Mens in het voetspoor van God

2011-07-29
  • Jaargang 55
  • nummer 15
Een bijzonder mens is heengegaan. Een mens-in-wording. ‘Dan zullen wij, uit nood en pijn geboren, eindlijk mensen zijn’ - uit Gezang 89 - staat boven de rouwkaart. Het was de geloofsbelijdenis hem op het lijf (beter: in het hart) geschreven.

Het ‘raadsel mens’ heeft Jan Keuning in toenemende mate in zijn leven beziggehouden.
Of ook: hoe een verkrummeld mens mens-van-God kan worden. Mens zoals door God bedoeld.
Iets van dat wonder geschiedt waar je als mens gaat leven in het voetspoor van God, zo was zijn stellige overtuiging.

Levend weten
Jan werd op 20 december 1919 geboren in Baarn. Als tweede in een gezin van twee. Hij had alleen een oudere zus boven zich. Afkomstig uit het bekende boekengeslacht Bosch & Keuning was hij bestemd om zijn vader op te volgen in het boekenvak. Het liep anders. Tot schrik van zijn ouders besloot hij theologie te gaan studeren. ‘Niet om dominee te worden, maar ik wilde weten hoe het zat.’ Wetenschap was voor Jan per definitie praktisch. Een niet afstandelijk maar levend weten. Hij ging studeren aan de Rijksuniversiteit van Utrecht, op treinafstand van Baarn. Vanwege de oorlog stopten de colleges al gauw, en heeft hij het overgrote deel van de stof via zelfstudie tot zich genomen.

Tussen de mensen
Als 17-jarige leerde hij Hilda kennen.
En ze trouwden, zoals toen te doen gebruikelijk, vlak voor ze de pastorie ingingen. De gemeenten die hij gediend heeft waren achtereenvolgens : Murmerwoude, Nieuwer Amstel, Semarang/Nederlands Indië, Haulerwijk, Nijmegen en (vanaf 1975) Culemborg, waar hij in 1982 met vervroegd emeritaat is gegaan.
Jan en Hilda kregen samen een groot gezin van negen kinderen, en hebben het vooral in de beginjaren niet breed gehad. Na de moeilijke jaren rond het overlijden van Hilda, leerde Jan in Riet Versluis-Meester zijn tweede vrouw kennen met wie hij ruim 25 jaar gelukkig getrouwd is geweest.

Via Hilda kwam Jan als HV’er (Hersteld Verbander) de Gereformeerde kerken binnen. Hij ging met de Vrijmaking mee, en was aanvankelijk streng in leer en leven. De kinderen, vooral de ouderen weten erover mee te praten. Ergens in de Nijmeegse jaren kwam de omslag: van predikant (en vader) boven de mensen tot dominee tussen de mensen, hoewel alle familiariteit hem vreemd was en bleef. Vooral ook zijn docentschap aan de Reformatorische Bijbelschool In Zeist (van 1975-1987) is daarin voor hem van beslissende betekenis geweest. Hij gaf Nieuwe Testament en de pastorale zorg voor ‘moeilijke studenten’ was aan hem toevertrouwd, en daarvan waren er nogal wat.

Open
Jan kon het - afkomstig als hij was uit die talige Keuning familie - met de onderkoelde humor die hem eigen was, kernachtig zeggen: ‘Jezus zegt: “mijn eten en drinken is te doen de wil van mijn Vader” – dan ben je als een vis in het water. Maar wíj denken altijd, dat leven van God níet goed voor ons is.
Mensen: buiten het water kun je niet leven.’ Over het ‘verwrongen’ mensenleven: ‘ik ben van mening, dat je echt keuzes moet maken en niet alleen reageren op wat er over je heen komt… maar ja, als je dat niet geleerd hebt...’ ‘We willen ons niet inleven in de ander. Niet als het tegen je eigen belang ingaat. Eigenlijk zijn we grote egoïsten. We vragen niet: hoe kan ik jou ten dienste zijn, maar hoe kun jij mij gelukkig maken.’ En: ‘sta je open voor de ander en durf je kritisch naar jezelf te kijken?’ In z’n zelfkritiek was hij verrassend modern. Over het preken tegen jongeren zei hij eens: ‘woorden als genade en verzoening zegt ze niets. Die moet je dus vermijden’. En over z’n eigen prekerij (in een groot zwart boek hield hij al z’n diensten nauwkeurig bij): ‘Ik zou het vandaag misschien toch anders doen’. En over de opvoeding van de kinderen: ‘ik zou het graag nog eens overdoen’ – naast het gevoel van: ‘gelukkig, dat hoeft niet meer.’

Bij Hem leven
De nood en pijn is Jan en ook Riet in hun leven niet bespaard gebleven. Een jaar geleden openbaarde zich de kanker in z’n eigen lichaam. Maar dat alles heeft zijn vertrouwen in de God van het leven niet aangetast. Hij bleef zeggen (met woorden van dat andere lied): ‘Het is vol wondren om u heen’.
Hij zei: ‘dat je leven mag, dat je kunt ademen, - dat vinden de mensen allemaal maar gewoon. Maar dat is het niet’. En over z’n eigen ziek-zijn: ‘Mensen, dat is het einde niet. Bij Hem mogen we leven’.

Op zaterdag 2 juli is hij gestorven, en op woensdag 6 juli hebben we hem begraven.
In antwoord op de verkondiging zongen we:

‘De geest die ons bewoont
Verzucht en smeekt naar God
dat Hij ons in de Zoon
doet opstaan uit de dood.
Opdat ons leven nooit
In weer en wind bezwijkt,
kom Schepper Geest, voltooi
wat Gij begonnen zijt.’

Drs. Johan de Jonge is predikant van de NGK Alphen a/d Rijn.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief