De doleantie van 1886 en haar geschiedenis (2)

1986-12-19
  • Jaargang 30
  • nummer 49
Nadat we in de bespreking van dit boek de veranderende samenleving van de vorige eeuw voorgeschoteld kregen en vervolgen; een tekening van kerk en godsdienst in de jaren 1870-1890, kunnen we enige aandacht geven aan "De ontstaansgeschiedenis van de Doleantie in Amsterdam".

Dit hoofdstuk is van de hand' van drs C. H. W. van den Berg, Ned. Hervormd predikant te Lexmond en Ameide. "Amsterdam, daar is de Doleantie geboren" (76).
Daar gistte in de jaren 1860-1886 een nieuwe tijd, In kerkeraad en gemeente werd gepoogd de invloed van het modernisme tegen te staan. In de aanvang ,was er bij de orthodoxe groep wel enige reserve tegen die strijd, mogelijk meer nog tegen de te vrezen gevolgen daarvan. Want het "patronaat van de opnieuw orthodoxe kerk over het volk" (77) moest behouden blijven.
Dat nu gaf op den duur een aanzienlijk verschil met dat deel van de gemeente, dat zich "gereformeerd"
noemde en zich in de kerk hoe langer hoe minder thuis voelde. "Voor hun geloofsbeleving was daar te weinig of geen ruimte" (78). Dr Kuyper, in 1870 predikant te Amsterdam geworden, verwoordde dat steeds duidelijker.
Hij onderrichtte uit de Schriften, wees op de belijdenis van de kerk en riep op tot trouw aan haar Heer. Zijn prediking en die van enkele collega's sprak de gemeente aan.: In "De Standaard" en "De Heraut" (resp. a.r. dagblad en kerkelijk weekblad) gaf hij verder onderwijs en voorlichting; verschillende van zijn artikelen verschenen daarna' in brochurevorrn; ze werden gelezen en grif verkocht. Dat plaatselijk gebeuren is nauwgezet getekend.
Op twee punten is' toen het slepende conflict tot uitbarsting gekomen.
't Eerste was, dat de. Ned. Hervormde gemeente te Kootwijk een beroep uitbracht op candidaat J. H. Houtzagers, de eerste die aan de jonge V.U. in de theologie afstudeerde. De officiële kerk erkende deze instelling' niet als opleidingsinstituut en de kerkelijke besturen verzetten zich derhalve tegen examinatie, bevestiging/en intrede van deze candidaat. Dat leidde op de Veluwe tot een breuk' met het synodaal bestuur en Amsterdam werd daar bij betrokken.
Het tweede conflict speelde zich in Amsterdam zelf af, waar de kerkeraad een aantal vrijzinnige jongelui niet toeliet tot belijdenis doen en hen daarmede de toegang tot het Avondmaal weigerde. Toen deze groep elders belijdenis wilde afleggen, verstrekte de Amsterdamse kerkeraad daarvoor geen attest. Dat konden de kerkelijke besturen niet over hun kant laten gaan, ze eisten dat het alsnog zou gebeuren, droegen de kerkeraad op zorg te dragen dat de gevraagde attesten verleend werden. Nu was er óók reeds wrijving met die besturen over bezit en beheer van de kerkelijke goederen en daaruit was reed in januari ’86 de schorsing van 80 kerkeraadsleden voortgevloeid. Dat alles samen leidde tot het besluit van de (geschorste) kerkeraad ,,tot afwerping van het juk der synodale hiërarchie en tot het weer in werking laten treden van de Dordtse kerkenordening’ (103).
Hoe scherp de tegenstellingen in Amsterdam waren, tekent de schrijver met een uitspraak van dr Kuyper over de kwalen waaraan de kerk leed. Over de prediking zei hij bijv. dat ,,achtereenvolgens alle heiligheden des Heeren openlijk van onze kansels aangerand en geloochend zijn en nog worden”, wat leidt tot slecht kerkbezoek, het wegblijven van het avondmaal, de ontheiliging van de sacramenten en de sabbath, het ontbreken van de tucht, het uit handen geven van de armenzorg, het gemis aan persoonlijke zielszorg en nog veel meer (104).

Hoofdstuk IV "De Doleantie in den 'lande. Uitbreiding en consolidatie" is van de hand van drs W. Bakker (docent kerkgeschiedenis aan de V.D.). Hij beschrijft hoe de kerkelijke strijd ook buiten Amsterdam ontstond en hoe vanuit verschillende gemeenten contacten met die van de hoofdstad en met elkaar tot stand kwamen.' Dr Kuyper was de organiserende, centrale figuur, ook door zijn voorlichting in genoemde bladen. Maar hij niet enkel. Op de Veluwe werkte bijv. mr. dr W. van den Bergh, predikant te Voorthuizen, die , zich' al eerder met zijn kerkeraad '. tegen de kerkelijke besturen en de reglementen verzette. Aanvankelijk ondervond die 'strijd weinig of geen bijval in den lande, maar nadat in het voorjaar van 1887 te Amsterdam een "Kerkelijk congres", was gehouden om samen te beraadslagen hoe verder te gaan, kwam landelijk het conflict in een stroomversnelling.
Medio 1887 kon reeds een "Synodaal convent", te Rotterdam bijeenkomen, waar 71 kerken vertegenwoordigd waren en medio augustus van dat jaar was het aantal uitgetreden gemeenten reeds meer dan honderd.
Als factoren, die de uitbreiding van de Doleantie beïnvloed hebben, noemt de schrijver allereerst de figuur van dr A. Kuyper, een strijder. Dan vervolgens het verzet van de kerkelijke bestuursorganen tegen de gereformeerde belijdenis. De synode had n.b. voorgeschreven dat a.s. predikanten beloven moesten ,,als dienaar des Woords de belangen van het Godsrijk te bevorderen’’, ,,een dieptepunt in de geschiedenis van de Ned. Hervormde kerk” (129).
Voort kozen vele jongere predikanten de zijde van Kuyper en ook bij de gemeenten vond zijn optreden een goede weerklank. Eindelijk onder besturen en reglementen uit.
Tenslotte: in de 25 jaar, die aan de Doleantie voorafgingen, was er al veel activiteit ontplooid om de gereformeerde belijdenis (geschriften) te doen kennen. Er was een ,,Vereniging van vrienden der Waarheid” en ook een ,,Confessionele vereniging”. Deze hebben (onbedoeld) er toe bijgedragen dat velen zich van de Ned. Herv. Kerk verwijderden en naar de Dolerende kerken overgingen. Deze hadden inmiddels de naam Nederduits gereformeerden kerken (dolerend) aangenomen.
Aan de strijd om de kerkelijke goederen, met name die om de gebouwen, gaan we nu maar voorbij.

In hoofdstuk V geeft dr P. L. Schram (docent kerk- en dogmengeschiedenis aan de R.U. te Utrecht) een tekening van wat er in die jaren van strijd aan publicaties naar buiten kwam: in preken, brochures, periodieken.
Hij noemt zijn bijdrage "Lezen en leven" en duidt daarmee tevens aan hoe die oude geschriften ons direct betrekken bij de strijd uit die dagen. De diepgang van het conflict - ook het beleven daarvan "; komt in die publicaties sterk naar voren. Niet wat over mensen en hun handelen gezegd wordt, nee zijzelf spreken daarin tot ons.
Wat is er in die jaren veel van de pers gekomen: stichtelijke werkjes en werken, strijdschriften, maar ook bijv. een herziene bijbelvertaling (de 'Statenvertaling in het toen gebruikelijke Nederlands).
Daarmede werd de basis gelegd voor de ontplooiing, die de gereformeerde kring deed zien.
Dit hoofdstuk roept voor de ouderen herinneringen op aan wat zij in 1944 e.v. jaren hebben, moeten ondervinden.

Hoofdstuk VI is van de hand van dr W. Nijenhuis (em. Hoogleraar kerk- en dogmengeschiedenis aan de R.U., Groningen) en handelt over "De Nederlandse Hervormde kerk en de Doleantie".
Hij laat zien hoe de verschillen de richtingen in de kerk (en dat waren er meer dan de twee reeds genoemde, modernen en orthodoxen) reageerden op de activiteiten, die uitmondden in de Doleantie. "Verstoring van orde en rust" was dikwijls reden voor schorsing van ambtsdragers. Ook wel werd zo maar het lidmaatschap van de gemeente ontnomen aan hen, die overwogen "met de Doleantie mee te gaan" (183).
In deze bijdrage is het conflict van dr Ph. J. Hoedemaker met dr A. Kuyper getekend. Beide waren predikant in de Ned. Hervormde kerk, beide hoogleraar aan de V.U. Maar ze verschilden sterk in de keuze van de te volgen weg. Eerstgenoemde wilde de bestuursorganisatie van de kerk prioriteit geven (terugkeer tot plaatselijke zelfstandigheid van de gemeente, kerkelijke gemeenschap op basis van de Gereformeerde belijdenisgeschriften), opdat daaruit het herstel van het belijdend karakter van de hele kerkgemeenschap zou volgen. Dr Kuyper wilde echter de omgekeerde weg bewandelen.
Uitgaande van de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente zocht hij naar een confederatief verband van Schriftgetrouwe gemeenten en als akkoord van kerkelijke gemeenschap zouden dan de gereformeerde belijdenis geschriften gelden.
Hoe de maker weigerde deze weg in te gaan, hij vreesde dat die zou leiden tot een scheiding binnen de vaderlandse kerk (188).
Typerend is wat dr Nijenhuis als conclusie aan zijn bijdrage verbindt: "De reactie der hoge en lage kerkelijke besturen op de Doleantie was regentesk, burgerlijk en formalistisch. Men beoogde slechts de handhaving van rust en -orde en het bijeenhouden der elkaar bestrijdende richtingen door het vermijden van inhoudelijke uitspraken over belijdenis en kerkorde. De vigerende reglementen. werden toegepast: Waar wijzigingen voorgesteld werden, bedoelden deze slechts de vrijblijvendheid- zo mogelijk nog te vergroten" (201).
In het volgende nummer komt het laatste deel van deze boekbespreking: een overzicht van de laatste twee hoofdstukken van het boek, gevolgd door een kritische beoordeling.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief