.K.-eredienst werden gezongen. Bourgeois geeft zelf echter niet aan om welke psalmen het gaat. Maar er is een duidelijke verwantschap ontdekt tussen ps. 17 en de hymne "Te lucis ante terminum", die van ps. 20 en het "Kyrie cunctipotens", ps. 31-71 en de hymne "A solis ortus cadine", ps. 39 en "Pange lingua", ps. 70 en "Quicum que Christurn quaeriris", ps. 124 en "Ad eoenam agni providi", ps. 129 en "Te lucis ante terminum". U ziet uit dit overzicht dat er dus meer dan drie psalmen overeenkomsten vertonen met de vroegere hymnen.
Ook bij "Maitre Pierre" is verwantschap waargenomen ten opzichte van latijnse melodieën: ps. 80 is ontleend aan een deel van de paassequens "Viatimae pasohali laudes", die herinnert aan het joodse paasfeest en in de psalm een christelijke overbrenging krijgt. Ps. 141 heeft de melodische grondslag van de hymne "Conditor alme siderum", Het is mogelijk, maar niet te "bewijzen", dat de componisten met bovengenoemde "toespelingen" op bekende hymnen, hebben willen aansluiten bij gevoelens die in het volk leefden.
De overeenkomsten van de 16e-eeuwse chansons met de psalmen zijn, dat beide één noot per lettergreep bezitten (behalve de melismen in ps. 6, 91 en 138), dat beide versregels op muziek zetten en ze hebben bepaalde melodische formules gemeen. Dit is echter onvoldoende om te "bewijzen" dat het ene uit het andere afkomstig is.
De buitengewone originaliteit van de psalmen is zonneklaar en de bundel blijft voor de christelijke gemeente een kostbare schat.

De accidenties
In het vijfde deel van "Kerklied en gemeente" (zie Opbouw, 23-3-'84) waar het gaat over de accidentles (toevallige verhogingen of verlagingen), heeft een briefschrijver de vinger gelegd bij dit gedeelte, waarna hij mij vraagt wat ik vind van het door dhr. Zwart naar voren gebrachte systeem omtrent de accidentles.
"Om het behoud van het kerklied" (1982) is een brochure van Dirk Jansz. Zwart. Hierin schrijft hij o.a. over de materie van de accidenties.
Volgens hem wordt op dit terrein door velen gezondigd, omdat zij de regels niet kennen die in de 16e eeuw daarvoor golden. De heer Zwart beroept zich op wat Loys Bourgeois schreef in zijn theorieboekje "Le droiet chemin de musique" (Genève 1550). De heer Zwart citeert en vertaalt in zijn brochure het gedeelte over de verhogingen in de cadenzen (slotformules). Als regel geeft Bourgeois aan, dat men, als een muzikale zin eindigt op de notennamen la-sol-la, de sol een halve moet verhogen. Eindigt de zin op sol-fa-sol, dan wordt de fa een halve verhoogd.
Eindigt hij op re-ut (do)-re, dan wordt de ut een halve toon verhoogd. Maar er zijn uitzonderingen. De verhoging op de sol wordt niet toegepast als men de noten a-g-a zingt (vanuit de I-toon) op de namen la-sol-la. Ook bij de cadensnoten e-d-e (op de namen Ia-sol-la) mag geen verhoging toegepast worden.
Op grond hiervan heeft Zwart kritiek op de notatie van de psalmmelodieën in het Liedboek. Er hadden volgens hem op meer plaatsen toevallige verhogingen moeten staan, zoals de voorlaatste noot van regel 1 in ps. 23, de voorlaatste noot van regel 5 in ps. 31 en 71, de afsluitingen in ps, 3 regel 2 en ps. 52 regel 2. Hij vindt het niet juist dat b.v, in ps. 28 regel 1 wel een verhoging is geplaatst en niet in de eerste regel van ps. 23.
Wat de heer Zwart hier naar voren heeft gebracht is een interessant probleem, maar de oplossing ervan is niet zo simpel als waarvan hij spreekt.
Bourgeois heeft aan zijn leer der accidenties toegevoegd, dat deze regels voor alle partijen gelden, wat slaat op de meerstemmigheid.
In de psalm zettingen van Goudimel (1565) zijn bij alle stemmen hier en daar verhogingen of verlagingen geplaatst, maar niet in de cantus firmus (melodiestem). In latere meerstemmige bewerkingen b.v. van L'Estocart blijken 13 van de 150 psalmen de cantus firmus niet in de tenor te hebben, zoals in de tijd van de reformatie, maar in de sopraan. In die gevallen waarin de cantus firmus (c.f.) in de tenor lag werden vrijwel geen accidenties geplaats.
Wanneer echter de c.f. in de sopraan voorkwam werden veel accidenties geplaatst en de tegenstemmen waren daar eveneens van voorzien.
Wat hiermee gezegd wil worden is dit, dat bij eenstemmige zang waarschijnlijk de meeste accidentles niet gezongen zijn, omdat de tenor in de meerstemmigheid de melodie van de psalm meestal juist weergeeft, praktisch zonder verhogingen. Met de regels van Bourgeois blijven er nog vraagpunten over. De praktijk is vaak ingewikkelder dan de theorie. In hoeverre het geschrift van Bourgeois van invloed geweest is op de notatie van de psalmen in het Liedboek is niet duidelijk.
Typisch is wel, dat de nieuwste Franse en Tsjechische uitgave van de psalmen geen verhogingen kent. In de Zwitserse editie is men daarmee zuiniger geweest dan in het Liedboek.
Op internationaal niveau zou er nog wat studie van gemaakt kunnen worden om meer eenheid in deze materie te krijgen.
Een laatste punt waar ik in dit verband nog op wijzen wil is het volgende.
In zijn brochure citeert dhr. Zwart nog een keer Bourgeois, die schreef "dat de halve toon de melodie lieflijker maakt en dat ze daarbij onmisbaar is voor de schoonheid van de samenklanken".
Na dit citaat gaat Zwart o.a. verder met te betogen dat de aantrekking en kracht van de halve toon in vele gevallen van doorslaggevende betekenis is voor de handhaving van door sommigen niet gewenste, maar wel vaak schone verhogingen. Hij voert verder een pleidooi om de voorlaatste noot in de eerste regel van ps. 150 te verhogen.
Er is hier echter geen sprake van een slotfunktie, maar van een doorgangsnoot.
D. J. Zwart gaat hierin m.i. te ver en wil aansturen op meer verhogingen dan verantwoord is en ook vanuit de historie te verdedigen valt.
We gebruiken als kerken de psalmen in het Liedboek. De notatie volgen we ook. Dat houdt echter niet in dat we met elke toevallige verhoging vrede hebben. Ter wille van het karakter der melodieën zouden we in de toekomst misschien best tot een verdere vermindering van het aantal accidentles kunnen komen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief