Het heil is uit de Joden (3-slot)

1986-12-19
  • Jaargang 30
  • nummer 49
Hoe kan Christus zo kiezen voor Jeruzalem, waarop Hij dan later blijkt zo'n diepe kritiek te hebben? Die vraag doet zich vaker dn het evangelie voor.
Ik denk aan Jezus' woord tot de Kananese vrouw, die bij Jezus komt om genezing voor haar dochter. Jezus zegt dan dat harde woord: het is niet goed het brood van de kinderen te nemen om het de-hondjes voor te werpen (Matth. 15 : 26).

Kinderen? Zijn de Joden dan kinderen? Kinderen die brood krijgen? Naar wie de Vaderlijke zorg van God uitgaat? Heeft Christus tegen de hoofdman te Kapernaüm niet gezegd dat terwijl er velen zullen komen van oost en west om aan te liggen in het koninkrijk, juist de kinderen van het koninkrijk buiten geworpen zullen worden? (Matth. 8 : 11,12).

Ja, tegenover de Kananese vrouw heeft Jezus het over de kinderrechten, tegenover de hoofdman in Kapernaüm heeft de Heiland het over het kinder-gedrag.

Zo heeft de Here Jezus het tegenover de Samaritaanse vrouw over Jeruzalems rechten en spreekt Hij met de Joden in de tempel over Jeruzalems gedrag.

-o-

Nu valt ook het juiste licht op het bekende woord waar we het nu over hebben: het heil is uit de Joden.
Daarin eert de Heiland het werk van zijn Vader aan de Joden. De zaligheid is uit de Joden, dat betekent: de lijn van het heil en van de heilsgeschiedenis loopt over de Joden. Dat woordje ‘uit’ wijst niet op de Joden als bron van het heil, maar geeft de richting aan van waaruit het heil komt, de weg die God ermee gegaan is. Het heeft een betrekkelijke betekenis, dat ‘uit’, namelijk tegenover de Samaritanen.
Het heil komt bij de Joden vandaan, omdat God het hun en niet de Samaritanen in bewaring gegeven had. Je kunt dat ‘uit’ ’t beste vergelijken met dat andere ‘uit’ dat van moeder Maria gebruikt wordt. ,,Maria, uit wie Jezus geboren is” (Matth. 1:16). De zaligheid is uit de Joden, precies zoals Jezus uit Maria is. En dat weten we van Maria voldoende dat ook zij niet de eigenlijke oorsprong van ’t heil is. Die moet bij God in de hemel gezocht worden.
Ik denk dat we die gesprekssituatie heel goed in de gaten moeten houden. Ook als wijnu dat woord van Jezus willen gebruiken.
Dit is tegen een Samaritaanse gezegd, tegen een 'buitenkerkelijke'.
Dat betekent dat wij zo ook naar buiten toe moeten spreken. ' Als mensen in ons bijzijn op de Joden afgeven, dat we dan op de ketting springen en zeggen: denk erom, je onteert God. Want Hij heeft dit volk willen gebruiken om de Christus in de wereld te brengen. Voor ons is dit volk verbonden met de Christus. Afblijven!

-o-

Maar dit kan heel goed samengaan met dan andere, dat wij met de Joden zelf een diep geestelijk gevecht voeren over de Christus, waarin het, zoals ditzelfde evangelie naar Johannes laat zien, heel fel en heel scherp kan toegaan.

Naar buiten toe, bijvoorbeeld naar de antisemitisten van onze samenleving toe, zijn wij, de Joden en de christenen, broeders. Onderling echter zijn wij vijanden.
Dat is toch beslist niet zo’n moeilijk onderscheid.
Ligt het bijvoorbeeld in de verhouding met rooms-katholieken anders?
Kunnen wij blij zijn met antpapisme? Zijn we daartegenover niet gehouden tot solidariteit met roomsen?
En hoe ligt dat ten aanzien van bijvoorbeeld de uiterst rechtse en zware protestanten, die wel bekend staan als de zwarte-kousen-kerken?
Waren wij niet verplicht tot solidariteit met hen toen ze van Vrij Nederland tot Telegraaf toe werden bespot in de Elspeet-affaire (u weet wel? Inenten of niet?). Wees tegenover de honden solidair met hen, was toen het parool.

Als je zulke groepen tegenover de buitenkerkelijken in bescherming neemt, dan betekent dat niet dat je naar binnen toe ophoudt ze te bestrijden. Nee, maar' tegenover de buitenwacht bedenk je wat God toch ook in hun midden gewerkt heeft.
We zullen moeten leren onderscheiden. En hier hebben we dus deze belangrijke' onderscheiding gevonden: Wat de Here God aan de Joden gegeven heeft en wat zij ermee gedaan hebben. Of, zonder Joden wat de Here God ons gegeven heeft en wat wij ermee doen.

Het zou toch kunnen zijn dat de Heiland vandaag in een gesprek met een buitenkerkelijke zou zeggen: het heil is uit de Nederlands Gereformeerden, maar dat Hij tegelijk tot die Nederlands Gereformeerden zen zou zeggen: jullie hebt de duivel tot vader.

-o-

Ik denk 'zelfs dat er een diepe geestelijke samenhang is tussen die twee woorden uit het Johannesevangelie.
Dat Jezus daarom tot de Joden dat scherpe woord kon zeggen: jullie hebben de duivel tot vader, omdat het heil uit de Joden is. Het verwijt is de keerzijde van de adeldom.
Anders gezegd: je kunt in je godsdienst alleen maar dan zo verschrikkelijk scheef gaan als je eerst bevoorrecht bent geworden.
De Heiland zou dus tegen Samaritanen en anderen nooit zeggen: gij hebt de duivel tot vader.
Dat zijn woorden die alleen vallen als dat schrijnende, plaats vindt: "Hij kwam tot het zijne en de zijnen hebben Hem niet aangenomen" (Joh. 1 : 11).
Dit bekende woord' uit het begin van het vierde evangelie laat eigenlijk de verbinding zien tussen het gezegde van Jezus tot de Samaritaanse: het heil is uit de Joden (dat volk is het zijne) en het verwijt uit Johannes 8: jullie hebt de duivel tot vader, (want: de zijnen hebben Hem niet aangenomen).

Adeldom verplicht. Bevoorrechting schept verantwoordelijkheid.
Daarom liggen eer en blaam heel dicht bij elkaar.

-o-

Toch wil ik met iets dankbaars eindigen.
Als we de Here Jezus achterna zeggen: het heil is uit de Joden, dan verstaan we dat dus van hun bevoorrechting, maar wij denken toch ook aan de vele Joden, uit vroeger en later tijd, die zich dat heil door het geloof in de Here Jezus toegeëigend hebben.

Het is toch gelukkig niet zo dat het heil door hen heen gegaan is als water door een. buis zonder dat het hen zelf bevloeide.
Van lang niet allen van hen geldt dat ernstige en scherpe: gij hebt de duivel tot vader.

Het heil is uit de Joden en wil hen er ook' altijd weer in betrekken.
Dat geldt ook voor vandaag.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief