Mijn getuige-deskundige rapport in de zaak van de Goeree's (3)
1986-12-19
II.4. Maar zijn de Goeree's in die zin toch niet zeer gevaarlijk bezig geweest dat zij aan het verschrikkelijke van de holocaust een religieuze wijding gegeven hebben door het als een oordeel van God over het joodse volk te bestempelen? Weliswaar wordt dat oordeel van God over de Joden niet met 'Zoveel woorden genoemd. De satan wordt aangewezen als de moordenaar van het joodse volk. Maar toch is 't wel degelijk zo dat de satan die moord volbrengt in opdracht van God. Dat valt op te maken uit de volgende passage: "De moordenaar, zijn naam is duivel en satan, zal hen blijven achtervolgen totdat ze hun toevlucht zoeken bij Jezus Christus de Zoon van God.- Jaargang 30
- nummer 49
Totdat ze aanvaarden dat Hij zijn leven gegeven heeft om hun leven te redden. Totdat ze aanvaarden dat zijn bloed gevloeid heeft om hen van hun zonden te reinigen. Totdat ze de Messias erkennen" (het artikel 'Iedereen weet ervan').
De limiet die hier aan het vernietigingswerk gesteld wordt, ofwel: het bedoelde gevolg, kan, nooit uit de koker van satan komen.
Die heeft geen enkel positief doel met zijn moorden. Hier blijkt dus dat achter de satan iemand anders staat, die hem tot zijn optreden autoriseert. Die ander is God. Een Schriftplaats uit de uittochtsgeschiedenis kan de hier bedoelde theologische figuur verduidelijken: "En de HERE zal Egypte doortrekken om het te slaan; wanneer Hij dan het bloed aan de bovendorpel en aan de beide deurposten ziet, dan zal de HERE die deur voorbijgaan en de verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan"
(Exodus 12: 23). Beurtelings worden hier de Here God en de verderver (gelijk te stellen met de duivel) genoemd als degenen die het strafgericht over Egypte voltrekken.
Bijgevolg: al noemen de Goeree's God niet expliciet als de voltrekker van het holocaustgericht, impliciet is Hij wel terdege in hun voorstelling aanwezig.
En daarom nogmaals de vraag; geven de Goeree's niet een religieuze wijding aan de holocaust met hun impliciete stelling dat zich hier een goddelijk gericht voltrokken heeft? Geven ze daarmee toch geen voedsel aan een kruistochten-mentaliteit van 'God wil het', waardoor wat Hitler gedaan heeft op z'n minst minder erg wordt?
Dat moet toch tegengesproken worden. Juist door de rol van satan hier zo enkel te noemen en God als auctor ongenoemd te laten, willen de Goeree's dit misbruik van Gods naam voorkomen.
Zo schat ik hun voorstelling in. Want inderdaad, ook als God door satan en dan verder door Hitler handelt, is het toch niet zo dat God daardoor iets satanisch of iets nazistisch zou krijgen. De Bijbel zelf helpt ons hier de juiste onderscheidingen te maken. Waarbij te denken valt aan deze passage bij de profeet Jesaja waarin het gaat over Assyrië als bestraffend instrument in de handen 'van God, gericht tegen Israël: "Wee Assur, die de roede van mijn toom is en in welks hand mijn gramschap is als een stok. Tegen een godvergetenvolk zal Ik (die koning) zenden, en tegen de natie waarop Ik verbolgen ben, zal Ik hem ontbieden, om buit te behalen en roof te plegen-en om het volk te vertrappen als slijk der straten. , Doch hijzelf (Assur namelijk) bedoelt dit niet 'zo en zijn hart beraamt dit niet zo, want hij heeft in de zin te verdelgen en talloze volken uit te roeien ... ", en even verder: "Doch het zal geschieden, wanneer de Here zijn ganse werk (bedoeld is de strafoefening) op de berg Sion en in Jeruzalem voleindigd heeft, dat Ik de vrucht der hooghartigheid van de koning van Assur bezoeken zal en de trots van zijn hovàardige ogen ... " (Jesaja 10: 5-7, 12). .
Hier blijkt hoe zeer in de visie van de profeet Jesaja het handeien van de Here God van dat van de instrumenten die Hij hanteert, onderscheiden wordt, ja hoezeer dat handelen van die instrumenten ook zelf weer Gods misnoegen oproept en zijn toom gaande maakt. Het handelen van' de Here God en dat van Adolf Hitler kunnen dus onmogelijk kort' gesloten worden. Dat kan bijbels gesproken niet en de Goeree's kan zelfs geen suggestie in die richting verweten worden.
II.5. Wel kan bij dit alles de rechtmatige vraag opgeworpen worden of deze zaken, waarbij een behoorlijke mate van onderscheiding vereist is om ze 'goed te verstaan, nog wel per folder onder de mensen gebracht kunnen worden. Een verwijt van taktloosheid kan' daarom naar de Goeree's toe terecht gemaakt worden.
Ook is hier de vraag buiten beschouwing gebleven of de evangelisten het gebeuren van de tweede wereldoorlog wel terecht als een straf over het joodse volk hebben voorgesteld. Zou dat bijvoorbeeld niet op z'n minst in een breder kader moeten zijn gebeurd, in die zin namelijk dat de gerichten van God over de verachting van zijn liefde in Jezus Christus geheel Europa getroffen hebben? Men kan toch moeilijk volhouden dat het van huis uit christelijke Europa in' de tweede wereldoorlog buiten schot is gebleven. Als er gerichten voltrokken zijn, dan toch ook over onszelf. Het is waar dat het joodse volk in de tweede wereldoorlog extra zwaar geleden heeft en dat zou een rechtvaardiging kunnen zijn voor het met nadruk noemen van hen, maar een alleen noemen van de Joden als door God gestraften valt in geen enkel opzicht te billijken.
II.6. Wie in het geheel niet wil weten van Gods straffende hand en de gedachte aan een goddelijk gericht radikaal afwijst, moet overwegen dat hij dan 'voor zijn deel aanleiding geeft tot het zoeken naar andere oorzaken voor het onbeschrijflijke lijden van juist het joodse volk. Oorzaken bijvoorbeeld als dat de Joden in de samenleving een ekonomisch overwicht zouden hebben of dat hun grote begaafdheid de jaloezie van anderen zou opwekkenredeneringen die veel dichter bij het antisemitisme of racisme staan dan de geloofsmatige aanpak.
De oorzaak wordt dan immers gezocht in eigenschappen die min of meer aan bet Jood-zijn als zodanig inhaerent zijn.
Men zou dus kunnen stellen, dat de zienswijze van het echtpaar Goerree, in plaats van het antisemitisme in de hand te werken, veeleer een alternatief voor antisemitisme biedt. Of roept soms het lot van het joodse volk de vraag niet op naar het waarom?
Waarom juist zij bij uitstek? Gegeven die vraag moeten wij erop toezien dat het antwoord zo menselijk mogelijk uitvalt. Door (impliciet) te spreken van een goddelijk gericht geven de Goeree's inderdaad een menselijk antwoord, omdat ook anderen dan de Joden zich erdoor aangesproken kunnen voelen om als gewaarschuwde mensen verder te leven.
II.7. Het valt echter te vrezen dat deze-redenering in de tegenwoordige tijd geen schijn van kans krijgt, en wel vooral omdat het jodendom (en zijn christelijke vrienden) vanuit een, begrijpelijke overgevoeligheid elke.
kritische benadering aanvoelt als een aantasting van het' Jood-zijn als zodanig. Met andere woorden: het jodendom vereenzelvigt zich zodanig met zijn religieuze opvattingen dat iedere kritiek op zijn religie, als een rechtstreekse bedreiging van zijn voortbestaan beleefd wordt. De Joden zouden moeten beseffen en hun christelijke vrienden zouden hen eraan moeten herinneren dat zij zich op deze manier aan elke kritische benadering onttrekken. Dat is voor niemand goed en dus voor hen ook niet. Wij zullen Jood-zijn en joods geloven uit elkaar moeten blijven houden, omdat anders iedere geestelijke bestrijding van de joodse religie - welke voor het christelijk geloof wezenlijk is, zie onder II.1 - in de sfeer van de kriminaliteit getrokken kan worden.
II.8. Ook het vaak gehoorde argument dat na 'Auschwitz' alles anders geworden is en dat bijvoorbeeld 'zending onder de Joden' die vroeger misschien nog kon, nu zeker niet meer kan, vermag niet echt te overtuigen.
Evangelieverkondiging aan de Joden of aan anderen heeft nooit berust op enige voortreffelijkheid van mensen of van een kultuur maar op de opdracht' van onze Heer. En Hij wist wel dat Hij de schat van het evangelie aan 'aarden vaten' toevertrouwde (11Korinthiërs 4: 7). Wel verplicht ons het verleden bij de uitvoering van die opdracht tot nog meer bescheidenheid dan so wie so voor die taak al gepast is. Deze bescheidenheid mis ik bij de Goeree's pijnlijk. Maar is dat een zaak waar de rechter zich , mee bezig moet houden?
Om genoemde redenen ben ik van oordeel dat wat de Goeree's geschreven hebben hen niet voor de, wereldse rechter strafbaar stelt.
Amsterdam; 29 april 1986.