Hekwerk of bron?
2011-07-29
- Jaargang 55
- nummer 15
| Op 8 juni promoveerde Michael Mulder aan de TUA op een proefschrift met de titel Israël in Romeinen 10. Drs. H. de Jong was tijdens de promotie de vriendschappelijke opponent en gaat in dit artikel in op één van de stellingen bij het proefschrift. Dat de redactie van Opbouw Michael Mulder vanaf deze plaats ook graag feliciteert, hangt samen met het feit dat deze Christelijke Gereformeerde theoloog meer dan eens door de EvTA (Evangelische Toerusting Afrika) is uitgezonden naar Bangui en daarvan verslag deed in Opbouw. |
Onlangs promoveerde een vriend van mij en bij de stellingen die hij aan zijn proefschrift had toegevoegd vond ik onder andere de volgende: ‘Het beeld van een Australische boer die een bron slaat in de steppe als middel om zijn vee bijeen te houden, in plaats van met rasterwerk een weidegebied af te perken, is bruikbaar voor het verstaan van wat voor gemeenschap de kerk eigenlijk is.’
Ik heb de stelling wat gefatsoeneerd om die voor de gewone mensen die we zijn verstaanbaar te maken. Ik vind het een prachtige stelling die ons leert evangelisch in plaats van wettisch over de kerk te denken.
De boer en zijn koeien
Dat hekwerk is namelijk de wet en die bron, dat is het evangelie. De boer die zijn grasland afbakent met behulp van een afscheiding wil zijn vee verhinderen alle kanten uit te lopen. Hij dwingt zijn koeien met behulp van een gebod in de vorm van bijvoorbeeld schrikdraad.
Maar de boer die een bron slaat gebruikt een geestelijke magneet, water uit de bron, om zijn beesten bij elkaar te houden. Wie met het gebod werkt bereikt niet dat het vee gewillig binnen de afgeperkte ruimte blijft.
Steeds zie je dat dieren proberen onder de afscheiding door te kruipen, maar ze worden door de schrikdraad tegengehouden. Heel anders die bronnen-
boer. Hij gebruikt de aantrekkingskracht van het water waar het vee innerlijk spontaan naar dorst.
Ik ga nu met u naar Paulus’ eerste brief aan de Korintiërs om aan de hand van een paar voorbeelden uit die brief te laten zien dat de apostel een bronnen-boer in plaats van een schrikdraad-boer is. Hij vermaant met het evangelie in plaats van met de wet.
De zwakke wet
In 1 Korintiërs 5 gaat Paulus in op een ernstige misstand in de gemeente.
Er is daar een man die samenleeft met de vrouw van zijn vader. Een misstand die zelfs onder de heidenen van die tijd niet voorkwam. Aan die laatste opmerking zie je dat de apostel voor zaken van ethiek en moraal ook wel lette op de buitenwereld. De samenleving buiten de gemeente was niet van elk besef van goed en kwaad verstoken. Net zo min als de onze, trouwens. Maar dat nu daar gelaten, Paulus treedt uit de verte op om aan deze misstand een eind te maken. Uit de verte, want hij is op dit ogenblik niet ter plaatse. Aan de maatregel die hij treft ga ik nu voorbij, het gaat mij om het vervolg waarin Paulus duidelijk maakt waar het aan schort in de gemeente. En nu zou je verwachten dat hij zo iets zei als: Broeders en zusters, we lezen toch duidelijk in de Schrift dat wat die broeder doet niet geoorloofd is? Kijk het maar na: Leviticus 20:11: ‘Een man die gemeenschap heeft met de vrouw van zijn vader – beiden zullen zeker ter dood gebracht worden, hun bloedschuld is op hen’. Is dit duidelijk of niet? Toch gebruikt Paulus dit verbod niet.
Waarom niet? Daar zijn die geboden toch voor? Die heeft de Here God toch niet voor niets gegeven? Maar Paulus heeft in een andere brief, die aan de Romeinen, geschreven dat de wet krachteloos is door het vlees (Romeinen 8:3). Hij bedoelt dat als wij mensen naar het vlees leven, gewoon, als onveranderde mensen, de wet dan weinig bij ons klaar maakt. Neem de overheid. Die kan weliswaar met haar wetten een zekere gehoorzaamheid af dwingen, maar dat is dan een uiterlijke gehoorzaamheid, zoals van die koeien die tegen gehouden worden door een schrikdraad. De overheid kan met haar wetten geen verandering van gezindheid bewerkstelligen.
Door het geslachte paaslam
En daarom tapt Paulus uit een ander vaatje. Heel fraai, zoals hij dat hier doet! Hij gebruikt als beeld het oude paasfeest, waarvoor de mensen al het oude zuurdeeg dat ze in huis hadden moesten wegdoen. Een mooi beeld uit die tijd voor het wegdoen van het oude leven. Want zegt hij, en dan grijpt hij naar de vervulling van het oude paasfeest: ‘Ons paaslam is geslacht, namelijk Christus’. En vanwege dat geslachte paaslam Christus moeten wij niet met oud zuurdeeg maar met het ongezuurde brood van reinheid en waarheid het feest van het nieuwe leven vieren. Prachtig! Dat is nu een evangelisch vermaan! Wij vermanen vaak met wet en gebod. Paulus vermaant met het evangelie. Hij opent de bron van het evangelie: Christus met zijn zoenoffer, en hij verwacht daarvan dat de gemeenteleden daaruit zullen komen drinken, net als die beesten in de wei uit het voorbeeld.
Opstandingskracht
Mijn tweede voorbeeld staat niet ver van het eerste af. We hoeven maar één hoofdstuk verder te gaan: 1 Korintiërs 6. Daar heeft Paulus het over de losbandigheid, vooral op seksueel gebied.
‘Het lichaam is niet voor de hoererij, maar voor de Here en de Here voor het lichaam’, schrijft hij in vers 13. En ook hier gaat de apostel niet naar de wet om dit kwaad te keren, maar hij verwijst naar de opstanding van Christus. ‘God heeft niet alleen de Here opgewekt, maar Hij zal ook ons opwekken door zijn kracht’.
Ook op dit gebied zou het voor de apostel niet moeilijk geweest zijn om met een gebod of verbod aan te komen dat de hoererij verbiedt. Lees dat hoofdstuk uit Leviticus maar dat ik hiervoor al aanhaalde. Toch doet hij dat niet. Waarom niet? Veracht hij de wet? Helemaal niet! Maar hij beseft dat hij krachten moet mobiliseren die het gebod niet in huis heeft. Weet u wel: ‘zwak door het vlees’ noemde Paulus de wet. En hier heeft hij het over de kracht van de opstanding, de kracht van onze opgestane Heer.
Van binnen uit
De apostel werkt dat dan verder uit door te spreken over de gemeenschap die wij door het geloof met Christus hebben en hij stelt de geestelijke gemeenschap met Christus tegenover de lichamelijke gemeenschap met een hoer. Wie is Christus voor ons?, wordt zo de vraag. De bron waaruit wij drinken of de schrikdraad die ons uiterlijk afschrikt zonder dat we daar innerlijk in mee komen? En tot slot komt hij dan met nog een evangelische werkelijkheid: ‘Of weet gij niet dat uw lichaam een tempel is van de Heilige Geest die in u woont, die ge van God ontvangen hebt en dat ge dus niet van uzelf zijt?’ (vers 19). Paulus noemt hier de Geest die ons indachtig maakt en ons toe-eigent wat wij in Christus hebben.
In Christus
Dit zijn twee voorbeelden van evangelisch in plaats van wettisch vermaan.
Nu, zegt u, dan moeten we zeker bij de Evangelischen zijn. Maar zo eenvoudig ligt het niet. Zoals wij zelf vaak meer wettisch dan evangelisch zijn, zo is dat met de Evangelischen ook het geval. Wij allemaal, hoe wij onszelf ook noemen, gereformeerd of evangelisch, katholiek of baptist, deze teksten zijn een vraag aan ons: Hoe sterk is onze band met Christus?
Wagen wij het met de bron van genade die in Christus openstaat of verwachten wij het van de schrikdraad van de wet? Denk erom, het gaat om hartelijke gehoorzaamheid aan Gods geboden en niet om een afgedwongen volgzaamheid waar het hart buiten staat.
Drs. Henk de Jong is emeritus predikant van de NGK Zeist.