Kerkgeschiedenis
1986-11-28
Onlangs lazen we, van de hand van een onzer trouwste medewerkers, 1) een correctie op een onjuiste geschiedschrijving. Nu is de kerkelijke historie doorspekt met valse geschiedschrijving; het corrigeren daarvan zou monnikenwerk zijn.- Jaargang 30
- nummer 46
Alleen al het feit dat de Dordtse Kerkenordening over een scriba zegt dat "hij naarstiglijk heeft op te schrijven 't gene waardig is opgetekend te zijn" geeft moeilijkheden.
Want wat vindt u waardig te notuleren? Wat acht uw ambtsbroeder de moeite waard om vast te leggen? En ...
wat vindt de scriba zelf nuttig om op te tekenen? We hebben in bewogen jaren dikwijls van een classisvergadering een proces-verbaal in snelschrift genoteerd.
Kwamen er kwesties naar aanleiding van de notulen, en die kwamen er, dan lazen wij soms de betreffende passage uit het proces-verbaal voor - en alle problemen waren opgelost. Maar daar kunnen we geen gewoonte van maken.
Overigens kan het goed zijn even nota te nemen van wat sommige Engelsen zeggen over de geschiedenis History (zeggen deze) is His Story; met name de kerkgeschiedenis is Gods Verhaal.
-o-
Dat een boek het "ontstaan der Nederlands Gereformeerde Kerken" zou toeschrijven aan de "valse leer" van wijlen ds L. E. Oosterhoff van Beverwijk! Gelukkig kon onze oor- en ooggetuige snel de vinger op de wonde leggen en met de stukken aantonen wat hier fout ging in de kerkelijke geschiedschrijving.
Maar in lang alle gevallen is correctie niet meer mogelijk en wordt een leugen, vaak genoeg herhaald, voor waarheid aangezien.
Zo met die "valse leer" van ds Oosterhoff. Als ik me goed herinner had hij enkele Bijbelteksten zo geïnterpreteerd, dat men hem de gedachte van een uiteindelijke algemene verzoening kon toedichten. Nu, en? Iemand die daar toe komt zal zeker niet gering van Gods almacht denken.
Maar goed Ds Oosterhoff heeft zijn dwaling herroepen en beterschap beloofd. En in die dagen gebeurde het, dat hij eens in Nunspeet kwam preken. Nunspeet was altijd vacant; daarom hoorde men wel eens voorgangers die zelden op andere kansels genodigd werden. Een daarvan was L.E.O. Officieel heette hij bevoegd en wat hij in het verleden wel eens misdaan of beleden mocht hebben ging de preekvoorzienigheid niet aan.
Het was in het zomerseizoen, er waren veel gasten in ons zaaltje.
Sommigen kregen zelfs een staanplaats in een belendende zaal. L.E.O. preekte naar beste kunnen, wij zongen van ganser harte, en dat was dat. Na afloop kwam een gast naar het orgeltje en zei: collega, ik ben ook organist, en het was een feest deze kerkdienst mee te maken. Wát een preek! En wát een zang! En wie is toch die predikant?
De organist nam 'even bedenktijd.
Toen vroeg hij: was de preek werkelijk goed? - Uitmuntend, riep de ander. En wie was nu deze dominee? - Deze predikant is ds L. E. Oosterhoff van Be… Van Beverwijk toch niet? Die valse profeet? Kan die hier voorgaan? - Toch een beste preek, nietwaar? probeerde de organist nog even. Maar het contact was al verloren.
-o-
Als u oog hebt voor zulke ontmaskerende gebeurtenissen loopt u er vaker tegen aan. Zo was dat ook met wijlen ds B. Telder van Breda. De meest omstreden schrijver uit onze groep. We hebben na zijn overlijden er iets van verteld. Laten we nog iets mogen ophalen. 2) "
Eenmaal gingen we samen naar de middagdienst in Nunspeet.
Vlak voor het Dorpshuis hield hij me staande: u gaf me zondag 22 op om over te preken; was die inderdaad aan de beurt? - Ik keek geschrokken mijn aantekeningen na en antwoordde: ja inderdaad, die is vandaag aan de beurt. Schikt het u niet? - Jawel, zei hij, maar "toevallig" moest ik vorige zondag ook al ergens over zondag 22 preken - en -ook daar was het naar mijn overtuiging zuivere koffie. - En waarom zou het geen zuivere koffie zijn?
vroeg ik onnozel. - Hij keek me vrolijk lachend aan, lang en diep, "Omdat deze zondag mijn testcase' is", lichtte hij toe; de zondag, waarop ik uitgegleden heet te zijn".
Dat ik daar niet aan gedacht had. Een mens is vaak nog dommer dan hij zelf weet. Ik moest dat zien goed te maken. En na afloop, in de kerkeraadskamer, keek ik de broeders stuk voor stuk aan. In de komende stilte vroeg ik duidelijk: heeft een van 'u in de juist gehoorde preek iets van" een ketterij opgemerkt?Verbazing: moet dat dan? - Ik herhaalde: heeft niemand van u enig bezwaar op het geheel of een onderdeel van deze preek gevoeld? - Opnieuw ontkennende antwoorden zelfs woorden van lof. - "Dan constateer ik", vervolgde ik tegen ds Telder, "dat de kerkeraad hier geen schriftuurlijke bezwaren tegen uw verklaring van onze dood en opstanding heeft in te brengen".
-o-
Nog een enkel- geval, als het mag? Op de eerste de beste generale synode na de vrijmaking werd het beroep tegen de schorsing en afzetting van wijlen ds W. G. F. van Herwijnen behandeld.
Ik had het voorrecht deze zitting als luisteraar mee te"maken, zittende tussen genoemde klager en ds Telder in. Het eind is geweest, dat aan ds Van Herwijnen eerherstel is geschonken en hij weer beroepbaar predikant werd geacht.
Ook hij kwam, als predikant zonder gemeente, wel eens naar Nunspeet. En bracht daar uiteraard zijn faam als eenmaal geschorst en afgezet predikant mee.
Men noemt geen koe immers bont, of er zit wel een vlekje aan?
Eens preekte hij bij ons over psalm 150, het slotaccoord van de psalmen. Ongeacht zijn ernstig gezicht, dat door veel lijnen was gegroefd, zong hij met zijn prachtige heldentenor ons de lof Gods voor. Met stem en, snaren, met mond en hart. Wat hebben wij gezongen; wat hebben wij geluisterd. En wat waren We blij met deze spontane viering van onze God, die om al zijn weldaden geloofd en geprezen mag worden! Is de lofzang Gods niet het enige wapen van de kerken onder het kruis?
Maar toen ds Van H. met mij meeging om te koffiedrinken, was hij niet meer blij. Er' drukte hem iets. En ik waagde het daarnaar te vragen; want kon die omgeslagen stemming niet verstaan.
Het antwoord luidde dat een ouderling na afloop van zijn preek hem vermaand had: dat dit geen gereformeerde, preek was geweest. Zo had het Leger des' HeiIs ook wel kunnen preken.
De stukken van ellende en verlossing waren totaal overgeslagen en dat kon niet door de beugel. Dat was juichen en springen zonder reden, en voor God zeker niet welgevallig.
Gelukkig kon ik hem ook nog een andere reactie melden. De reactie van niemand minder dan ds D. va:n Dijk van Groningen, die als gast aanwezig was geweest.
Deze had. mij bij de kerk namelijk bij de arm gepakt en gevraagd: wie is toch deze predikant?
- Ik had gevraagd: was hij goed of niet? - Ds Van Dijk had gezegd: machtig goed! maar vertel op, wie is hij? - Ik noemde zijn naam en zei erbij dat ds Van Dijk er - door zijn optreden ter synode - zelf aan had bijgedragen, dat de spreker zijn geloofsblijdschap had herponden. DvD (die als student de Hebreeuwse karakters gebruikte, welke tevens de naam David aangeven) was volkomen verrast. "Ik kende hem niet", zei hij - "maar deze man is een uitnemend prediker!"
Conclusie: we moeten onze kerkelijke geschiedschrijvers' maar goed controleren. Ook schrijver dezes, die meer voor de zakelijke dan de letterlijke inhoud instaat.
Want een faam wordt soms klakkeloos doorgegeven, vooral de slechte faam. Het negende gebod ten spijt. We zullen vermoedelijk niet op onze faam, maar op onze werken geoordeeld worden. En kerkelijke historie is inderdaad His Story.
1) Ds H. J. v. d. Kwast in Opbouw 24-10-19116. 2) Opbouw 12-9-1980.