Zending in Oost-Afrika
1985-01-04
- Jaargang 29
- nummer 1
Inleiding
Bij mijn laatste bezoek aan Nairobi viel het mij weer op: er is een ontelbaar aantal kerken en christelijke organisaties aan het werk in dit land. Uit alle windstreken strijken mensen neer in dit Oostafrikaanse land om zich op een of andere manier bezig te houden met de evangelieverkondiging, in relatie met een plaatselijke kerk of op eigen houtje. Volgens het Handboek van de Kenyaanse Kerken (uitgegeven in 1973) waren er rond 1970 205 geregistreerde kerkgenootschappen, van de Rooms-Katholieke Kerk via de "Hervormde Kerk van Oost 'Afrika" tot aan de "Power of Jesus around the World Church". Daarnaast een onafzienbare rij van christelijke organisaties. Dat was de situatie van ruim 10 jaar geleden.
Sinds die tijd zijn er weer nieuwe kerken begonnen, nieuwe organisaties zijn gestart, zoals de Evangelische Omroep met haar "Christian Media Projects". Een bloeiend christelijk leven. In dit artikel willen we een kijkje nemen in de geschiedenis van de kerk in Kenya. Gemakshalve verdeel ik deze geschiedenis in drie perioden: (1) de Portugezen aan de kust in de 16e en 17e eeuw, (2) protestantse pogingen in de 19e eeuw, (3) snelle uitbreiding in de 20e eeuw.
Portugezen aan de kust
In de tijd dat de wereld verdeeld kon worden door een simpele lijn op een landkaart besloot paus Alexander VI de strijd tussen de twee zeemachten Spanje en Portugal te beëindigen. Wie zou het beheer krijgen over de nieuw ontdekte en te ontdekken gebieden?
De paus trok een lijn over de noordpool naar de zuidpool, de gebieden ten westen van de lijn waren voor Spanje, die ten oosten van de lijn waren voor Portugal. Op deze manier vielen Afrika en Azië toe aan Portugal.
Op de schepen van deze twee grootmachten waren vaak zendelingen van de -Rooms-Katholieke Kerk aanwezig. Zo ook op de schepen, die onder het bewind van Vasco da Gama voeren. In 1498 landde hij in Malindi, in het huidige Kenya. De zendelingen hadden kon takt met de plaatselijke bevolking, maar het grote doel dat iedereen voor ogen stond, was: Indië. Na 44 jaar kreeg men in Malindi weer bezoek van Portugezen, die toen in gezelschap waren van Franciscus Xaverius, de grote zendeling. Hij had kontakt met de plaatselijke Islamitische leiders, maar ook zijn doel was: Indië. De Afrikaanse kust was niet meer dan een "opstapje".
De zaken werden serieuzer aangepakt, toen de Portugese onderkoning voor Indië beval dat het Evangelie in de buurt van de haven-stad Mombassa moest worden verkondigd.
De Paters Augustijnen namen deze uitdaging aan; na enkele jaren hadden ze al een klooster gesticht. Dertig jaar later - we zijn inmiddels aangeland in 1597 - hadden ze, volgens eigen zeggen, 600 bekeerlingen. Het werk breidde zich langzamerhand uit, op verschillende plaatsen werden nieuwe posten geopend, maar men bleef wel aan de kust. Op de meeste plaatsen was de bevolking de Portugezen echter niet welgezind.
Het jaar 1631 vormt een dramatisch keerpunt in de Portugese aanwezigheid. De Augustijnen hadden de sultan van Mombassa, een Moslim met de passende naam Yusuf bin Hassan, tiaar Goa in Indië, gestuurd om christelijk onderwijs te ontvangen. Yusuf werd daar gedoopt en nam de fraaie naam Don Jerome Chingulia aan. In 1626 keerde hij terug naar Mombassa en werd met open armen door de Augustijnen ontvangen. Hij werd meteen tot heerser over onder andere Mombassa en Malindi benoemd. Men hoopte in hem een goede medewerker te hebben om zodoende meer invloed te hebben aan de kust. Helaas voor de Augustijnen, was de Don Moslim gebleven. In 1631 organiseerde hij een aanval op het bolwerk van de buitenlanders, Fort Jesus. (Vandaag de dag een toeristisch trekpleister). Elke Portugees die weigerde over te stappen naar de Islam werd gedood. Bijna driehonderd mensen vonden de dood. Zes mensen bleven in leven: één kannonier werd Moslim, de vijf anderen, waaronder een. Augustijner monnik, ontsnapten per roeiboot. Vanaf die tijd is de invloed van de Portugezen tanende; de Arabieren doen verscheidene malen invallen. In 1740 is het definitief afgelopen met de Portugezen aan de Oostafrikaanse kust. De Islam bleef er gevestigd, tot op de dag van vandaag toe.
Protestantse pogingen
Ruim honderd Jaar na het verdwijnen van de Portugezen verscheen een Duitser aan de Kenyaanse kust. Johann Ludwig Krapf, die voor de Churoh Missionary Society (CMS), de zendingsarm van de Anglicaanse Kerk, werkte, arriveerde in 1844 in -Mombassa.
Het was niet zijn eerste kennismaking met Afrika; voordien had hij in Ethiopië gewerkt.
Daar veroorzaakte de Galla-starn echter zo veel moeilijkheden, -dat de zendingswerkers zich genoodzaakt zagen om hèt gebied te verlaten. Krapf besloot toen Om de Galla vanuit het zuiden te benaderen. Vandaar zijn reis naar Mombassa. Veel was er niet meer te zien van de aanwezigheid van de Rooms Katholieke Kerk, een enkele ruïne en de zogenaamde Portugese kathedraal, die inmiddels in gebruik was als veeschuur .
Twee maanden na de aankomst van Krapf stierven zijn vrouwen enig kind. -Aan de heren van CMS te Londen schreef hij: "Vertel aan onze vrienden dat in een eenzaam graf aan de Afrikaanse kust een lid van onze zending rust. Dit is een teken dat zij de strijd met dit deel van de wereld zijn begonnen; en aangezien de overwinningen van de Kerk gaan via de graven van velen van haar leden, mogen zij er des te meer van overtuigd zijn dat het uur nadert, waarop u geroepen zult worden om Afrika te bekeren, te beginnen aan de oostkust."
Twee jaren na de aankomst kreeg Krapf gezelschap van een landgenoot, Johann Rabman, ook werkzaam voor de OMS. (Nog steeds hebben de Duitsers grote belangstelling voor Mombassa, nu echter om toeristische redenen.) De beide mannen hielden zich bezig met vertaalwerk, evangelisatie en wandeltochten verder landinwaarts. Tijdens deze tochten aanschouwden ze Mount Kenya en Mount Kilimanjaro. Hun berichten dat op deze bergen sneeuw lag, werden met ongeloof ontvangen in Europa. Zeven jaren na de aankomst werd de eerste bekeerling gedoopt, Mringe, een kreupele man die op sterven lag. Vrij snel na het bereiken van deze mijlpaal kregen de heren Krapf en Rebman meningsverschillen over de te volgen strategie. Krapf wilde nog steeds verder landinwaarts, maar Rebman was van mening dat er eerst een goede basis aan de kust moest zijn, om vandaar uit verder te werken. Krapf nam ontslag (om medische redenen) en keerde terug naar Europa, om negen jaar later echter weer terug te keren, nu in dienst van de Methodisten. Hij had het vaste plan om verder landinwaarts te gaan. Samen met enkele andere zendelingen probeerde hij de plannen in werkelijkheid om te zetten. Dit mislukte volledig. Twee Zwitsers merkten plots dat ze toch geen roeping hadden voor het zendingeveld en keerden terug naar de Alpen. Een Engelsman en Krapf werden ziek en gingen ook terug. Eén man bleef over en hij vestigde zich in de buurt van, Juist, Mombassa. Nadat in 1873 door de Engelse overheid een verdrag was gesloten met de Sultan van Zanzibar om tot afschaffing van de slavenhandel te komen, begonnen de verschillende zendingsorganisaties in Mombassa en omgeving met het oprichten van opvangcentra voor de weggelopen of vrijgelaten slaven. Daar werd geprobeerd om christelijke gemeenschappen te stichten en om opleidingen te geven aan de ex-slaven om ze zo een mogelijkheid te geven om een zelfstandig leven op te bouwen. Een voorwaarde om in een opvangcentrum opgenomen te worden was de doop; was dat éénmaal gebeurd, dan stond niets de opname meer in de weg. De leiding van de centra had regelmatig moeilijkheden met de Arabieren en de Engelsen, die meer en meer invloed kregen aan de kust. De reden daarvoor was de regelmatige toepassing van de lijfstraffen.•Eén Engelse officier schreef zelfs dat hij veel mishandelde slaven had gezien in zijn leven, maar twee slaven, die hij bij de zending had gezien overtroffen alles. Tot aan 1900 kwamen er regelmatig nieuwe zendingsorganisaties opdagen aan de kust.
Reizen werden ondernomen naar Tanzania en Uganda. De Anglicaanse Kerk vormde een diocees dat Kenya, Tanzania en Uganda omvatte. Het begon er op te lijken dat de kerk van Christus een blijvende faktor in het Kenyaanse leven was.
Snelle uitbreiding
Rond de eeuwwisseling begint de "grote sprong voorwaarts" op gang te komen, gestimuleerd door de aanleg van een spoorlijn.
Begonnen in Mombassa in 1896 bereikte de lijn Nairobi in 1899; Kisuwu, aan het Victoriameer, werd bereikt in 1901. Voor de aanleg van deze spoorlijn werden 32.000 mensen uit India gerecruteerd, wat weer een nieuwe dimensie toevoegde aan het religieuze mozaïek, dat zich bezig was te ontwikkelen.
Nairobi, begonnen als een spoorwegdepot, werd een aantrekkelijke vestigingsplaats voor christelijke organisaties; niet alleen vanwege de spoorlijn, maar ook vanwege het prettige klimaat. Het is ondoenlijk om in een kort bestek te proberen een overzicht te geven van de gebeurtenissen in de afgelopen tachtig jaren. Daarom zal ik een aantal zaken even naar voren halen, zonder een poging te doen om tot volledigheid te komen of om de belangrijkste zaken te noemen.
Krapf was zijn werk begonnen met vertaalwerk. In drie jaar tijds had hij de eerste drie hoofdstukken van Genesis in het Mombasa Swahili vertaald, Vele mensen zijn sindsdien bezig geweest met Bijbelvertalingen. In 1914 was de bijbel in het Mombasa Swahili gereed.
Frappant is dat met de andere talen de vertalers vaak eerst grepen naar het Nieuwe Testament, en met name de Evangelieën. Het vertaalwerk is nog steeds in volle gang, mede gesteund door het Bijbel Genootschap van Kenya en de Wycliffe Bijbelvertalers.
Momenteel is men bezig met een nieuwe vertaling in het Swahili in de 'Groot Nieuws voor U'-stijl; het Nieuwe Testament en de Psalmen zijn al gepubliceerd.
Door het grote aantal kerken dat aanwezig was en is in het land komt uiteraard de vraag naar de oecumene aan de orde. Is het juist dat elke zending haar eigen werk heeft gestart?
Of hadden de zendingen moeten samenwerken om tot één kerk te komen? In 1908/9 hielden zendingsgenootschappen hun eerste konferentie om te praten over een gezamenlijke opzet voor onderwijs en vertaalwerk. Verder kwam ook een voorstel op tafel om te komen tot een verenigde kerk.
In 1918 besloten vier zendingsgenootschappen om een verbond op te richten om te komen tot een gezamenlijke kerk: Dit 'Verbond' hield stand tot 1935, maar er kwam geen kerk, wel werden verschillende scholen opgericht.
Om het verbond de ruimte te geven om te werken aan de Verenigde Kerk werd in 1924 de Zendingsraad van Kenya opgericht, die in 1943 werd omgevormd tot de Christelijke Raad van Kenya, inmiddels is het woordje 'Nationale' voor de naam gekomen.
Naast deze Raad zijn er twee organisaties, die een overkoepelende funktie hebben, deze gaan verder dan het nationale en bestrijken heel Afrika. De eerste is de Vereniging van Evangelikalen in Afrika en Madagascar, de andere is de Organisatie van Afrikaanse Onafhankelijke Kerken, Grote invloed, op met name de Anglicaanse, Presbyteriaanse en Methodistische kerken, heeft een opwekkingsbeweging gehad, die via Rwanda en Uganda in de laat-dertigerjaren Kenya binnen kwam. Grote massabijeenkomsten werden gehouden. In de beginjaren was de tegenstand van de kerken groot, kerkleiders verzetten zich tegen de openbare belijdenis van zonden en de nadruk op de wedergeboorte. Later kreeg de beweging wel vertrouwen binnen de kerken, mede door het enthousiaste evangelisatiewerk, dat door de aanhangers van de beweging werd gedaan. De mensen legden grote nadruk op de wedergeboorte, heiliging in het dagelijkse leven, hoop op een leven na de dood en de vergeving van zonden.
Het is niet eenvoudig om, de onafhankelijke kerken onder een paar noemers te brengen.
Er is een grote verscheidenheid. Zo ontmoette ik eens een predikant, wiens kerk "lid was van de Organisatie van Afrikaanse Onafhankelijke Kerken, die een speldje van de International Council of Christian Churches ' op zijn rever had ,want ook daar hadden ze kontakten.
Eén van de oorzaken voor het ontstaan van kerken buiten de traditionele 'zendingskerken' is de uitgave van de bijbel in de taal van de mensen. Hierdoor hoefden de mensen de bijbel niet meer te lezen via de zendeling, maar hadden ze direkte toegang tot het Woord van God. Daardoor kregen ze een nieuwe kijk, een kijk die niet noodzakelijkerwijs hoefde te kloppen met de kijk van de zendeling.
In een artikel over onafhankelijke kerken in Kenya werden een paar karakteristieken opgesomd: er is aandacht voor de invloed van geesten, met als gevolg, dat het gebed erg belangrijk is, omdat dit een wapen is in de strijd tegen de geesten; er is aandacht voor genezing op gebed; sommige kerken wijzen medische hulp af; er is aandacht voor profetie, visioenen en dromen; er is aandacht voor gemeenschap, de traditionele verbanden verdwijnen en de kerk vult dat vacuüm op; vaak krijgt die nieuwe gemeenschap een uitdrukkingsvorm in een uniform, dat door de leden wordt gedragen.
Onlangs publiceerde Dayster Communication Center (één van de vele christelijke organisaties in. Nairobi) rapporten over de 'unreachel people', bevolkingsgroepen die niet, of nauwelijks met het evangelie zijn bereikt. Een' groot aantal van deze bevolkingsgroepen ligt in het noorden en het oosten van het land, vaak gebieden die gedomineerd worden door de Islam. Er is wat evangelisatiewerk vanuit de kerken betreft nog genoeg werk aan de winkel.
En hoe staat het met de Galla, de groep die Krapf wilde bereiken toen hij in Mombasa aankwam? De afstammelingen wonen in het noorden van het land, tegen de grens met Ethiopië, en in de buurt van de Tanarivier. Nu gebieden onder de sterke invloed van de Islam. De droom van Krapf is nog geen werkelijkheid geworden.