Wat mag wel en wat mag niet?

1985-03-15
  • Jaargang 29
  • nummer 11
Er is eens een wetenschappelijk artikel verschenen onder de titel: "Mag William vieze woorden zeggen?" Dat ging over William Shakespeare die 'in zijn toneelstukken een heleboel toespelingen op seksueel gebied heeft verwerkt. De moderne lezer merkt die nauwelijks nog op, maar voor de luisteraars van toen waren ze heel duidelijk.

Hetzelfde is te zeggen van onze “Willem die Madocke maecte” en die ook de Reinaart heeft geschreven. Ook dst boek bevat veel meer schunnige opmerkingen dan de huidige lezer in de gaten heeft. Luisteraars en Iezers van vroeger hadden daar geen moeite mee en dat gold in tweeërlei opzicht: ze hadden de grapjes door en ze. konden ze ook best waarderen. Ach, en wij kunnen toch ook wel in de lach schieten, als we lezen dat de pastoor door de kater zodanig in zijn kruis wordt gebeten dat zijn "huishoudster", vrouwe Julocke (zeg maar: schatje) helemaal overstuur raakt. Ze had de opbrengst uit de collectebussen van een heel jaar willen missen als hem dát niet overkomen was en ze klaagt:

al genase hiv an der wonden,
hi blivet den soeten spele mat.

En in een latere bewerking zegt Reinaert om haar te troosten:

Hoe dan ook,gij zijt zeker nu voortaan,
dat hij elders niet zal gaan.

Maar ándere tijden, ándere zeden en in elk geval andere opvattingen.
De woordkeus van de middeleeuwer is dikwijls grover dan wij nu kunnen waarderen en zo'n dertig jaar geleden liet men in schoolboeken bij voorkeur passages als die ,ik hierboven heb gegeven, achterwege. En toen ik tijdens mijn studie een grote hoeveelheid middeleeuwse kluchten en boerden (grappen) moest doorlezen, dacht ik wel eens: het is net of je met kleine jongetjes te maken hebt, die mogen ook zo graag vieze woorden zeggen. Toch, de opvattingen verschuiven. In 1936 verscheen "Meneer Vissers Hellevaart" van Simon Vestdijk en daarin worden de onsmakelijke ervaringen beschreven van iemand die last van aambeien heeft; een dergelijke beschrijving was in die tijd gewoon "onbeschaafd",' maar nu juichen velen het toe als een schrijver weer eens een "taboe" weet te vinden dat nog niet "doorbroken;' is. Zelfs Jan Cremer heeft een plaats in onze cultuur gekregen want zijn naam wordt in heel wat literatuurboeken"; genoemd. En die schreef toch wel heel veel vieze woorden en dan zonder dat hij spits of geestig was.

Mag een schrijver anderen kwetsen?
Wim Kan zei eens: "Als je door de studio's van de NCRV loopt, hoor je telkens "au, au". Dat zijn luisteraars die zich ergens aan stoten." Hoe veel Roomskatholieke lezers zouden zich niet "gestoten" hebben aan het verhaal over de vos Reinaert waarin de pastoor zo belachelijk werd gemaakt? En hoeveel gereformeerden voelen zich "gekwetst" door Maarten 't Hart, b.v. door de manier waarop hij bepaalde ouderlingen afschildert? Maar als Henk Blsink via Harm: met het harpje een homofiel op lachwekkende manier uitbeeldt, zitten diezelfde gereformeerden (en katholieken) te grinniken. En toen ik eens van vakantie terug kwam en via. de radio een spotIiedje hoorde over onze koningin: “Beatrix is niks', toen zei ik: "Die vent moesten ze arresteren wegens majesteitsschennis." Spot is een gevaarlijk wapen. Menig politicus heeft om de grappen van Wim Kan gelachen maar dan wel als een boer met kiespijn. Toch zijn we er allemaal vermoedelijk wel van overtuigd dat zo'n satirisch programma zijn nut heeft. Koningen hadden vroeger een hofnar, een figuur die de gekste dingen mocht zeggen, die daarmee ook scherpe kritiek mocht uiten en dat werd algemeen als een heel gezond middel gezien om de despotische neigingen een beetje in te dammen. Eeuwen lang hebben schrijvers zich bediend van de satire om het verkeerde van allerlei dingen aan te tonen door die bespottelijk te maken. Onze Reinaert is daarvan het grote voorbeeld. Het is in de hele maatschappij dief en diefjesmaat en de lui die op de hoogste plaatsen zitten, deugen het minst. Bredero heeft in zijn "Spaanse Brabander" de mensen een spiegel voorgehouden om hun de eigen gebreken te laten zien. Maar toen destijds het programma "Zo is het toevallig ook nog eens een keer" van start ging, kwamen er heel wat protesten. En in de discussie rondom de P. C. Hooftprijs speelt opnieuw de vraag: hoever mag iemand gaan die anderen kwetst? Het kan natuurlijk ook zonder humor. Mag ik bij voorbeeld zeggen dat iemand welbewust liegt of moet ik zeggen dat hij de zaken anders weergeeft dan ze zijn? Is het bombardement door de geallieerden op Dresden een oorlogsmisdaad geweest of was het een noodlottig misverstand?
Of, om de zaak nog wat concreter te maken: mag ik in een gesprek met iemand van de Vrijgemaakte Kerk zeggen dat ons in 1969 de kerkgebouwen afgeroofd zijn? Spreek ik dan de waarheid of gebruik ik dan woorden die alleen maar pijn doen en die geen gunstig effect hebben ? Voorlopig roep ik alleen maar vragen op.

Mens, durf te lachen!
Laten we nu eerst eens met nadruk vaststellen dat lachen gezond is, vooraf gezond voor de geest. We zijn in de kerk zo ernstig, we lachen zo weinig. 'En wat zijn we gauw "gekwetst" als onze eigenaardigheden, ook onze gereformeerde eigenaardigheden aan de kaak worden gesteld.
Echte humor is, zegt men wel, een lach en een traan. Laten we dan gerust ook maar eens lachen om de gekke dingen die we doen, misschien gaan we er dan later wel een beetje om huilen en proberen we het wat ánders te doen, Ik herinner me een kerkenraadsvergadering waar één van de ouderlingen als voorzitter, pardon, als praeses fungeerde. Op een gegeven moment wilde 'hij in de discussie zelf ook iets naar voren brengen' en hij riep: “Praeses, mag ik ook wat zeggen?"
Direct daarop besefte hij zijn vergissing en hij zei: ,,O, dat ben ik zelf!" Wat hebben we gelachen, we zagen ook allemaal even in hoe gewichtig we eigenlijk berig waren, En elke keer heb ik weer plezier in het grapje dat achter de woorden van één der ouderlingen in een verhaal' van Maarten 't Hart steekt. Het gaat daar over de vraag of de zoon des huizes wel een goed meisje zoekt, straks komt hij nog thuis met een meisje dat Hervormd is, of... "misschien is ze wel helemáál niks". Natuurlijk moet de klemtoon op het woord “helemáál" liggen! Een typisch voorbeeld van gereformeerde hoogmoed. Ik denk ook aan de stukjes van Klei in Trouw; b.v. dat over die dominee die op zo'n subtiele wijze in het kerkblad meedeelde dat hij binnenkort jarig was: hij dacht dat vorig jaar niemand het wist en hij had toen tóch veel cadeautjes gekregen. Wie lacht niet die de mens beziet?


Maar er zijn wel degelijk grenzen
In de oorlog kon je lachen om de Duitsers; U kent misschien wel dat spotplaatje over die marcherende Duitse soldaten die zingen: "Wir fahren gegen Engeland". Een klein jongetje marcheert met de troep mee, maar zijn moeder roept: "Hier komen, Jantjel Moet je óók verzuipen?" Maar wie de gaskamers en de crematoria gezien heeft, lacht niet meer. En wie de Gestapo had leren kennen, had ook leren háten. En die maakte zich er ook geen zorgen om of hij misschien iemand "kwetste" als hij aan die haat uiting gaf. Zie het Geuzenliedboek 1940-1945. Ik weet wel dat haat allereerst tegen het kwaad gericht moet zijn en niet tegen de mensen die dat kwaad bedrijven, maar in de praktijk blijkt het heel moeilijk te zijn dat onderscheid te maken. Ik kan me ook best verplaatsen in de bittere gevoelens van ds. Overduin die een keer zei: "Ze zeggen dat er ook goede Duitsers zijn, maar ik heb er niet één ontmoet." Er zijn grenzen waar het lachen ophoudt en waar alleen maar meer plaats is voor ernst.
En dan komen we weer op het terrein van de ethiek. Daar gaan we de volgende keer mee verder.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief