Antwoord aan dr D. Holwerda (4)
1984-04-27
Dit wordt het laatste artikel van deze reeks. Ik ben mij bewust dat ik op lang niet alles van het vele dat dr H. geschreven heeft ben ingegaan. Ik heb daaruit een keus moeten maken. Dat heb ik naar eer en geweten gedaan door de meest essentiële punten voor beantwoording uit te kiezen. Dr H. - en de lezer! - zal mij daarvoor wel ten goede willen houden. Eén kwestie is nu nog overgebleven van de vier die ik aan het begin van de reeks noemde. Ze gaat over een tekst die dr H. enige malen ter sprake brengt als een parallel van Romeinen 11 : 25, namelijk Lukas 21 : 24b: “ En Jeruzalem zal door heidenen vertrapt worden, totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijn"."…Totdat de volheid der heidenen zal zijn binnengegaan", hebben we in Romeinen 11 : 25 gelezen en dr H. schrijft: “Men ontkomt hier toch moeilijk aan een vergelijking met Lukas 21 : 24 (. ..), een tekst die ook Nestle, Aland en vele commentatoren aanhalen".- Jaargang 28
- nummer 17
Wat hiervan te zeggen?
Ondeugend
In de eerste plaats iets ondeugends.
We hebben hier weer een 'totdat' -zin vóór ons, waarover we het in het tweede artikel uitvoerig hebben gehad.
Ook hier zouden we het 'totdat' weer kunnen laten afwisselen met 'voor zolang als', als volgt: " ... en Jeruzalem zal door heidenen vertrapt worden, voor zolang als de tijden der heidenen in vervulling gaan". Men kan dus letten op het toekomstige tijdstip waarop de handeling (het vervuld worden) zal zijn voltrokken èn op de periode gedurende welke deze handeling verloopt. Dat maakt volgens mij niet veel uit. Maar laten we niet in herhaling vallen.
Dezelfde termijn?
Een tweede opmerking is dat we dr H. kunnen toestemmen dat de tekst uit Lukas inderdaad op die uit Romeinen lijkt. Ook hierin gaan we mee dat deze gelijkenis gelegen is in het feit dat in beide gevallen aan de heidenen een termijn wordt gesteld: in Lukas voor het vertrappen van de heilige stad, in Romeinen voor het binnengaan van de volheid. Maar toch komen we nu voor de vraag te staan of het in beide gevallen om dezelfde termijn gaat. Als twee teksten op elkaar lijken, wil dat , nog niet zeggen dat we de één met behulp van de ander kunnen uitleggen.
We hebben gezien dat in Romeinen 11 de termijn voor het binnengaan van de heidenen samenviel met de periode van de nieuwtestamentische bedeling.
Dat kan niet het geval zijn met de tijden der heidenen in Lukas 21. Immers, wij maken het vandaag de dag mee dat Jeruzalem niet langer door de heidenen vertrapt wordt, terwijl de geschiedenis nog in haar voortgang is. Dus het tijdelijke van 'de tijden der (vertrappende) heidenen' is gebleken, maar 'het binnengaan van de heidenen' in Gods Koninkrijk gaat nog voort. Als ik naar een land als Korea kijk, dan denk ik dat het daar nog maar net begonnen is. En dat valt van meer streken in de wereld te zeggen.
Bij gevolg zijn 'de tijden der heidenen die vervuld worden' niet dezelfde als die waarin 'de volheid der heidenen binnengaat'. De tijden der heidenen uit Lukas 21 kunnen we omschrijven als de gelegenheid die de heidenen krijgen om Jeruzalem te vertreden en de betreffende tekst zou als volgt (vrij) te vertalen zijn: " ... en Jeruzalem zal door heidenen vertrapt worden voor zolang als die daar de tijd voor krijgen.
Lukas zegt op geen enkele manier hóe lang dat zal duren. Hij gebruikt een konstruktie die dat opzettelijk wat in het vage houdt; een zinsbouw die enigzins doet denken aan die van Deuteronomium 1: 46: "En jullie verbleven te Kades veie dagen, naar de dagen dat jullie daar verbleven"
(letterlijk vertaald). Er zit iets opzettelijk raadselachtigs in zulk soort zinnen.
Lukas zal bedoelen te zeggen dat al mogen dan de heidenen hun lusten bot vieren op de heilige stad, God in de hemel de maat van hun dagen daarvoor bepaalt. En dit is daarbij zeker: het vertrappen van de heilige stad is een tijdelijke zaak. Want God wil 'Jeruzalem' kennelijk niet weg hebben uit de wereld.
En daarna?
En wat gebeurt er nu na die tijden der vertrapping? Hier zijn we bij een kritisch punt aangekomen. Als dr H. en anderen met hem gelijk hebben, dat het in Lukas 21 : 24b over hetzelfde gaat als in Romeinen 11 : 25, en ook hierin bijval verdienen dat het in Romeinen 11 om een eindtijdelijk herstel van Israël gaat, dan is de konklusie onontkoombaar dat bij dat eindtijdelijke zalig worden van geheel Israël de stad Jeruzalem een centrale rol zal gaan spelen. Met andere woorden: het aan elkaar koppelen van de twee teksten uit Lukas en Romeinen, zoals dr H. dat voorstaat, haaltdehele leer van het duizendjarig rijk in huis. Ik zeg niet dat dr H. dat bedoelt. Ik tenminste ken hem niet als een chiliast. Ik ken hem wel als een knap filoloog.
Tegen die achtergrond heb ik zijn artikelen ook gelezen. In gedachten zag ik hem tegenover mij staan, met de handen in de lucht, zeggende: "Ik hoop dat het drs De Jong nu duidelijk is geworden dat ik (...) in Gods geopenbaarde Woord tegen glasheldere en glasharde taalkundige gegevens oploop, en niet zie, hoe ik met een goed filologengeweten daar omheen kan" (H's tweede artikel). Welnu, met hem dáárover van gedachten wisselend wil ik hem waarschuwen voor een konsekwentie uit zijn betoog die waarschijnlijk veel verder gaat dan hem lief is.
Vaker heb ik het gezien dat mensen die op strikt exegetische gronden in Romeinen 11 een geloofstoekomst voor heel Israël aangeduid vonden, via de wlssel 'Romeinen 11/Lukas 21' in het chiliasme terecht kwamen. Is dat dan zo erg? Nu, dit hersenschimmige dogma heeft al heel wat geestelijke energie van Gods volk verslonden.
Het heeft voorts de hiernamaals-verwachting ontledigd en is tenslotte een gemakkelijke brug naar aardsgezindheid.
Dat is nogal wat! Maar stil, ik merk dat ik nu op de beleer-tour ga.
Laat ik het liever mezèlf nog wat moeilijker maken. Lukas zegt toch maar dat er in de geschiedenis een einde komt aan de vertrapping van Jeruzalem! Dus: daarna breekt er duidelijk een heilstijd aan voor de heilige stad. En waar kan dat anders mee samenhangen dan met de bekering van het joodse volk? Of niet soms? Hei klinkt allemaal erg aannemelijk.
Toch rept Lukas over hei daarna met geen woord. Zeker, een heilstijd voor Jeruzalem behoort tot de mogelijkheden die de evangelist openlaat, maar ze behoort op geen enkele wijze tot de inhoud van de tekst. Het zou bijvoorbeeld ook mogelijk zijn dat na de vertrapping door de heidenen Jeruzalem de zetel van de antichrist wordt. Dat lijkt een absurde overweging, maar toch niet zó absurd in het licht van wat Paulus over de antichrist schrijft in 2 Thessalonicenzen 2 : 4: " ... zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien dat hij een god is." Ik zeg: dat is óók mogelijk. Een derde mogelijkheid is natuurlijk dat Jeruzalem nadat de heidense haat tegen de plaats van Gods vroegere woning is uitgeraasd, een gewone stad onder de steden der wereld wordt, met ook een christelijke gemeente van Joden en niet-joden in haar midden als teken van God's blijvende trouw. Als ik mocht kiezen dan zou mijn voorkeur daarnaar uit gaan.
Nu Israël voor een eigen staatsvorm gekozen heeft, is immers elke vermenging daarvan met een religieuze gedachte alleen maar gevaarlijk, onverschillig of er voor Israël een heilstijd dan wel een onheilstijd aan zou breken .. ' Maar, zoals gezegd,. bij Lukas staat niets van dat alles. En ik voer er nu het pleit voor dat we niet de witte vlekken van de ene tekst bij l..ukas met behulp van een twijfelachtige exegese van de andere tekst uit de Romeinen zullen inkleuren. De beide teksten moeten apart bekeken en afzonderlijk uitgelegd worden. Pas dan kan bezien worden af het verband er tussen verder gaat dan een uiterlijke gelijkenis.
Twee of drie bedelingen?
"Totdat de volheid der heidenen zal zijn binnengegaan", - van de uitleg van deze woorden hangt veel af. Geeft dr H. van deze woorden een goede omschrijving als hij zegt (in zijn derde artikel): " ... een 'omslag' in de generale positie t.o.v. het heil is op komst, voor de heidenen en voor Israël"? Laten we dan eens ter toetsing de verzen lezen uit Romeinen 11, die vólgen op het gedeelte dat het hoofdonderwerp van ons gesprek vormde, namelijk vanaf v. 28. Vooral in de verzen 30 en 31 vinden we de bekende heen-en-weer-beweging tussen Israël en de volken. Toch, wat is hier een oplettend lezen vereist om niet het heen-en-weer te krijgen. De tekst luidt aldus: "Want evenals gij eertijds aan God ongehoorzaam waart, maar nu ontferming hebt gevonden door hun ongehoorzaamheid, zo zijn ook dezen nu ongehoorzaam geworden, opdat door de u betoonde ontferming ook zij thans ontferming zouden vinden".
Duidelijk neemt de tekst je mee in een 'pendelbeweging' (Ridderbos), maar het woordje 'thans' op het eind valt uit de toon. Dat woordje is in de handschriften dan ook omstreden. Er zijn belangrijke manuscripten waarin het geheel ontbreekt, en er zijn enkele minder belangrijke die in plaats van 'thans' een woordje hebben dat je hier inderdaad eerder zou verwachten, namelijk 'later' ('eertijds', 'nu', ... 'later'). Als iemand mij zou kunnen aantonen dat dit 'later' de juiste lezing was, dan zou ik geloof ik over Romeinen 11 nooit meer een mond open doen. Gewoon omdat ik er dan niets van snapte, gezien mijn uitleg van het voorafgaande. Maar de lezing 'later' is van later. De lezing 'thans', hoe aangevochten ook, heeft de beste getuigen achter zich, terwijl ook het verrassende van dit woord voor zijn echtheid pleit. Dit 'thans' nu betuigt dat er in het heil slechts twee en niet drie bedelingen zitten.
Het heil blijft niet verspringen. Nadat het de grote 'omslag' gemaakt heeft van Israël naar de volken, is het heil niet langer partikulier, (beperkt tot één kategorie, hetzij heidenen, hetzij Joden), maar werkelijk universeel, 'het onderscheid der volken nu weggenomen zijnde' (D.L. III/IV, 7). Het 'na-elkaar' van Israël en de volken is nu in de nieuwe bedeling geworden tot een 'naast-elkaar'. Zo zegt het het geheimenis van Efeziërs 3 : 6: " ... dat de heidenen medeërfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus jezus door het evangelie ... ", en zo zegt het óók het geheimenis van Romeinen 11 : 25, dat een soort tegenhanger van dat bij de Efezieërs is: " ... een verharding-ten-dele is het voor Israël geworden (en wel) voor zolang als de volheid der heidenen binnengaat."
Ten dele
Een verharding-ten-dele. Het begin van Romeinen 11 deed deze genadige beperking niet vermoeden. In v. 7 schreef Paulus de Joden, behoudens het uitverkoren deel, eigenlijk af. Zij zijn verhard geworden, en wel: 'tot de dag van heden' (v. 8) en 'voor goed' Cv. 10). Dat oordeel is in perfekte overeenstemming met wat de apostel al in een vroegere fase van zijn dienst over de Joden geschreven had: " ... De toorn is over hen gekomen tot het einde" (1 Thessalonicenzen 2 : 16). Maar dan, na dat zware oordeel, begint Paulus in Romeinen 11 : 11 e.v. toch te nuanceren, want hij weet dat de Here God in de toorn aan het ontfermen gedenkt (Habakuk 3 : 2). De verkiezing der vaderen (v. 28) is toch nog niet uitgewerkt in het uitverkoren deel, zoals de apostel dat konkreet vóór zich ziet in de jonge christelijke gemeenten. En zo komt hij dan met het geheimenis van v. 25, dat er namelijk een blijvend 'naast-elkaar' zal zijn van Israël en de volken, van de 'rest' van Israël plus de geroepenen uit de volken. Want, hoezeer het zich ook anders liet (en laat!) aanzien "een verharding-ten-dele is het voor Israël geworden", in de genadige beschikking van de Almachtige.
Dr H. schrijft in zijn derde artikel: "Wanneer ik in een periode van hevige droogte, waarin het grootste deel van de planten in mijn tuin verschroeit, mijn vrouw wil bemoedigen en haar zeggen: "er zullen toch telkens nog wel een paar bloemetjes in bloei raken", acht dj. het dan denkbaar, dat ik me zo (negatief) zou witdrukken: "verdroogd staat een deel van de planten erbij"?" Ja, antwoord ik, er is inderdaad een situatie denkbaar dat ik met reden me aldus zou kunnen uitdrukken. Wanneer namelijk mijn deskundige tuinman eerder gezegd had: spit de zaak maar om! Dan zou het een evangelie, een blijde en geheimnisvolle boodschap zijn, wanneer ik mijn vrouw kon meedelen: een verdroging-ten-dele is het voor de planten geworden! Het geheimeniskarakter van Romeinen 11 : 25b treedt pas zonneklaar aan het licht tegen de achtergrond van wat de apostel in Romeinen 11: 7 -10 zo definitief over lsraëls verharding had opgemerkt.
Verontschuldiging
Tot zover mijn beantwoording aan dr Holwerda. Ik heb de neiging mezelf tegenover de lezers te verontschuldigen omdat ik veel van ze gevraagd heb. Toch is het ook voor de gemeente wel eens goed een exegetischtheologisch gesprek aan te horen. Zij kan dan merken wat voor een denkarbeid er achter preken maken staat.
Niet achter het maken van moeilijke preken, dat bedoel ik niet, maar juist achter het maken en houden van eenvoudige en duidelijke preken. Het zou voor de gemeente een aanleiding kunnen zijn om voor de arbeiders in het Woord te bidden. Zij hebben dat nodig, heus! En bedenk wel: in een kerk die geen theologie meer bedrijft, wordt de prediking niet eenvoudig, maar onnozel. Juist voor eenvoudige en duidelijke prediking is theologie een 'must'.
Maar die theologie moet dan niet buiten de gemeente om bedreven worden.
Daarom is het een goed ding dat dit gesprek in ons blad gevoerd werd.