"Zij zijn aardsgezind"
1984-05-04
(Geestelijke achtergrond van het anti-raketten-besluit van de Synode der GKN.)- Jaargang 28
- nummer 18
1) Referaat gehouden op de Opbouwjaarvergadering van 28 april 1984.
Laat ik beginnen met het geven van een toelichting bij de gekozen titel. Ik heb met deze titel willen schokken, maar ik moet er nu wel voor zorgen dat de schok goed terecht komt.
In mijn gekozen titel zit namelijk het woord 'zij' ,en dat woord wijst van ons af. De indruk die ik daarmee wek zou ik graag willen wegnemen. Het is mijn bedoeling niet om anderen te veroordelen en zelf buiten schot te blijven. Ik wijs er daartoe op dat de titel van duidelijke aanhalingstekens is voorzien en zodoende volstrekt herkenbaar is als citaat en wel als bijbelcitaat, zoals de erop volgende verwijzing ook laat zien. Ik bedoel dus bijbels te typeren, als ik de achtergronden ter sprake breng van de beslissing die de Synode van de GKN inzake de kruisraketten genomen heeft, en ben mij daarbij terdege bewust dat ik daarmee niet binnen de ruimte van juist die kerken kan blijven. Die achtergronden immers manifesteren zich op alle terreinen van het christelijk-kerkelijke leven van Nederland en het opschrift van mijn lezing zou dus ook op ons kunnen slaan. De aanhaling van Paulus zou ik dan ook als volgt naar onze tijd en situatie toe willen vertalen: Zijn we met z'n allen (en hier komt de schok) niet bezig aardsgezind te worden? Is dat niet min of meer ongemerkt over ons gekomen en worden we nu o.a. door dit Synodebesluit niet met een ruk stil gezet bij de konsekwenties daarvan?
"Ongemerkt overkomen," zei ik. Er onverhoeds door overrompeld en verrast.
Ja, want weliswaar ging het in de afgelopen jaren onder de christenen heel vaak over de tegenstelling 'horizontaal-vertikaal' en daaruit bleek dat men wel enig vermoeden had van wat er bezig was te gebeuren, maar het probleem was met behulp van dat begrippenpaar toch te onzuiver geformuleerd dan dat je er met goed bijbels fatsoen mee uit de voeten kon. Ik tenminste heb er voor mezelf nooit genoegen mee kunnen nemen dat ik in de vertikaal zou worden opgeborgen, terwijl ik daar, eenmaal voor die valse keus gesteld, wel toe zou moeten behoren. Al twistend echter over die tegenstelling is ons het eigenlijke deraillement van vandaag meer overkomen dan dat we het hebben voorzien.
Wat bedoel ik nu met 'aardsgezindheid', als dat niet helemaal hetzelfde is als 'horizontalisme'? Ik bedoel ermee dat men in de grote beweging die de bijbel maakt, ergens onderweg, en nog wel vrij in het begin, blijft hangen en niet meekomt. Of wel: dat men die grote beweging van de bijbel probeert ongedaan te maken en naar het begin ervan terugkeert. Wat is die grote beweging van de bijbel? Dat God de Vader sinds de zondeval bezig is alles in de hand van Zijn Zoon te geven (Johannes 3: 35; 13: 3), alles, dat wil zeggen: de gehele geschapen werkelijkheid. Aardsgezindheid is nu dat men deze beweging van de bijbel niet ziet of niet wil zien.
In het nummer van Trouw van 6-4-'84 schreef ds. Tjitse Talsma uit Drachten een artikeltje dat bedoeld was als een weerwoord op wat eerder door Herman Ridderbos in hetzelfde blad geschreven was. Dr. Ridderbos had de Synode het verwijt gemaakt dat zij een bepaald politiek standpunt gekozen en geijkt had door te besluiten zoals zij deed. Genoemde ds. Talsma antwoordde daarop: "De synode maakte echter niet een bepaald politiek standpunt tot het hare, maar zij verwoordde doodgewoon wat in het oudste belijdenisgeschrift der Christelijke kerk, de Apostolische Geloofsbelijdenis, wordt beleden: "Ik geloof in God, de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde."
Die aarde is Gods eigendom, zijn domein.
Nu is de mensheid bezig die aarde te ondermijnen. Mensen kunnen elkaar duizend en één keer vernietigen.
Als dat nu aan de orde is en zo is de situatie van vandaag - dan is de kerk toch geroepen daartegen te getuigen? Als er één moment is dat ze meest spreken dan nu." Ik kies dit voorbeeld omdat het beroep op de belijdenis van God als de Schepper van hemel en aarde ter verdediging van het anti-raketten-besluit der synode tamelijk gangbaar is.
Wat hiervan te zeggen? Inderdaad is onze God de Schepper van hemel en aarde. En terecht wordt daaruit de konklusie getrokken dat de aarde nu Gods eigendom, zijn domein is. Maar hier herinner ik mij de meditatie die ik met Kerst 1982 in ons blad schreef over Psalm 24, de psalm die met de aarde als Gods koninklijke domein begint. Ik wees toen op de eigenaardige voortzetting van de gedachte in deze psalm, nadat de Here God als Schepper en Heer der wereld beleden is. Opeens namelijk stapt David in vs. 3 op een voor het oog totaal ander thema over: "Wie mag de berg des HEREN beklimmen, wie mag staan in zijn heilige stede?"
Hoe ligt het verband tussen de beginverzen en dit vervolg? Het antwoord is dat in het geheel van de psalm gezocht wordt naar een deur die toegang verleent tot de aarde en haar volheid. En deze deur wordt gevonden in de tempel, op de berg des Heren. Slechts langs de weg van de verzoening mogen wij achter de Koning der ere aan de aarde en haar volheid binnentreden. Nieuwtestamentisch mogen we zeggen: slechts achter Christus aan en alleen maar met Christus mee. De psalm stelt in het begin de schepping aan de orde en is dan voorts vol van de beweging waardoor alles wordt gelegd in de handen van de Zoon van God.
Van de aarde naar Sion, uiteindelijk naar de Christus, - het is uiterst belangrijk dat we die lijn zien lopen en die beweging meemaken. In alle duidelijkheid tekent zij zich af door heel het Oude Testament heen tot in het midden van het Nieuwe Testament toe. Het begint in Genesis met de aarde. Dan komt het land Kanaän in zicht. Vervolgens concentreert zich de aandacht op het stamgebied Juda. Daarna gaat het naar Jeruzalem. Tenslotte komt de beweging tot een voorlopig rustpunt in Sion. Totdat in het Nieuwe Testament Hij komt die zegt: meer dan de tempel is hier, Christus in Wie de Here God onder ons woont. Deze beweging moet niet uitgelegd worden als een terugtrekkende, maar als een concentrische; zij boodschapt ons dat de Here God zijn bemoeienis met de wereld verhevigt.
Totdat Hij in de Christus op Golgotha zijn slag om de aarde en haar volheid wint. 'Het alles', de gehele geschapen werkelijkheid, is nu in Christus' handen gelegd. Echter, Christus is nu niet meer op de aarde.
Hij is ten hemel opgenomen en heeft de gehele geschapen werkelijkheid meegenomen. Die is nu met Christus verborgen in God. En wanneer Christus verschijnt die ons leven en onze schepping is, zullen ook wij met Hem verschijnen in heerlijkheid (Kolossenzen 3 : 4).
Zo zien we voortaan voor de aarde en haar volheid op tot de Christus.
Dat is geen vertikalisme, maar een naogen van Christus die inderdaad naar Boven is vertrokken, maar om vandaar weer terug te keren. De vertikaal in ons geloof is tijdelijk en bijkomstig.
Christus is ons punt van oriëntatie. En wij laten het aan Hem over wat Hij ons hier en nu van de erfenis al uitkeert. Wij echter zoeken eerst en vóór alles Hem, dat is Gods Koninkrijk en zijn gerechtigheid, in het vertrouwen dat ons datgene wat we van de aarde en haar volheid nodig hebben, zal geschonken worden.
Daarom zal een kerk die over de schepping spreekt het over Christus moeten hebben. Dat is dan geen stichtelijke afleiding, maar ze kan niet méér ter zake komen dan juist zo.
Ze hééft het dan juist over de schepping, echter - op háár manier! Stellig zal het op een synode die zo spreekt niet gonzen van journalisten. Maar de geschiedenis zal uitwijzen dat ze op het goede paard wedt als ze zegt: wie de aarde trouw wil blijven moet Christus trouw blijven en wie voor het leven wil kiezen die moet voor Christus kiezen. Het ligt alles in Zijn handen en uit Zijn doorboorde handen ontvangen wij er zoveel van als Hij goed voor ons vindt.