Nog eens: de verhouding tot de Gereformeerde Kerken, vrijgemaakt

1986-11-28
  • Jaargang 30
  • nummer 46
De verhouding tussen de Geref. Kerken (vrijg.) en onze kerken blijft een gevoelige zaak is mij gebleken uit de verschillende reacties op de artikelen die ik in oktober j.l. schreef.
Er zijn aan beide "kanten" gelukkig velen, ook onder jongeren, die leed hebben over de geslagen breuk.
Voor ons komt daarbij dat er zorgen zijn over de toekomst van onze kerken in het isolement waarin wij terecht zijn gekomen.
Wij hebben geen eigen theologisch centrum, geen gereformeerde scholen, geen kerkelijk "apparaat" en dreigen uiteen te groeien.
Het was een merkwaardig samentreffen in Opbouw toen ds De Jong voor een deel hetzelfde onderwerp aansneed in de publicatie van een causerie over de identiteit van onze kerken.
Er is een duidelijk verschil in benadering.

Onze lezers weten dat ik altijd, zowel voor als na de breuk, voorstander ben geweest van een herstel van eenheid onder gereformeerde belijders. Het zou een geweldig ding zijn wanneer de Christ. Geref., de Vrijg. Geref. en de Ned. Geref. de weg tot elkander zouden vinden.
Gelet op het geheel van Christus' kerkvergaderend werk is dit voor ons "geweldige" maar een heel klein stapje. Omdat het gaat om de ene kerk van Christus onderhouden we het kerkverband en zoeken we eenheid met anderen.
Ds De Jong stelt zich wat vrijblijvender op t.a.v. het kerkverband en event. ,,herenigingen"; hij maakt a.h.w. van de nood een deugd indachtig de gebrokenheid van het kerkelijk leven.
Het gevaar bij deze opstelling is dat we in individualistische wateren verzeild raken.
Het is nu niet mijn bedoeling een discussie met ds De Jong aan te gaan over de identiteit. van onze kerken; dat kan later nog wel.
Het gaat mij nu om te antwoorden op diverse vragen. Er is mij van bevriende zijde verzekerd dat er van vrijgemaakte kant is gereageerd op wat ik schreef. .
Het' is al jaren zo dat men van vrijgemaakte kant het niet nodig vindt ons publicaties toe te sturen waarin wij aangesproken worden.
Wanneer mij dit niet wordt toegezonden kan men niet verwachten dat ik hierop reageer.
Wanneer ik nu toch inga op een artikel in de Reformatie van 8 nov. j.l. is dit om het belang van de zaak en vooral omdat de in:' houd van de hand van ds C. J. de Ruijter een. gesprek mogelijk maakt.
De schrijver constateert tot zijn leedwezen dat ds De Jong een hereniging met de vrijgemaakte kerken niet ziet zitten en niet begeert, terwijl ondergetekende hoopt op mogelijkheden bij een volgende generatie.
Ds De R. eindigt zijn artikel, waarin hij in gesprek is met br. J. Kooiman over de Open Brief als volgt: ,,Waar blijft in dit verban dan het resultaat van de serieuze bezinning op de catholiciteit van de kerk? Als dat de inzet was van de O.B., hebben we na twintig jaar dan geen recht op evaluatie op dit punt?
De schrijver heeft waarschijnlijk niet kennis genomen van wat er van onze kant in de dagen van de strijd en daarna is geschreven, waarin heel wat evaluatie is gegeven, maar zonder resultaat.
Aan mij wordt de vraag gesteld waarom ik, nog altijd voorstander van de eenheid onder gereformeerde belijders, de hoop op een hereniging in onze generatie heb opgegeven.
Hoewel de Open Brief nooit een officieel stuk is geweest, blijkt ook uit het schrijven van ds De Ruijter dat hij een struikelblok blijft bij een eventuele toenadering.
Wat is en blijft nu de moeite?
Een gesprek over de inhoud van de brief aan de Tehuis-gemeente in Groningen, waarin vragen die gerezen zijn op rustige, broederlijke wijze worden besproken is niet mogelijk gebleken.
In de vrijgemaakte pers brak aanstonds een storm van verontwaardiging los. Uit de stroom van artikelen, brochure e.d. beperk ik mij nu tot wat door Prof. J. Kamphuis blijkens zijn brochure: Verantwoording van een keus A.D. 1967 schreef aan de kerkeraad van Kampen vanwege het feit dat één van de predikanten de O.B. had ondertekend.
Van de betrokken predikant wordt op pag. 15 gezegd dat hij geveinsdelijk handelt en spreekt, naar Matth. 7 en Joh. 10 als ,,een wolf in schaapsvacht, een dief vermomd als goede herder. Op dezelfde pagina wordt gesproken van kerkverraad een verkrachting van de belijdenis.
Op pag. 19 wordt gezegd dat in de Open Brief de smalle weg van de kerkvergadering… wordt verlaten en de brede weg van het modernistisch oecumenisme wordt verkozen. En ook van deze ,,brede weg” waarop ds M. publiek voorgaat geldt: ,,die tot het verderf leidt”. (Matth. 7 : 13). Het betreft hier geen fout op de goed, maar het kiezen en voorgaan op de kwade weg”.
Deze zinsneden zijn typerend voor de geest waarin destijds is gehandeld.
Wanneer wordt uitgegaan van de kwade trouw bij de ondertekenaars, zoals uit de woorden wolf, dief, verraad en brede weg duidelijk blijkt is elk gesprek zinloos geworden.
Het waren moeilijke dagen, waarin de emoties hoog oplaaiden.
Is er sindsdien een keer ten goede gekomen?
Ongeveer vijf jaar geleden heb ik een poging gedaan om een opening te maken o.a. door mee te delen dat de handtekening onder de brief niet bekenden dat ieder het met alles eens was, zodat het meer adhaesie-betuigingen waren.
Ook dit werd in de Reformatie weer in ons nadeel uitgelegd door Dr Trimp die er een poging in las om aan de verantwoording te ontkomen.
In Zuid-Afrika op de synode van de ,,Dopperkerken” heb ik ervaren dat er eel meer verharding in de afwijzing van onze kerken dan toenadering valt waar te nemen.
Bij het schrijven van dit artikel rolden twee nummers van de Geref. Kerkbode voor Groningen, Friesland en Drenthe door de brievenbus, waarin JMG met de bekende, meermalen weerlegde stellingen over mij heen rolt en de conclusie is dat er bij mij een ja en een nee is.
Ds De Ruijter kan wellicht begrijpen dat ik, altijd open voor een gesprek, geen behoefte heb aan herhaling van 1967.
Een discussie heeft geen zin, wanneer men ons niet gelooft op ons woord en ons blijft vastspijkeren op een uitleg van de Open Brief die wij zelf verwerpen.
Hierop doelde ik toen ik schreef dat er onherroepelijke dingen zijn, waardoor mensen die elkaar nastaan kerkelijk gescheiden blijven.
We moeten het maar overgeven aan Hem, die de harten kent en recht zal spreken op Zijn tijd.
Het zou een goede zaak zijn, wanneer een volgende generatie over een weer tot een beter verstaan komt: het gaan niet om een ,,gelijk” maar om de zaak van de Goed Herder.
Tenslotte nog iets over de twee meest omstreden zaken in de Open Brief.

In het jaar 1945 heb ik en hebben velen met mij zich niet afgescheiden van de valse kerk om zodoende te blijven bij de ware kerk: De acte van Vrijmaking heb ik bewust niet getekend.
Wel heb ik mij vrijgemaakt van bovenschriftuurlijke bindingen en schorsingen en omdat het beroep op Art. 31 van de K.O. niet werd aanvaard kwamen we buiten het kerkverband terecht.
Hieraan ging vooraf een strijd onder broeders en zusters van, hetzelfde huis in de kerk die mij lief was en tot groot verdriet ging de vrijmaking gepaard met kerkscheuring.
Omdat het tussen broeders en zusters van hetzelfde huis ging (geen broedertwist, maar een confessioneel' en kerkrechtelijk geschil) was ik van meet aan voorstander van het streven tot herstel van de eenheid onder gereformeerde belijders.
Mag men van mij de vrijmaking een reformatorische daad noemen en ik zie ook de zegen op deze weg, maar het gaat mij veel te ver om te spreken van een werk des Heren ter uitleiding van zijn volk en wanneer gezegd wordt: dat wij ons niet hebben vrijgemaakt, maar dat Christus ons vrijmaakte wordt het toch wel een heel wonderlijk verhaal..
Het lijkt wat op een bevrijdingstheologie.
Voor alle duidelijkheid wil' ik, ook ten behoeve van JMG - met dank voor de toezending, nog wijzen op de merkwaardige ontwikkeling na 1945.
De kerken die in 1944/45 het nodig achtten een aantal leeruitspraken bindend op te leggen hebben zo de schrik in de benen gekregen dat er veel grotere "dwalingen" dan in 1944 worden getolereerd.
Aanvankelijk heeft men getracht het conflict met onze kerken bij te leggen en de leeruitspraken vervangen en later terzijde gesteld (niet teruggenomen), maar toen het niet lukte tot een gesprek met onze kerken te komen sloeg .men de richting naar de oecumenische beweging in.
Dezer dagen geraakten de Ned. Herv. en de Gerei. Kerken in staat van hereniging, desgevraagd heb ik in het Centraal Weekblad als bezwaar aangevoerd dat er in deze herenigde kerk nauwelijks enige binding aan Schrift en Belijdenis bestaat.
In onze kerken zal niemand, ook niet de ondertekenaars van de O.B. een pleidooi 'voeren voor contact en samenspreking met deze kerk. Aan het tweede punt: het fundament van Christus' kerk kom ik nu vanwege de ruimte niet toe.
Het komt nog wel, eventueel in het kerkblad voor Overijssel en Gelderland.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief