Werfkracht
2006-01-20
Handelingen is het boek van de snelle groei van de kerk en menigeen kijkt er met jaloersheid naar. Bij duizenden stroomde men in die begintijd toe. Hoe deden de discipelen dat toch?- Jaargang 50
- nummer 2
Wat was het sleuteltje tot hun succes? Jammer dat zij ons geen cursus meer kunnen geven!
En dan opeens dat woord dat op die toeloop een domper lijkt te zetten. Niemand die zich bij hen durfde aansluiten.
Dat verwacht je niet, voor toen en daar. Zeker, direct daar overheen komt weer de mededeling over de toetreding van velen. Alsof Lucas zich heeft bedacht en vergeten is om dat dertiende vers te schrappen. Zodat je je vers 13 en 14 achter elkaar lezend afvraagt: wat was het nu, groei of stagnatie in de groei? Het ligt genuanceerd en het is Lucas, de schrijver van Handelingen, wel toevertrouwd daar recht aan te doen. Je kunt hem hier dan ook niet letterlijk genoeg vertalen.
Afschrikwekkend
Aan de tekst vooraf gaat de horribele geschiedenis van Ananias en Saffira, de twee die zich met onzuivere motieven in de gemeente hadden binnengedrongen. Ze wilden goede sier maken met een voorgewende vrijgevigheid en werden ter plaatse ontmaskerd en met de dood bestraft. Geen voorbeeld van tucht, want de kerk oordeelt niet over het innerlijk en straft niet aan het leven. God zelf wilde de beginnende kerk met een afschrikwekkend voorbeeld laten zien dat er met Hem niet valt te spotten. Precies zoals Achan bij de intrede in het beloofde land om zijn bedrog gestenigd werd (Jozua 7), werden Ananias en Saffira aan het begin van de kerkgeschiedenis, ons ten voorbeeld, door God zelf gedood. God hebbe hun ziel.
Identiteit
‘En een grote vrees kwam over allen die het hoorden’, lezen we na de dood van Ananias (Handelingen 5:5), wat na het dood neervallen van zijn vrouw Saffira nog een versterkte echo krijgt: ‘en een grote vrees kwam over de gehele gemeente en over allen die het hoorden’ (vers 11). Dat is de achtergrond van de opmerkelijke mededeling dat van de anderen niemand zich bij hen durfde aansluiten. En dat het volk de gemeente hoogachtte.
In één klap werden zowel de gemeente als die om haar heen stonden bepaald bij de identiteit van wat kerkzijn eigenlijk wil zeggen. Dat kerk-zijn iets anders is dan samen een sociale gezelligheidsclub vormen waar je moet zorgen bij te komen. Dat het zelfs iets anders is dan de waarden en normen in het maatschappelijk leven hoog houden. Kerk ben je als je luistert naar wat de Here God één en andermaal tegen het oude Israël al gezegd had: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig’ (Leviticus 11:45). Ik stel me voor dat mensen die op het punt stonden het lidmaatschap van de gemeente aan te vragen, zich na het gebeurde met die twee achter het oor krabden en tegen elkaar zeiden: moeten we dat wel doen? En dat mensen die al lid waren overwogen of het niet veiliger was maar wat afstand te nemen. Als toch het vuur van die heiligheid zo heet gestookt werd…
Door de vrees heen
De vrees en het niet durven waar de tekst van spreekt zijn dus zonder meer begrijpelijk. Maar hoe moeten we dat vervolg dan toch verstaan? ‘En des te meer werden er toegevoegd die de Here geloofden’. Des te meer? Er is geen moderne vertaling die dat nog heeft. Wil Lucas werkelijk zeggen dat er van het gebeuren met Ananias en Saffira werfkracht voor de gemeente uitging? Dat kan toch niet? Ja, dat kan wél. ‘Bij de mensen is dat onmogelijk maar bij God zijn alle dingen mogelijk’, zei Christus toen Hij het over het onwaarschijnlijke geval had dat een rijke behouden zou worden (Matteüs 19:26). Hij zegt het hier ook. Dwars door de vrees heen trekt de Here God mensen naar zich toe.
Heiligheid die aantrekt
Voor werfkracht zouden wij als kerk minder naar buiten en meer naar binnen gericht moeten zijn. Niet de vraag: hoe worden we groter, of, bescheidener: hoe stoppen we de leegloop?, maar die andere vraag ‘hoe worden wij heiliger?’ zou ons moeten beheersen. Hoe maken we meer ernst met de aanwezigheid van de heilige God in ons midden? Door alle bedrog en onzuiverheid af te leggen, door royaal onze zonden te belijden en zonder schaamte van Gods genade te leven. Maar dan ook echt te léven! Als dat gebeurt dan heeft de gemeente werfkracht. Dan geeft God ons werfkracht, moet ik zeggen. Niet zo massaal misschien, dat durf ik inderdaad niet te zeggen. Het Pinksteren van toen had wel iets eenmaligs. Maar er zijn ook in onze dagen genoeg buitenkerkelijken die met verwachting naar de kerk kijken en erop hopen dat zij trouw zal zijn aan haar bestemming en met woord en daad de aanwezigheid van de Heilige in haar midden serieus zal nemen. Vermenselijken wij de kerk niet teveel? Zijn we niet gevoeliger voor wat ‘men’ van ons denkt dan voor hoe God over ons oordeelt? Zijn we niet meer bezig met de vraag of mensen ons aantrekkelijk vinden dan of we voor de Heilige acceptabel zijn?