Gesprek
2011-07-29
Nee, op vakantie ging ze al een jaar of vijftien niet meer, zei de oudere vrouw met een vriendelijke glimlach in antwoord op de beleefdheidsvraag van de twee dertigers. Ze bleef altijd een beetje om huis. De twee keken haar afwachtend aan. De vrouw had een paar dagen geleden zelf gebeld met de vraag of ze eens langs mocht komen. Ze wilde iets over zichzelf vertellen. ‘Aan jullie beiden’, had ze er nadrukkelijk aan toegevoegd. En daar zat ze. Klein, vriendelijk, donkere krulletjes, brilletje op. Een knussig beeld in het oude stoeltje van oma met een kopje thee in haar linkerhand met het koekje nog naast het kopje. Het stel kende haar nauwelijks. In hun beleving zat ze nog maar net bij hen in de kerk, maar het was toch al drie jaar, vertelde ze. Jazeker, ze had het prima naar haar zin. Ze kende al heel wat mensen, ook de moeder van de jonge vrouw. Even trok er een ijzige spanning door de kamer, maar de oudere vrouw babbelde vriendelijk door. Over haar dochter die getrouwd was met een jongen die de twee nog wel van vroeger kenden. Ze had ook een zoon, vertelde ze bij het tweede kopje thee, nee dank je geen koekje meer. En toen kwam de aap uit de mouw. Met haar zoon had ze altijd een goede band gehad. Ze voelden elkaar feilloos aan, hadden maar een half woord nodig om elkaar te begrijpen.- Jaargang 55
- nummer 15
Samen maakten ze grappen die aan anderen voorbij gingen. Ze bespraken van alles met elkaar.
Maar op een dag was hij verdwenen. Zo maar. Er ging een opsporingsbericht uit. Vrij snel kwam het bericht dat het zoeken was gestaakt. Er waren geen aanwijzingen dat hem iets was overkomen, meldde de politie. Waar hij zich bevond, konden ze niet zeggen. Ze was toen zelf gaan zoeken.
Eerst nog samen met haar man. ‘Ik zette persoonlijke uitdrukkingen in kranten in de hoop dat hij die zou lezen.
Zelfs in grote letters in de Telegraaf voor het geval hij in het buitenland zou zijn.’ Ook op de overlijdensadvertentie van zijn vader, een paar jaar later, reageerde hij niet. ‘Ik weet nu nog niet waar hij is. Ik weet niet of hij getrouwd is, kinderen heeft.’ Ze huilde niet. Ze was niet dramatisch.
Haar verhaal was feitelijk. Ook geen filosofische beschouwingen over hoe je als ouders kunt denken een goede band te hebben met je kinderen en kennelijk toch langs elkaar heen leeft. ‘Het huis waar ik in woon is eigenlijk te groot maar ik durf niet te verhuizen. Als ik ’s avonds wegga laat ik een lampje aan. Mocht hij op een dag voor de deur staan, dan weet hij dat ik er snel weer zal zijn.’ De twee luisterden aandachtig. ‘Ik vertel jullie dat, omdat ik heb gehoord dat er problemen zijn met jullie moeder. Het enige wat ik als gemeentelid wil zeggen is, blijf met elkaar in gesprek. Zelfs als er dingen zijn die voor je gevoel te moeilijk zijn om over te praten: blijf met elkaar in gesprek, desnoods met een derde erbij. Je hebt immers maar één moeder.’
Een paar jaar later werd de vrouw ziek. De inmiddels veertigers hoorden hoe mantelzorgers uit de kerk haar verzorgden zodat ze tot het einde in haar huis kon blijven. Vijf dagen voor haar overlijden kwam hij. Ze kon hem niet meer omhelzen. Geen gesprek meer voeren.
Hij kon haar ook niet meer uitleggen waarom hij niet eerder de zeventien kilometer had kunnen overbruggen vanuit de plaats waar hij al die tijd had gewoond.
Emmy Viezee-Fock is bedrijfsjournalist en lid van de NGK Krommenie.