Naar Zuid-Afrika (4)

1985-03-22
  • Jaargang 29
  • nummer 12
Uit de verslaggeving in ons land zou de indruk kunnen ontstaan dat de "hoofdmoot" op het agendum van de synode in Potchefstroom de zaak van de omstreden correspondentie met onze kerken was. Vorige maal schreef ik over een agenda van 722 pagina's; wanneer ik daaraan toevoeg dat het rapport van de deputaten voor oecumenische zaken, waarin werd voorgesteld correspondentie met ons aan te gaan; nauwelijks één pagina besloeg brengt dit de zaak in werkelijke proporties terug. Zo belangrijk zijn wij niet en de synode had meer te doen en geen enkele behoefte aan een heropvoering van de strijd in de vrijgemaakte kerken met de zo te betreuren afloop.

Toegekomen aan een beschrijving van "het geding", waarop velen onder u zitten te wachten, moet ik één en ander overwinnen want het is een onverkwikkelijke geschiedenis.
In het afscheidswoord ter synode heb ik gesproken van getemperde blijdschap en gemengde gevoelens bij het voor ons zo gunstig besluit.
Blijkbaar is niet duidelijk geworden wat hiermee is bedoeld en daarom ga ik hier even op in.
Het is altijd mijn vaste overtuiging geweest dat wij in al de scheuringen en verdeeldheid onder gereformeerde belijders in ons land (ook na 1944 en na 1967) niet mogen berusten., Het uiteengaan van broeders en zusters van hetzelfde huis moet ons bezig blijven houden: Het is niet naaf de wil des Heren. Zo was het eenvoudig niet waar wat de synode van de vrijgem. kerken van Hoogeveen schreef aan de kerken in Noord-Holland: Wilden wij voort op de weg, die Christus met zijn kerken in dit land is gegaan, dan moesten wij uw credentiebrief weigeren. Geliefde broeders stuur je niet weg in Christus naam, Het schisma liegt: schreef ds G.v. d. Brink terecht boven een brochure in die dagen.
Hoewel er nauwelijks contacten zijn en geen tekenen van toenadering blijft een mens hopen op een keer zulks te meer daar, naar ik ook in Zuid-Afrika heb gezegd, het nooit' onze bedoeling is geweest het aantal gereformeerde kerken in ons land uit te breiden.
Daarbij komt dat onze kleine kerken een moeilijk bestaan hebben tussen .de andere, grote kerken en aan veel beïnvloeding bloot staan. Denken we· daarbij vooral ook aan de jeugd en de secularisatie van het christelijk onderwijs in de crisis van onze dagen, dan kan ik me voorstellen dat ouders in zorg. voor hun kinderen de kerken binnenverband benijden omdat de kaders van het christelijk leven hier nog overeind staan.
Wat een dag zou het zijn als we uit de verstrooiing zouden geraken en samen met anderen tot een nieuw begin komen. Nu gingen wij naar Zuid-Afrikaen ontmoetten daar officiële vertegenwoordigersvan de Geref. Kerken, vrijgemaakt: In de persoonlijke omgang waren zij bijzonder vriendelijk en attent. Om dit te typeren vertel
ik u maar dat ik in Zuid-Afrika mijn verjaardag beleefde en ds. Veldstra had gevraagd daarover te zwijgen ter synode. Wie schetste mijn verbazing toen op de synode ds. H.J. de Vries mij heel hartelijk en vriendelijk feliciteerde. Daar sta je van te kijken, want van mijn collega’s weten maar weinigen wanneer ik jarig ben. Ds. De Vries had niet alleen voorstudie gemaakt van de zaken maar ook aandacht besteed aan de personen; ik ben er van overtuigd dat zijn felicitatie van harte gemeend was, ook na alles wat zich later voordeed. Een soortgelijke ervaring had ik kort geleden in een gesprek tussen broeders, die heel nauw bij het conflict in 1967 betrokken waren en één van de leiders in het vrijgemaakte kerkelijke leven van die dagen. Kennelijk had laatstgenoemde broeder wat moeite en hij zei dat het indertijd om diepe overtuigingen ging, maar niet tegen personen. Hier versta ik niets van: zouden beschuldigingen als in 1967, die ik nu maar niet citeer, maar er nog altijd liggen ons niet persoonlijk hebben geraakt… Genoeg over deze zaak om u duidelijk te maken dat vriendelijkheid
in de persoonlijke sfeer niet in mindering komt op de aanklachten en beschuldigingen; vandaar de getemperde blijdschap omdat een klein beetje hoop weer in rook opging. We beleefden de moeilijker jaren a.h.w. opnieuw en ik zag weer voor me hoe op de synode van Delfshaven tijdens de zaak Groningen-Zuid de “bliksem” insloeg en hoe we de vergadering werden uitgeleid; ik dacht aan al die tonelen die we beleefden, wanneer kerkenraden of predikanten van de classis of synode werden heengezonden en moest constateren dat we geen stap verder zijn gekomen; er is ons niets gebleken van een kentering of enige twijfel of men mogelijk niet te drastisch is opgetreden; er is eerder sprake van verharding en verblinding. Daarom was de blijdschap getemperd want banden in Zuid-Afrika zijn prachtig, maar hier blijven ze doorgesneden. Om u een zo juist mogelijk beeld van de gang van zaken te geven, wil ik – om niet steeds zelfs aan het woord te zijn – het één en anders citeren uit een artikel van ds. H.J. de Vries in de Gereformeerde Kerkbode voor Groningen, Friesland en Drenthe d.d. 23 februari.


Toespraak tot Nat. Synode Potchefstroom
In het Ned. Dagblad hebt u een heel goed verslag van de nationale Synode· van die Gereformeerde Kerken in Zuid-Afrika reeds gekregen. Na terugkeer begin maart en na rapport van br. J. J. Schreuder en mij aan de deputaten B.B.K. hoop ik op de zaken, die ons bijzonder aangaan, nader te kunnen terugkomen. Thans wil ik volstaan met het publiceren van de volledige toespraak, die ik op 15 januari 1985 tot de nationale Synode van de GKSA heb gehouden.
"Volledig" in tweeërlei zin. Eerstens omdat in het overigens goede verslag in het N.D. toch een keuze is gedaan waarbij bepaalde delen niet zijn vermeld b.v. over de J.C.R.C. en ook over de historie; Dat laatste raakt een tweede verkorting, die in de toespraak zelf op het laatste ogenblik moest worden aangebracht. Het was n.1. zo dat wij als afgevaardigden van de Geref. Kerken in Nederland (vrijg.) krachtens wettig besluit van de vorige Synode van Potchefstroom-1982 waren. uitgenodigd met belofte van volle spreekrecht in de vergadering. Maar er bleken op een of andere .wijze ook afgevaardigden van de Ned. Geref. Kerken ("buitenverbanders") uitgenodigd te zijn, die op de tweede vergaderdag verschenen, en ook op de lijst van de buitenlandse gedeputeerden, die de Synode zouden toespreken, waren gezet op dinsdagmiddag 15 januari. Aan het eind van de morgenvergadering kwam de voorzitter van de Synode naar mij toe en zei dat hij evenals hij bij ds v . d. Kwast had gedaan ook van mij vroeg om niet te spreken over "de Kerkstrijd in Nederland" omdat hij geen argumentatie van ons tegen elkaar in de vergadering van de Synode zou toestaan.
Reeds eerder was krachtens voorstel van het moderamen alleen spreekrecht aari afgevaardigden van corresponderende Kerken in de vergadering gegeven.
Hoe dat verder gehonoreerd is? Daar ga ik op dit moment niet op in. Wel vindt u hieronder eerst de toespraak, zoals die door mij op die dinsdagavond is gehouden.
Daarbij doe ik volgen het gedeelte dat noodgedwongen werd weggelaten, maar uiteraard wel voor de commissie met toelichting en bewijzen door ons is gestaafd.

Ds De Vries sprak een warm, hartelijk woord tot 'de broeders dat met een plechtig amen weid besloten. Meegedeeld werd dat Prof. J.
Kamphuis tot zijn spijt verhinderd was de synode bij te wonen en dat was natuurlijk jammer.
Gelukkig had ik het boekje: Verantwoording van een keus Anno Domini 1967, van de professor meegenomen, om. als dit nodig mocht zijn duidelijke voorlichting te geven over de kern van 'de zaak in de strijd. Voorts werd meegedeeld dat de synode een wat soepeler standpunt had ingenomen in de zaak van "dubbele correspondentie" met kerken, die in het eigen land gescheiden optrekken. Voor zover mij bekend is er ditmaal geen bezwaar gemaakt tegen de correspondentie van de poppers met de Chr. Geref. Kerken. Verder werd breed gesproken over de handhaving van Schrift en belijdenis en kerkorde, in de Afscheiding en de Vrijmaking en de trouw daarin betoond. Het was voor ons duidelijk waarop deze speech zou uitlopen, had de praeses van de synode niet ingegrepen . In de al genoemde Kerkbode vinden we nu het weggelaten deel gepubliceerd dat we met bijzondere belangstelling hebben gelezen en u niet willen onthouden. Over de moeiten in 1967 e.v.j. schrijft ds De Vries:

Hierbij het uit de oorspronkelijke toespraak gelaten gedeelte.

Daarbij kwam druk van binnenuit die leidde tot de crisis, .die prof. Kamphuis voor Uw synode van 1982 aldus omschreef: "Er werd ruimte gevraagd om openlijk de confessie in boek en blad, in prediking en voorlichting te kritiseren, b.v. om te bestrijden dat de gelovigen na het sterven dadelijk tot Christus hun hoofd worden opgenomen, zoals de Catechismus dat belijdt in Zondag 22a, in overeenstemming met het Woord, dat zo vol evangelie is, waarmee Christus troostte hem die met Hem was gekruisigd: "Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn", Luk. 23, 43. Die ruimte konden en mochten wij niet geven. Wij waren geroepen bij de Waarheid te blijven. Deze zaak is nog altijd actueel, omdat deze bestrijding nog voortdurend voortgaat.

Er werd ook - het één hangt onlosmakelijk met het ander samen ruimte gezocht in die zin, dat de bevoegdheid van meerdere vergaderingen om bondige besluiten te nemen ontkend werd of wel praktisch genegeerd". Aldus prof. Kamphuis hier in 1982.

Daarna hebben wij als informatie overhandigd, naast andere bewijsstukken,een memorandum, gedateerd 18 dec. 1981, waarin werd toegelicht het besluit van onze G.S; van Arnhem 1981. Onze synode bood daarin aan uw kerken de voorlopige relatie van kerkelijk contact aan, op grond van eenheid in leer, dienst en tucht, mits u niet op de zelfde grond kerkelijke correspondentie aan de Nederlandse Gereformeerde Kerken zoudt aanbieden, zoals uw deputaten aan uw Synode van 1982 zouden voorstellen, naar zij ons mededeelden. Ons aanbod was niet bedoeld als wilden wij U iets opdringen. Wij zijn er namelijk van overtuigd dat deze eenheid van leer, dienst en tucht er niet is tussen de Ned. Geref. Kerken en onze Geref. Kerken (Vrijgemaakt), en die erderhalve o.i. niet kan zijn van Uw kerken met beiden. Wij menen in oprechtheid tegenover de Here en elkaar U te moeten mededelen dat die er ook vandaag niet kan zijn met beiden. Het is onze vaste overtuiging dat het “Akkoord van de Ned. Geref. Kerken”, hetwelk daar in de plaats van de Dordtse Kerkorde gekomen is, reeds in zijn preambule ruimte blijft geven aan independistische tendensen ten aanzien van het niet houden van besluiten van kerkelijke vergaderingen en zelfs ten aanzien van het aanvaarden van het genoemde Akkoord. Ook wordt daardoor in die kerkgemeenschap ruimte gegeven voor de bestrijding van de Geref. Belijdenis, bijvoorbeeld meer dan één voorganger heeft openlijk de leer van Gods eeuwig besluit van Uitverkiezing en Verwerping, zoals in de Dordtse Leerregels beleden, bestreden. Mogen wij U daarom verzoeken de conclusie van Uw deputaten op blz. 34 van de Agenda te toetsen en daarbij te betrekken ons memorandum d.d. 5 juni 1984.
Wij verwachten van Uw commissie gelegenheid te ontvangen. dit alles nader toe te lichten:
We constateren dat de voorlichting die Prof. Kamphuis in Zuid-Afrika gaf niet klopt met zijn verantwoording in 1967 in ons land. Het kan verkeren – we zijn in het buitenland! Uit de eigen woorden van de broeders weten we nu wat ze voor ons op het vuur hebben gezet. Op het beruchte memorandum van 1981 is een vervolg gekomen en het laat zich vermoeden wat daarin allemaal bewezen en met de stukken en brokken wordt aangetoond. Hoe is het nu: geloven de broeders en zusters in de vrijgemaakte kerken nog steeds dat zij Gode een welbehage dienst hebben bewezen in hun beslissingen tegenover ons. Of, zou het mogelijk zijn dat er steeds nieuwe bewijzen worden aangevoerd voor het gelijk in 1967 omdat het geweten toch onrustig is onder de last van het verleden.

Intussen zijn we het front genaderd, daarover volgend keer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief