Werkloosheid in deze tijd

1984-05-04
  • Jaargang 28
  • nummer 18
“Wij leven in een bezeten wereld." Dit woord van de historicus Johan Huizinga kent vrijwel ieder, die gehoord en gelezen heeft. Het is een spreuk geworden. Talloze beschouwingen, toespraken, artikelen hebben het geciteerd.
Het is geworden tot een verzuchting.
Aanzienlijk minder mensen kennen de zinnen die er op volgen.
“Wij leven in een bezeten wereld", dat is de eerste zin van het in 1935 onder de titel “In de Schaduw van Morgen” verschenen boek. De ondertitel luidde: “Een diagnose van het geestelijk lijden van onze tijd.”

In 1935 had de wereldomvattende economische crisis haar onuitwisbare littekens in het gelaat van de verziekte samenleving ingevreten.
De werkloosheid had in de geïndustrialiseerde landen een ongekende omvang beperkt. De sociale voorzieningen waren feitelijk onontwikkeld.
Niemand onder ons, die het begrip "stempelen" niet kent. Aan particuliere liefdadigheid, in ootmoed of hoogmoed bedreven, ontbrak de kracht tot het bestellen van een het gelaat van de samenleving helende gerechtigheid.
De kerkelijke, diakonale hulp kwam in het algemeen daar niet bovenuit.
Tenslotte stelden nazidom en fascisme een antichristelijke orde op zaken, die uitliep op miljoenen arbeidskrachten vernietigende slagvelden, om wederopbouw roepende verwoeste steden en fabrieken, hand in hand met een uit militaire noodzaak op gang gekomen toepassing van een voor de tijd adembenemende technologie.
Een zee van bloed en tranen had de voorwaarden voor economisch herstel op de oevers van landen en volken afgezet. Voor wat West-Europa betreft, werd in de vorm van Marshallhulp de onmisbare kapitaalcomponent daaraan toegevoegd. Het geïndustrialiseerde Westen beleefde een welvaartsexplosie, voorheen ongekend.
Ons bekruipt het beangstigende gevoel, dat onze jaren de trekken van de dertiger jaren gaan vertonen.
"Wij leven in een bezeten wereld".
Laten we, met de kennis van de geschiedenis die we nu hebben, eens verder lezen:

"Wij leven in een bezeten wereld.
En wij weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen, als de waanzin eensklaps uitbrak in een razernij, waaruit deze arme Europese mensheid achterbleef in verstomping en verdwazing, de motoren nog draaiende en de vlaggen nog wapperende, maar de geest geweken.
Alom de twijfel aan de hechtheid van het maatschappelijk bestel, waarin wij leven, een vage angst voor de naaste toekomst, gevoelens van daling en ondergang der beschaving. Het zijn niet louter benauwingen die ons overvallen in de ijle uren van de nacht, als de levensvlam laag brandt. Het zijn weloverwogen verwachtingen, op waarneming en oordeel gegrond.
De feiten overstelpen ons.
Wij zien voor ogen, hoe bijna alle dingen, die eenmaal vast en heilig schenen, wankel zijn geworden: waarheid en menselijkheid, rede en recht. Wij zien staatsvormen, die niet meer functioneren, produktiestelsels, die op bezwijken staan. Wij zien maatschappelijke krachten, die in het dolzinnige doorwerken. De dreunende machine van deze geweldige tijd schijnt vast te lopen.

......

Zal deze beschaving gered worden, zal zij niet verzinken in eeuwen van barbarij, maar met behoud van de hoogste waarden, die haar erfgoed zijn, overgaan tot nieuwer en vaster staat, dan is het wel nodig, dat de nu levenden zich terdege rekenschap geven, hoever het bederf, dat haar bedreigt, is voortgeschreden.
Eerst sedert kort zijn stemmingen van dreigende ondergang en voortwoekerend bederf der beschaving algemeen geworden. Bij de meesten heeft eerst de economische crisis, aan den lijve gevoeld (de meesten zijn nu eenmaal gevoeliger aan het lijf dan aan de geest), de bodem tot zulke gedachten bereid.

......

de economische ontwrichting (is) slechts een der verschijnselen ( ... ) van een cultuurproces van veel wijdere omvang.

……

Een ongeschokt cultuuroptimisme is voorlopig enkel meer weggelegd voor hen, die of door gebrek aan inzicht niet kunnen beseffen, wat er aan de cultuur ontbreekt, dus zelf door het vervalsproces zijn aangetast, of voor hen, die in hun maatschappelijke of politieke heilsleer de komende beschaving reeds in de zak menen te hebben, om haar aanstonds over de misdeelde mensheid uit te schudden. "

Zo luidde in 1935 de diagnose van de humanistische historicus Johan Huizinga aangaande een bezeten wereld.
Hoe scherp heeft hij ingezien, dat economische crisis en werkloosheid geen geïsoleerde kwalen zijn van een overigens gezond lichaam en gezonde geest. Om die gedachte, die visie, is het mij nu te doen. Ik zou niet weten, hoe de kwalen van onze tijd, zijn ziekte en stervensproces, indringender zouden kunnen worden verwoord, dan Johan Huizinga in 1935 deed. Het is trouwens dezélfde tijd.
Vijftig jaar naar nu zijn minder dan het derde en vierde geslacht waarvan de onderwijzing van de HEERE spreekt in het derde gebod: mijn vader is wel overleden, maar mijn kleinkinderen zijn nauwelijks geboren.
Het is de ene tijd van Gods oordelen over de ongerechtigheid van een wereld die Hem haat.
Ook wij lopen het gevaar economische crisis en de daaruit voortkomende werkloosheid te zien als geïsoleerde verschijnselen. Een nood dus, die we kunnen lenigen, als we in het economische vlak maar de goede maatregelen weten te treffen, meer niet. Sterker nog: een nood die het snelst is overwonnen, wanneer wij Gods geboden nog verder overtreden.
Het is nog maar enkele weken geleden, dat ik voor de televisie een socialistisch deskundige hoorde beweren, dat de huidige werkloosheid verklaard moest worden uit een christelijke gezinspolitiek. We hadden al veel eerder liefde en hoop moeten ruilen voor de pil. Onze samenleving maakt op deze weg trouwens goede voortgang. Sedert het begin van de zestiger jaren zijn onder ons een half miljoen Nederlandse ongeboren kinderen door zwangerschapsafbreking gedood, waar een tweede half miljoen ongeboren kinderen, maar nu buitenlandse, bij opgeteld moet worden. Voor hen geen Malieveld met toeters en bellen en zingen om het leven.
Het met medische middelen ter dood brengen van ernstig zieken, hetzij zeer oud of zeer jong is feitelijk geaccepteerd.
Wat genoemd wordt "medische hulp bij zelfdoding", in die situaties, waarin mensen de balans van hun leven opmaken en tot beëindiging daarvan concluderen, wordt verdedigd in een vooraanstaand tijdschrift voor artsen.
Het is toevallig, dat ik hier uit de neergang van onze beschaving misdaden kies, die het huwelijks-, gezins- en familieleven betreffen.
Mogen wij de opdracht tot arbeid zien als cultuurgebod, die opdracht is verstrengeld met het levensverband van huwelijk, gezin en familie.
Bouwen en bewaren heeft in de bijbel niet slechts betrekking op de aardbodem, vruchtbaar zijn ziet niet slechts op de akker, maar arbeiden en kinderen krijgen zijn in Gods Woord één adem. Het hoofd van de afgodische wereldmacht Egypte had dat goed begrepen: hij brak de kracht van Gods volk door arbeidsslavernij en het doden van de kinderen.
Hoe minder kinderen, hoe minder aanbod van arbeidskrachten, hoe minder werkloosheid, hoe meer welvaart voor het volk. Dat is de wijsheid van deze wereld, die dwaasheid is voor God. Het is onthullend bij de drogredenen waarmee men ons denken probeert te vergiftigen niet te vergeten, dat de gedachtewereld aangaande het zelfbeschikkingsrecht over ons leven tot verdere ontwikkeling en toepassing kwam in de naoorlogse jaren van ongekende welvaart in materiële zin. Laat U niet bedriegen.
Indien onze hemelse Vader het niet verhoedt, komen wij in die situatie, waarin het cultuurgebod van de scheppingsmorgen krimpt tot een noodkreet in de vallende nacht: wee de vruchtbaren in die dagen!
Te denken, dat er in onze tijd, hoe erg op zichzelf ook, alleen maar iets mis is met de economie, met vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, met productie en consumptie en met de wereldhandel, is een fatale vergissing, die de gemeente van Christus niet moet maken.
De vlaggen wapperen al niet meer; ze zijn vervangen door strak gespannen doek met leuzen, waarin de naaste zijn dood vrijuit wordt toegewenst en de kracht van argumenten, toch al verdrongen door de kreet, moet wijken voor het functionele schuttingwoord.
Met de schrijver Floris Bakels zouden we kunnen wijzen op de ziekten, de stress, het verzuim. Op de echtscheidingen, de huwelijksontrouw, de opstandige en weglopende kinderen.
Op de drugs en de misdrijven om aan drugs te komen. Op de ongeïnspireerde bestuurders en politici.
Op de horden actievoerders, demonstranten en sympathisanten die het aanleggen op geweld, rellen, molest, schade, afbraak en plundering. Op de leeglopende en leegstaande kerken en kerkelijke autoriteiten en lichamen die het verval van het geloof bewust of onbewust mede op het geweten hebben. Op de berovingen, verkrachtingen, overvallen, kapingen, kleuterachtige, ordinaire vertoningen en opvoeringen en artikelen in pers, radio en televisie. Op letteren die vervallen tot pornografie, muziek die vervalt tot kakofonie, beeldende kunsten die vervallen tot knoeierij zonder enige waarde. We wennen eraan, schrijft Floris Bakels ("Uitzicht", uitg. Elsevier).
We zouden kunnen wijzen op wat terecht genoemd wordt de seksuele revolutie.
Op de angstaanjagende bewapeningsspiraal, waarin met name de kracht van de kerntechniek het wapen als een de bozen treffend instrument verslindt. Het leven wordt ontwricht en loopt vast. De wereld van de mensen wordt overgegeven aan energieën van dwaling. De bezetenheid is er een van boze geesten.
In deze tijd verkeert het ideaal van volledige werkgelegenheid in de werkelijkheid van massale werkloosheid.
Men zou kunnen zeggen, dat onze tijd een tijd van werkloosheid is. Beter is het te zeggen, dat de werkloosheid werkloosheid is van deze tijd.
Als de gemeente van Christus iets voor haar werklozen zal doen, dan zal zij haar barmhartigheid moeten oefenen vanuit haar heldere waarneming, dat het hout reeds week wordt (Matth. 24: 32). Het lijden aan werkloosheid is één van de vele tekenen van een tijd, waarin de voleinding, waarin hèt nabij is.
Wat moeten wij dan doen, broeders?
Wij moeten de gemeente en het gezin zuiver houden, rein bewaren.
Die zuiverheid zal ons deel zijn, als wij ons leven inrichten naar Gods geboden.
Weg met de zonde!
Als ik "gemeente" zeg, dan bedoel ik de zichtbare vergadering van Gods kinderen op een plaats in de tijd.
Daar kom ik ook de diakenen tegen.
Een onzichtbare kerk heeft geen diakenen en in de plurale kerk lopen ze maar heen en weer.
En als ik "gezin" zeg, dan is dat gezin in de familie begrepen. De ongehuwden horen erbij.
Ik heb er al op gewezen, hoe arbeidsleven en gezinsleven in één adem van God geschapen zijn. Welnu, gemeente en gezin zijn in Gods goedheid verstrengeld tot één levende gemeenschap.
Het Verbond heeft God opgericht met ons en onze kinderen. De levenslijn van de familie loopt via het doopvont. Dienst aan het gezin is dienst ván de gemeente áán de gemeente.
Dat wist de apostel Paulus al toen hij schreef: ik doe alles voor het evangelie, om er ook zelf deel aan te krijgen.
Gemeente en gezin zijn de primaire levensverbanden, die God ons heeft gegeven. We moeten ons daarop terugtrekken.
Daarop, niet daarin.
Daarop als op een basis van waaruit de getuigen de wereld ingaan. Weltoegerust.
Dag bij dag.
Werkloos zijn betekent lijden. Het is verdrukking door een samenleving, onmachtig geworden om een zinvolle plaats in haar midden te geven aan mensen naar Gods beeld, met een hart, een hoofd en handen.
U kunt onze werklozen niet werkelijk helpen wanneer U niet inziet dat zij de werklozen zijn van een tijd die, als God het niet verhoedt, huwelijk, gezin en familie liquideert. Waarin kostwinnerschap wordt uitgebannen.
Waarin de voorzieningen worden geïndividualiseerd, dat wil zeggen, gericht op enkelingen. Waarin via het afgedwongen proces van herverdeling van beschikbare arbeid een arbeidstijdverkorting wordt doorgevoerd tot een niveau, waarop man en vrouw beiden gedwongen zijn in een betaalde baan te werken voor het levensonderhoud van hen en van hun kinderen.
Zo wordt de werkloosheid, in plaats van reden tot verootmoediging instrument in de handen van een voluit revolutionaire emancipatiebeweging.
En voor het overige broeders, zegt Uw werklozen dat het werk al bijna is voltooid. Jezus komt eraan. De schepping wordt vernieuwd. Als de tijd daar is, dat wie in het veld is niet terug hoeft te keren naar zijn huis om zijn kleren mee te nemen, is daar ook de tijd dat hij die in het huis is niet meer uit hoeft te gaan naar de akker.
Deze laatste dingen te weten, maakt vrij.
Vanuit die geestesgesteldheid kunnen diakenen helpen. Je komt ze tegen in de gemeente en in de gezinnen. De drempels zijn maar laag.
Ze helpen de werklozen, als zouden ze geen werklozen zijn. Ze bemoedigen de werkenden, als zouden ze geen werkenden zijn. Want deze wereld gaat voorbij. U zult het zien: dát christelijk geloof maakt mensen creatief en praktisch. Hun hand vindt om te doen. Wie pro deo werkt, werkt voor de mensen en Christus heeft het werk betaald.
Treurt om het derde en vierde geslacht.
Maar niet als degenen die geen hoop hebben. Want van U zijn de duizend geslachten, als de geslachten van hen die de HEERE liefhebben.
Wij leven in een overwonnen wereld.
En wij weten het.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief