Een man met een grote eigenheid

2011-07-29
  • Jaargang 55
  • nummer 15
Op zaterdag 2 juli hebben we in een volle dienst in Houten afscheid genomen van Jan van Oord. Wat is een christelijke begrafenis toch mooi, dacht ik na afloop. Wat gaat daar een kracht van uit!

Het is waar wat Prediker zegt dat je beter kunt gaan naar een huis van rouw dan naar een huis van feestgelag.
Feestvieren, lachen, daar kan het hart buiten staan, rouwen is eerlijker en staat dichter bij de werkelijkheid. En voor het christelijk geloof is dat de werkelijkheid van de dood en van de overwinning op de dood. Het evangelie is op z’n sterkst als het tegenover de koning der verschrikking komt te staan. Het ongeloof staat op het kerkhof met de mond vol tanden. Het geloof spreekt en zingt. Het hele samenzijn ademde deze Bijbelse sfeer uit. Als gezegende mensen gingen we naar huis.

Niet doorsnee
Jan van Oord kende ik van Opbouw, uit de tijd dat hij voorzitter van het bestuur en ik voorzitter van de redactie was. Hij autoritair, ik autoritair, maar allebei probeerden wij fair te zijn. Zo doende was er meer dan gewoon contact.
En dat is nadien zo gebleven, we waren vrienden. Van Oord was geen doorsnee mens, maar iemand met een grote eigenheid. Dat merkte je al als je met hem zat te praten. Dat was dan van zijn kant meer een monoloog dan een dialoog, zoals zijn zoon Marnix in zijn begrafenistoespraak opmerkte. Je kon dan maar het best luisterend aan zijn voeten gaan zitten. En dat was niet omdat hij zichzelf zo graag hoorde, maar omdat er dingen waren die hem hoog zaten. Zoals de leegloop van de kerken, het gemakkelijke kerkdienstverzuim, het opheffen van preekplaatsen, de terugloop van het lezen van boeken, de verarming in de gesprekken, de ontwikkelingen op politiek gebied – kortom, Jan van Oord was in zorg over Christus’ kerk in ons land.
Hij kende van jongs af aan de Kuyperiaanse wereld en had het mooie daarvan met volle teugen ingedronken. Hij heeft ook moeten meemaken dat de kleine gemeente van Bilthoven werd opgeheven – een gemeente waarvoor hij zich altijd zeer had ingezet. Dat viel voor hem niet mee, dat ging hem aan zijn hart, al was hij reëel genoeg om het onontkoombare ervan in te zien.
Hij was dan ook niet somber bij al het verval dat hij zag. Ik zou hem eerder weerbaar willen noemen, hij berustte er
niet in. ‘Doen wat je hand vindt om te doen.’

Vakmanschap
Jan van Oord was van huis uit een griendwerker uit Werkendam en gaf later mede leiding aan het familiebedrijf Van Oord in baggeren en waterbouw.
Een prachtige staat van dienst!
Hij was een man met een buitengewoon hoog arbeidsethos. Dat is zijn hele leven zo gebleven. ‘Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen’. Bij dat ethos hoorde ook dat hij goed was voor zijn personeel. ‘De arbeider is zijn loon waardig’ was hem op het lijf geschreven.
En wat hield deze man van zijn vak! Wat kon hij daar met trots over vertellen! En te boek stellen! Ik houd een fotoboek met dichterlijke bijschriften in m’n handen dat Jan in 2008 samenstelde over Zeeland en Zeeuws-Vlaanderen. De voldoening dat hij zijn vakmanschap zijn leven lang in dienst van met name dit land heeft mogen stellen, spat ervan af.
‘Waar eens de zeeën braken / met donderend gedruis, / daar glimmen nu de daken en lispelt bladgesuis; / daar trekt de ploeg de voren, / daar klinkt de zicht in ’t graan, / daar ziet men ‘t Zeeuwse koren / het allerschoonste staan’, citeert hij een gedicht. Je proeft: En dat ik (wie ben ik?) daar nu na de watersnood een steentje toe mocht bijdragen… Nostalgisch, zegt u. Ja, mag het? Wat is er eigenlijk mis met nostalgie als er zoveel moois verdwijnt? Van de andere kant: alleen wie ook aan de ellende van die tijd wat gedaan heeft (en dat mag je van meneer Jan wel zeggen) mag nostalgisch zijn.

Een nieuw geslacht
Niet alleen in zijn beroep was Jan van Oord een heel eigen man. Hij was in onze kerken en in de christelijke wereld in het algemeen een soort mecenas, een stimuleerder en begunstiger van de uitgave van belangrijke lectuur. Zijn betrokkenheid bij de stichting Pro Religione et Libertate moet hier genoemd worden. Hij had een goede algemene ontwikkeling en een dito interesse.
Mensen die iets wilden schrijven hielp hij voort. Menigeen kan daarvan getuigen.
Hij leefde in deze dingen. Hij was ook steeds geïnteresseerd in en bezig met de overdracht van waardevolle documenten aan de volgende generatie, vooral in familieverband. Daarvoor verzamelde en ordende hij veel materiaal.
Het nageslacht in het algemeen trouwens stond bij hem hoog aangeschreven.
Wat zag hij graag dat er voor de jongelui begrijpelijke en pakkende lectuur verscheen die een dam zou kunnen opwerpen tegen de aanzwellende onkunde op geestelijk gebied. Hij meende honger naar kennis bij hen op te merken en nam het de oudere generatie kwalijk dat ze daar te weinig voedsel aan gaf of de ruif voor hen te hoog hing.
Tegelijk was hij een familieman die de verjaardagen van zijn kleinkinderen niet oversloeg. Zoals met zo velen correspondeerde hij ook met hen. Wat heeft die man een brieven geschreven!

Afhankelijk
Jan was ook een dijkjesmens. Ik bedoel nu niet dat de bouw van dijken voor hem geen geheimen had, maar hij was geboren en getogen in het land dat door dijken omgeven is. Dat schept een bijzondere mentaliteit (zoals ik dat ook zelf van nabij wel heb gezien), een geest van afhankelijkheid en kleinheid voor God. Dijkjesmensen zijn van huis uit vertrouwd met watersnoden, ze weten van Gods toorn zoals die in de storm kan woeden: het angstig in bed liggen of de dijk het zal houden. Daar word je klein van, daar kun je niet met kapsones tegenover staan. ‘Wat is de mens dat Gij zijner gedenkt?’ Wat kon Jan bekommerd zijn over zijn eigen zielenheil! Is het wel voor mij? Er waren momenten dat hij daar erg mee zat. Vooral bij het verlies, nog maar kort geleden, van zijn tweede zoon Lieuwe speelde dat op. En toch benam hem dat de geloofsvreugde niet.‘Uw lof te zingen is mijn lust’, dat woord uit Psalm 108 stond zeer terecht boven aan zijn rouwbrief. Maar die dijkjesmentaliteit zorgde ervoor dat zijn geloofsvreugde geen overmoed werd.
Het was alles genade. Deï gratia stond er op zijn huis. En of ik al zei dat die twee puntjes op de i daar niet hoorden, het bleef zoals het was. Het was zijn Latijn, zijn doorleefd Latijn. Een boom is omgevallen. Jan is in het Utrechtse een helder lichtbaken geweest, een man met een goede uitstraling.

Drs. Henk de Jong is emeritus predikant van de NGK Zeist en oud-redacteur van Opbouw.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief