Ex Libris

1984-04-27
  • Jaargang 28
  • nummer 17
Het wordt de hoogste tijd dat ik een oude schuld betaal: al máánden ligt er een bundeltje gedichten te wachten op een bespreking in Opbouw. De titel luidt: In Uw Handen, de schrijfster is: Geeske Wiersma.
Het bekendste gedicht eruit is: Gebed voor mijn kinderen; daaraan is ook de titel van de bundel ontleend. Vermoedelijk zullen veel lezers het gedicht wel kennen, het is, meen ik, wel eens eerder in Opbouw afgedrukt, en het is ook opgenomen op een wandtegel.
Toch zal ik het nog een keer overschrijven om er enkele opmerkingen over te maken.

Gebed voor mijn kinderen

Ik leg de namen van mijn
kinderen in uw handen.
Graveer Gij ze daarin met
onuitwisbaar schrift.
Dat niets of niemand ze
meer ooit daaruit kan branden,
ook niet als satan ze straks
als de tarwe zift.

Houdt Gij mijn kinderen vast,
als ik ze los moet laten
en laat altijd Uw kracht
boven hun zwakheid staan.
Gij weet hoe mateloos
de wereld hen zal haten,
als zij niet in het schema
van de wereld zullen gaan.

Ik vraag U niet mijn kinderen
elk verdriet te sparen,
maar wees Gij wel hun troost,
als ze eenzaam zijn en bang.
Wil om Uws naams wil,
hen in Uw verbond bewaren,
en laat ze nooit van u vervreemden,
nooit, hun leven lang!

Ik leg de namen van mijn
kinderen in Uw handen.
Amen.

Dit gedicht hangt in heel wat huiskamers aan de muur, wel een bewijs dat het velen aanspreekt. De eerste twee
regels van de tweede strofe zullen vermoedelijk verwoorden wat in véél ouders omgaat, als zoon of dochter "de deur uitgaat": in militaire dienst of "op kamers". Begint het trouwens al niet veel eerder, b.v. als moeder ze voor het eerst naar de kleuterschool.
brengt? Ouders móeten hun kinderen eens loslaten. Het sterkst is dat natuurlijk het geval, als die kinderen hun eigen weg in het leven moeten gaan zoeken, als ze niet elke avond onder het vertrouwde dak terugkeren. Elke vader en moeder beseft dan wel iets van de gevaren die daaraan verbonden zijn, ik hoef daar niet over uit te weiden.
Ik vind die twee regels dan ook de sterkste uit het hele gedicht:

"Houdt Gij mijn kinderen vast,
als ik ze los moet laten."

Beeldspraak is iets dat we elke dag tegenkomen, we kunnen er gewoon niet zonder en in poëzie wordt er dikwijls op een heel eigen manier gebruik van gemaakt. Tegelijk kan juist door die heel eigen manier van beeldspraak de verstaanbaarheid belemmerd worden. Taaluitingen, ook gedichten zijn een vorm van communicatie tussen mensen, ze moeten dus "begrepen" kunnen worden.
Laten we dan eens kijken naar de eerste strofe van dit gedicht: "Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen".
Wordt zoiets "begrepen"? Ik denk het wel; de meeste lezers zullen dit wel opvatten als: ik draag mijn kinderen aan U op, ik vraag U voor hen te zorgen. Maar is de beeldspraak geslaagd te noemen? Mijns inziens niet: het gaat niet om de námen die in Gods handen worden gelegd. Dat beeld is niet zuiver, je zou bij wijze van spreken die namen eerst op moeten schrijven voor je ze ergens neer kunt leggen. Zo'n bijgedachte werkt storend; we kunnen wel ons léven in iemands handen leggen, zeker in die van God, het verband met letterlijk "leggen" is dan zó zwak dat we het uitsluitend figuurlijk opvatten en daarom hebben we daar geen moeite mee. Ik begrijp natuurlijk best dat met die "namen" de kinderen zelf bedoeld worden, zij worden immers met die namen aangeduid, maar ik vind toch dat zo een gedachte niet op de goede manier wordt weergegeven. Misschien wordt mijn bedoeling duidelijker, als ik enkele voorbeelden geef: mijn leven, mijn lot, mijn geluk, dat alles kan in iemands handen liggen. Het betekent dan: die ander kan het volledig beïnvloeden, het is helemaal van die ander afhankelijk, Ms ik dat zeg van mijn náám, betekent het dat mijn aanzien, mijn eer, respect, kortom mijn "goede naam" van die ander afhankelijk is. En dát wordt in dit gedicht niet bedoeld!
Natuurlijk moeten we verband leggen met de volgende regels: "Graveer Gij ze daarin met onuitwisbaar schrift".
Hoe ver gaat nu de communicatie met de lezer? Wordt dat herkend? Het komt uit Jesaja 49 : 16, waar de Heere zegt: (tot Sion) " ... Ik vergeet u niet.
Zie, Ik heb u in mijn handpalmen gegrift, uw muren zijn bestendig vóór Mij". Er wordt hier niet van námen gesproken, maar van Sion. Het beeld is mij trouwens niet helemaal duidelijk.
Eerlijk gezegd, vind ik het woord "griffen" hier ook maar vreemd. In de oude vertaling staat "gegraveerd".
Zou er zoiets als tatoeëren bedoeld worden? De schriftgeleerden bij wie ik heb geïnformeerd, maakten mij ook niet zo veel wijzer. En wát staat er dan precies in Gods handen? Ik krijg de indruk van een tekening, de omtrekken van de stad Sion: "Uw muren zijn bestendig voor Mij". In elk geval gaat het hier niet om namen van personen, maar om het verbondsvolk en ook daarom is het beeld dat de dichteres gebruikt, minder juist, niet zuiver. Dat geldt ook voor het vervolg in die eerste strofe: "Dat niets of niemand ze meer ooit daaruit kan branden". Dat laatste woord rijmt wel mooi op "handen", maar het past niet in het geheel.
lets dat ingegrift is, probeer je er niet uit te bránden. Het past ook niet bij het spreken over God zoals we dat uit de Bijbel leren kennen: zonder meer is duidelijk dat nóóit iemand iets uit Gods handen kan weghalen, en van bránden kan helemaal geen sprake zijn. Zo zien we maar hoe riskant het gebruik van een bepaalde beeldspraak kan zijn.
Het rijm kan een bijzonder esthetisch element in een gedicht vormen. Het kan evenwel een schrijver ook verleiden tot het gebruik van woorden en beelden die bij nadere beschouwing niet op hun plaats blijken te zijn. Het woord "zift" zal wel opgeroepen zijn door "schrift": "Dat niets of niemand ze meer ooit daaruit kan branden, ook niet als satan ze straks als de tarwe zift". Dat laatste is ontleend aan Lucas 22 : 31. Maar er is geen aansluiting, geen verband, ook niet via associatie, tussen dat "branden" en dat "ziften". Er schuilt trouwens ook nog een taalfout in de zin: het eerste "ze" slaat op de namen, het tweede "ze" op de kinderen.
Nu hoop ik maar dat niet allerlei lezers geïrriteerd zullen raken doordat ze het bovenstaande eigenlijk maar muggenzifterij vinden. Misschien stelt het hun een beetje gerust, als ik vertel dat de dichteres zelf mij om een kritische bespreking heeft gevraagd?
"Kraak ze maar gerust af", waren haar woorden. Maar dat is natuurlijk mijn bedoeling niet. Dat ik op die dingen die ik hierboven heb genoemd, nu eens wat dieper ingegaan ben, komt ook doordat ik ze bij bespreking van gezangen uit het Liedboek herhaaldelijk ben tegengekomen. En dat bewijst dat de schrijfster nog niet in het slèchtste gezelschap zit!
Om het uithoudingsvermogen niet al te veel op de proef te stellen, zal ik nu eerst maar even stoppen. Een volgende keer hoop ik nóg iets over deze bundel te zeggen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief